Egwene knikte, terwijl haar ogen Talmanes zochten. De meeste mannen en sommige vrouwen waren lang genoeg om hem aan het oog te onttrekken. En terwijl iedereen ronddrentelde... Ze ging op haar tenen staan. Waar was hij heen?
Segan plantte zich voor haar met de handen in haar zij, en nam Siuan vol twijfel op. Egwene liet zich haastig weer zakken. De Amyrlin kon niet op en neer springen als een meisje dat bij een dans een jongen zocht. Een ontluikende rozenknop. Kalmte. Rust. Die drommelse mannen!
Segan, met haar slanke gestalte en lange donkere haren, leek een geboren ruziemaakster. Haar volle lippen pruilden. Haar gewaad was van goede blauwe wol en bedoeld tegen de kou, maar er zat veel te veel groen borduursel op het lijfje, en haar handschoenen waren zo bont als die van een ketellapper. Ze bekeek Egwene van top tot teen, met tuitende lippen en met evenveel ongeloof als ze Siuan had opgenomen. ‘Wat u zei over het noviceboek,’ zei ze opeens. ‘Doelde u daarbij op elke vrouw? Van welke leeftijd dan ook? Iedereen kan Aes Sedai worden?’
Die vraag lag Egwene na aan het hart, en ze zou hem graag beantwoorden – tegelijk met een draai om de oren voor de uitgesproken twijfel – maar op dat ogenblik zag ze door een opening in de menigte Talmanes bij de achterkant van het paviljoen staan. Pratend met Pelivar! Ze stonden stijfjes, als bulhonden die nog net hun tanden niet lieten zien, maar ze waren waakzaam genoeg om te zorgen dat niemand in de buurt kwam om hen af te luisteren. ‘Elke vrouw van elke leeftijd, dochter,’ beaamde ze afwezig. Met Pelivar? ‘Dank u,’ zei Segan, en voegde er toen hakkelend aan toe: ‘Moeder.’ Ze maakte iets wat in de verte op een knix leek, voor ze haastig vertrok. Egwene staarde haar na. Nou ja, het was een begin. Siuan snoof. ‘Als het nodig is, vind ik het niet erg om in het donker door de Vingers van de Draak te zeilen,’ mompelde ze halfluid. ‘We hebben het besproken, de gevaren afgewogen, en bovendien hadden we evenveel keus als een zeemeeuw bij de laatste visafslag. Maar dan moet jij zo nodig een vuurtje aan dek stoken! Wilde je alles nog wat spannender maken? Je bent niet tevreden met de vangst van een leeuwvis; je moet ook nog eens een prikkelrug in je kleren stoppen. Je bent niet tevreden met door een school zilvertanden te waden...’ Egwene onderbrak haar. ‘Siuan, ik vind dat ik heer Brin moet vertellen dat je tot over je oren verliefd op hem bent. Het is eerlijker als hij het weet, vind je ook niet?’ Siuans ogen puilden uit en haar mond bewoog, maar er waren slechts wat slikkende geluiden te horen. ‘Je bent Aes Sedai, Siuan. Tracht in elk geval een beetje waardigheid te behouden. En probeer wat uit te vinden over die zusters in Andor.’ Er viel opnieuw een gat in de menigte. Ze zag Talmanes ergens anders staan, maar nog steeds bij de wand van het paviljoen. En alleen, nu.
Ze liep zonder gehaast te lijken in zijn richting en liet Siuan nog steeds sputterend achter. Een knappe dienaar met zwarte haren, wiens omvangrijke wollen broek niet helemaal zijn welgevormde kuiten verborg, bood Siuan een dampende zilveren kom van een blad aan. Er liepen nog meer dienaren rond met zilveren bladen. Er werden verfrissingen aangeboden, zij het wat laat. Veel te laat voor de vredeskus. Ze hoorde niet wat Siuan bij haar greep naar de kom zei, maar de kerel schrok zo hevig en begon zo haastig te buigen dat hij waarschijnlijk door enkele scherven van haar bui was getroffen. Egwene zuchtte.
