‘Laten we hopen dat je gelijk hebt,’ zei Romanda scherp, en Lelaine voegde er nog killer aan toe: ‘Je beoordelingsvermogen is de laatste tijd niet wat het zou moeten zijn, heer Brin.’ Een kille, snijdende toon. ‘Wat u zegt, Aes Sedai.’ Hij maakte weer een lichte buiging zonder zich van Egwene af te wenden. Net ais Siuan was hij nu openlijk aan haar gebonden, althans wat de Zaal betrof. Zolang ze maar niet wisten hoe nauw die band was. Wist zij het zelf maar precies. ‘Nog iets, Moeder,’ ging hij door. ‘Talmanes is er ook, bij het meer. Er zijn ongeveer honderd man van de Bond aan de oostkant. Niet genoeg om moeilijkheden te veroorzaken, zelfs als hij dat zou willen, en ik geloof dat daar weinig kans op is.’
Egwene knikte slechts. Niet genoeg voor moeilijkheden? Talmanes alleen kon die al scheppen! Ze proefde gal. Het-mocht-nu-niet-fout-gaan!
‘Talmanes!’ riep Lelaine uit. Haar kalmte was verbrijzeld. Ze moest net zo gespannen zijn als Egwene. ‘Hoe is hij erachter gekomen? Als je Draakgezworenen in je plannetjes hebt opgenomen, heer Brin, zal je echt leren wat te ver gaan betekent!’
Romanda voegde er grommend aan toe: ‘Dit is een schandaal! Wou je beweren dat je nu pas van zijn aanwezigheid hoort? Als dat zo is, is je roem even opgeblazen als een gezwel!’ De Aes Sedai-kalmte scheen vandaag slechts een dun laagje.
Op die manier gingen ze nog een tijdje door, maar Brin reed verder, slechts van tijd tot tijd mompelend: ‘Wat u zegt, Aes Sedai.’ Meestal zei hij niets. Egwene was erbij geweest toen hij deze ochtend nog erger onder handen genomen was, en hij reageerde nu even onverstoorbaar. Het was Siuan die uiteindelijk begon te snuiven, en pioenrood werd toen de Gezetenen verbaasd naar haar keken. Egwene schudde bijna haar hoofd. Siuan was zeer zeker verliefd. En ze moest beslist worden toegesproken! Brin glimlachte, maar dat kon ook zijn omdat hij niet langer het middelpunt van de aandacht was. De bomen weken uiteen voor een volgend open veld, wat groter dan anders, en dat maakte een einde aan haar speelse gedachten. Afgezien van een brede rand van hoog bruin riet en kattenstaarten die uit de sneeuw oprees, was nergens te zien dat er een meer was. Het had een groot grasveld kunnen zijn, plat en ruwweg ovaalvormig. Op enige afstand van de boszoom stond op het bevroren meer een groot blauw paviljoen. Er liep een kleine groep mensen rond en tientallen paarden werden vastgehouden door dienaren. De bries liet een aantal felgekleurde banieren en wimpels wapperen en voerde gedempte kreten naar hen toe, die slechts bevelen konden zijn. Meer dienaren kwamen haastig aanlopen. Kennelijk waren ze er nog niet lang genoeg om alles gereed te hebben.
Misschien een span verder begonnen de bomen weer, en in het zwakke zonlicht schitterde daar metaal. Heel veel metaal, langs de gehele oever. Aan de oostkant, bijna net zo dichtbij als het paviljoen, deden de honderd man van de Bond geen moeite om zich te verbergen. Ze stonden naast hun rijdieren, bijna vlak achter de kattenstaarten. Een paar wezen op de banier van Tar Valon. De mensen bij het paviljoen keken op van hun bezigheden.