Talmanes stond met zijn armen over elkaar alles aan te kijken. Er speelde een vermaakte glimlach om zijn mond, die zijn ogen niet bereikte. Hij leek elk ogenblik met een ruk in beweging te kunnen komen, maar zijn ogen stonden vermoeid. Toen ze hem naderde, maakte hij een eerbiedige buiging, maar zijn stem had iets droogs toen hij zei: ‘U hebt vandaag een grens gewijzigd.’ Hij hield zijn mantel dicht tegen de ijzige wind. ‘Die was tussen Andor en Morland altijd al veranderlijk, wat de kaarten ook zeggen, maar het Andoraanse leger is nog nooit in zo’n omvang naar het zuiden getrokken. Nou ja, afgezien van de Aiel-oorlog, en de Witmantel-oorlog, maar toen trokken ze slechts door Morland. Als ze hier een maand hun kamp opslaan, zullen de nieuwe kaarten een nieuwe grenslijn tonen. Moet u zien hoeveel moeite de Morlanders doen om evenzeer in het gevlei te komen bij Pelivar en zijn metgezellen als bij de zusters. Ze hopen nieuwe vrienden voor de nieuwe tijd te maken.’ Egwene keek onderzoekend rond en trachtte dat te verbergen voor mogelijke toeschouwers. In haar ogen hadden alle edelen, Morlandse en Andoraanse, hun volle aandacht op de Gezetenen gericht en stonden ze dicht om de zusters heen. Hoe dan ook, zij had belangrijker zaken aan haar hoofd dan grenzen. Slechts zo nu en dan ving ze iets meer op van de Gezetenen dan hun kruinen. Alleen Halima en Siuan leken op haar te letten. Een geroezemoes als op een stadsmarkt vervulde de lucht. Ze ging zachter praten en koos haar woorden met zorg.
‘Vrienden zijn altijd belangrijk, Talmanes. Je bent een goede vriend van Mart, en ik geloof ook van mij. Ik hoop dat dat niet veranderd is. Ik hoop dat je niemand iets verteld hebt wat niet zou moeten.’ Licht, ze was inderdaad bezorgd, anders zou ze niet zo bot geweest zijn. Nog even, en ze vroeg hem op de man af waar hij en Pelivar over gesproken hadden!
Gelukkig lachte hij haar niet als een vrijpostige dorpsvrouw uit. Hoewel hij dat wellicht wel dacht. Hij keek haar ernstig en onderzoekend aan voor hij begon te spreken. Zachtjes. Hij wist ook wat behoedzaamheid was. ‘Niet alle mannen kletsen. Zegt u me eens, wist u op de dag dat u Mart naar het zuiden stuurde, wat u hier vandaag zou doen?’
‘Hoe kon ik dat twee maanden geleden weten? Aes Sedai zijn niet alwetend, Talmanes.’ Ze had destijds gehoopt op de omstandigheden waarin ze nu verkeerde en ze had er plannen voor gemaakt, maar ze had het niet geweten. Toen niet. Ze hoopte ook dat hij niet zou kletsen. Sommige mannen deden dat niet.
Romanda wilde ferm, beslist en met een ijzig gezicht op haar afkomen, maar Aratheile onderschepte haar, hield de arm van de Gele zuster vast en weigerde zich tot Romanda’s verbijstering met een kluitje in het riet te laten sturen.
‘Kunt u mij dan ten minste zeggen waar Mart is?’ vroeg Talmanes. ‘Op weg naar Caemlin met de erfdochter? Waarom verbaast u dat? Een dienstmeid praat met een krijgsman als ze water uit dezelfde beek halen. Zelfs al is hij een afgrijselijke Draakgezworene,’ voegde hij er droog aan toe.
Licht! Mannen deden soms echt van die... ongelegen dingen. Zelfs de besten vonden altijd een manier om nét het verkeerde op het verkeerde ogenblik te zeggen, of de verkeerde vraag te stellen. Om maar te zwijgen over pogingen om dienaressen te verleiden tot geroddel. Het zou zoveel makkelijker zijn als ze gewoon kon liegen, maar hij had haar voldoende ruimte binnen de Geloften gelaten. De halve waarheid volstond en zou hem ervan weerhouden om zich naar Ebo Dar te haasten. Misschien wel minder dan de halve waarheid. Aan de andere kant van het paviljoen stond Siuan te praten met een lange jongeman met rode haren en een krulsnor, die haar net zo twijfelend opnam als Segan. Edelen wisten gewoonlijk hoe Aes Sedai eruitzagen. Maar hij hield slechts een deel van Siuans aandacht gevangen. Haar blik flitste voortdurend naar Egwene. Die blik leek even luid te schreeuwen als haar geweten. Gemakkelijker. Handiger. Wat het was om Aes Sedai te zijn. Ze had niét geweten van vandaag, er slechts op gehoopt! Egwene liet een geprikkelde zucht ontsnappen. Bloedvuur, Siuan!