Egwene hield niet halt maar reed verder over het met sneeuw bedekte ijs. Ze verbeeldde zich dat ze een rozenknop was die zich opende voor de zon, een oude noviceoefening. Ze omhelsde niet echt saidar, maar de bijbehorende kalmte was zeer welkom. Siuan en Sheriam volgden, en de Gezetenen met hun zwaardhanden en dienaren ook. Heer Brin en de vaandrager waren de enige krijgslieden die meegingen. Geschreeuw achter haar maakte duidelijk dat Uno zijn gewapende ruiters langs de oever opstelde. De lichter gewapende mannen die niet waakten tegen verraad, werden aan weerszijden geplaatst. Het meer was gekozen omdat het ijs dik genoeg was voor een redelijk aantal paarden, maar geen honderden, laat staan duizenden. Dat verminderde de kans op vals spel aanzienlijk. Natuurlijk was een paviljoen buiten het bereik van pijlen niet buiten het bereik van de Ene Kracht, niet als men de tent kon zien. Maar zelfs de grootste schurk ter wereld wist dat hij daardoor niet bedreigd werd, tenzij hij een zuster zou aanvallen. Egwene liet haar adem fluitend ontsnappen en begon weer haar kalmte te verzamelen. Een juiste begroeting voor de Amyrlin Zetel zou inhouden dat dienaren naar voren zouden snellen met warme drank en mantels die om hete stenen waren gewikkeld. Daarna zouden de heren en vrouwes zelf de teugels aannemen en vanwege Abramsdag een kus aanbieden. Elke hoge bezoeker zou dienaren hebben, maar bij het paviljoen bewoog zich niemand. Brin steeg zelf af en kwam naar haar toe om Daishars teugels aan te nemen, en dezelfde magere jongeman die de dag tevoren met nieuwe kooltjes was gekomen, rende naar voren om Egwenes stijgbeugel vast te houden. Zijn neus drupte nog steeds, maar in zijn iets te lange rood fluwelen jas en helderblauwe mantel zag hij er fraaier uit dan de edelen die in het paviljoen naar hen staarden. Ze leken voornamelijk in dikke wol te zijn gehuld, met wat borduurwerk en heel weinig zijde of kant. Waarschijnlijk hadden ze naar passende kleren moeten zoeken, toen het was gaan sneeuwen en zij al onderweg waren. Al zou de jongeman met zijn kleren zelfs een ketellapper aftroeven.
Er waren kleden onder het tentdak neergelegd, en de komforen waren aangestoken, hoewel de bries zowel de warmte als de rook afvoerde. Er stonden twee rijen stoelen tegenover elkaar voor de afgevaardigden, acht per rij. Ze hadden niet zoveel zusters verwacht. Sommige wachtende edelen wisselden verschrikte blikken uit, en enkele dienaren wrongen letterlijk hun handen en vroegen zich af wat ze moesten doen. Dat was onnodig.
De stoelen pasten slecht bij elkaar, maar ze waren allemaal even groot, en geen enkele was zichtbaar meer versleten of beschadigd dan een ander. Geen ervan had aantoonbaar meer verguld houtsnijwerk. De magere jongeman en enkele anderen kwamen aandraven en plaatsten zonder veel omhaal de stoelen voor de Aes Sedai neer in de sneeuw, terwijl de edelen toekeken, waarna ze haastig gingen helpen met het afladen van de pakpaarden. Nog steeds sprak niemand een woord.
Er werden snel voldoende zetels neergezet voor de Zaal en Egwene. Het waren eenvoudige bankjes maar ze waren opgewreven tot ze glansden. Ze stonden op brede verhogingen die waren bedekt met doeken in de kleur van een Ajah. De zetels stonden in een lange rij over de volle breedte van het paviljoen. De voorste verhoging toonde de kleurenbanen van Egwenes stola. Het was de afgelopen nacht een drukte van belang geweest. Er was naar bijenwas gezocht voor het opwrijven en naar goede stof van de juiste kleur. Nadat Egwene en de Gezetenen hun plaatsen hadden ingenomen, zaten zij een voet hoger dan de anderen. Ze had er haar twijfels over gehad, maar door het ontbreken van enig welkomstwoord was die twijfel verdwenen. Op Abramsdag zou de eenvoudigste boer hen met een beker en een kus hebben begroet. Zij waren geen smekelingen en ze waren geen gelijken. Zij waren Aes Sedai. De zwaardhanden stonden achter hun Aes Sedai en Siuan en Sheriam bevonden zich aan weerszijden van Egwene. De zusters wierpen groots hun mantels open en staken hun handschoenen weg om aan te geven dat de kou hen niet deerde. De edelen vormden een scherpe tegenstelling doordat zij hun mantel stevig om zich heen hadden geslagen. Buiten wapperde de Vlam van Tar Valon in de opstekende bries. Alleen Halima, die naast Delana’s stoel op de rand van de met grijze stof overtrokken verhoging zat, bedierf de grootse aanblik, maar haar grote groene ogen staarden zo uitdagend naar de Andoranen en Morlanders dat ze niet te veel bedierf. Er waren een paar starende blikken toen Egwene de zetel vooraan bezette, maar het waren er niet veel. Niemand leek echt verbaasd. Ik mag aannemen dat ze allemaal over de kinder-Amyrlin hebben gehoord, bedacht ze droog. Nou, er waren ook jonge koninginnen geweest, onder wie koninginnen van Andor en Morland. Kalmpjes gaf ze een knikje, en Sheriam gebaarde naar de rij stoelen. Het maakte niet uit wie als eerste was aangekomen of wie voor het paviljoen had gezorgd. Er was geen twijfel aan wie deze bijeenkomst had belegd. Wie er de baas was.