Ze was niet de enige met zorgen. De anderen verborgen het met veel moeite en straalden een ijzeren zelfbeheersing uit, maar hun zwaardhanden reden als mannen die bij elke stap verwachtten dat het ergste uit de sneeuw op zou springen. Hun ogen zwierven onvermoeibaar en waakzaam rond, en ze hielden hun handen gereed zodat hun mantels wapperden in de wind. Als een Aes Sedai zich zorgen maakte, maakte haar zwaardhand zich zorgen, en de Gezetenen waren te diep in gedachten verzonken om eraan te denken de mannen gerust te stellen. Egwene was er wel zo blij om. Als de Gezetenen bezorgd waren, waren ze nog niet tot een besluit gekomen. Toen Brin naar voren reed om te overleggen met Uno, nam ze de gelegenheid te baat om te vragen wat de twee vrouwen vernomen hadden over de Aes Sedai en de Torenwacht in Andor. ‘Niet veel,’ zei Siuan met gespannen stem. De ruig behaarde Bela leek geen enkele moeite met deze snelheid te hebben, maar Siuan had dat wel. Ze hield de teugels stevig in één hand en omklemde met haar andere hand haar zadelknop. ‘Voor zover ik het kan doorgronden, zijn het vijftig geruchten en geen feiten. Dit soort verhalen steekt vaak de kop op, al kan het nog steeds waar zijn.’ Bela struikelde even toen haar voorhoeven diep wegzakten, en Siuan verzuchtte: ‘Het Licht vertere alle paarden!’
Sheriam had niet meer opgestoken. Hoofdschuddend zuchtte ze geprikkeld: ‘Het klinkt mij allemaal als vederlichte geruchten en onzin in de oren, Moeder. Er gaan altijd verhalen over rondsluipende zusters. Heb je nooit leren rijden, Siuan?’ voegde ze eraan toe, en haar stem droop ineens van venijn. ‘Tegen de avond zul je te bont en blauw zijn om te kunnen lopen!’ Sheriams zenuwen moesten flink aangetast zijn voor zo’n openlijke uitbarsting. Aan de manier te zien waarop zij in het zadel heen en weer schoof, was haar voorspelling voor Siuan voor haarzelf al uitgekomen.
Siuans ogen verhardden zich en ze opende al half haar mond voor een snauw, zonder acht te slaan op de luisteraar achter de banier. ‘Stil jullie, allebei!’ zei Egwene scherp. Ze haalde diep, kalmerend adem. Haar zenuwen waren ook niet wat ze geweest waren. Aratheile mocht nog zoveel aannemen, maar een door Elaida gestuurde macht die het tegen hen moest opnemen zou te groot zijn om rond te sluipen. Daarmee bleef de Zwarte Toren over, een ramp in wording. Je bereikte meer door de kip voor je neus te plukken dan eentje die in de boom was gevlogen. Vooral als die boom in een ander land stond en er misschien helemaal geen tweede kip was. Ze gaf Sheriam afgebeten bevelen voor wat er bij hun terugkeer moest gebeuren. Zij was de Amyrlin Zetel, en dat betekende dat alle Aes Sedai haar verantwoordelijkheid waren, ook de volgelingen van Elaida. Haar stem klonk desondanks kalm en zeker. Het was te laat om bang te zijn als je de wolf bij de oren had.
Sheriams ogen werden groot terwijl ze het aanhoorde. ‘Moeder, als ik mag vragen, waarom...?’ De woorden verstierven onder Egwenes vlakke blik, en ze slikte. ‘Het zal gebeuren zoals u zegt, Moeder,’ zei ze langzaam. ‘Vreemd. Ik herinner me de dag dat u en Nynaeve naar de Toren kwamen. Twee meisjes die maar niet konden beslissen of ze opgewonden of bang moesten zijn. Sindsdien is er zoveel veranderd. Alles.’
‘Niets blijft eeuwig hetzelfde,’ zei Egwene. Ze keek Siuan betekenisvol aan, maar die weigerde op te kijken. Ze leek te mokken. Sheriam zag er misselijk uit.
Toen keerde heer Brin terug en hij moest de stemming aangevoeld hebben. Hij zei slechts dat ze goede vorderingen maakten, maar hield verder zijn mond. Een verstandig man.
Ondanks hun goede vorderingen raakte de zon bijna de boomtoppen toen ze eindelijk door het uitgestrekte legerkamp reden. De wagens en tenten wierpen lange schaduwen in de sneeuw, en een aantal mensen was druk bezig met het optrekken van nog meer schuilplaatsen van hakhout. Er waren bij lange na niet genoeg tenten, zelfs niet voor alle soldaten, en er waren bijna evenveel tuigmakers, wasvrouwen, pijlenmakers en andere ambachtslui in het kamp, de onvermijdelijke begeleiders van een leger. Het gerinkel van aambeelden sprak van hoefsmeden, wapensmeden en wagenmakers die nog steeds aan het werk waren. Overal brandden kookvuren, en de ruiterij verspreidde zich, begerig naar warmte en warm eten, zodra hun moeizaam voortploeterende rijdieren verzorgd waren. Tot Egwenes verrassing bleef Brin naast haar rijden toen ze hem van zijn taak had ontslagen.
‘Als u het me toestaat, Moeder,’ zei hij, ‘dacht ik dat ik u nog een tijdje langer kon begeleiden.’ Sheriam draaide zich met een verbaasde blik in het zadel om. Siuan staarde ook, recht vooruit, alsof ze hem niet haar plotseling groter wordende ogen wilde tonen. Wat meende hij te kunnen doen? Optreden als haar lijfwacht? Tegen zusters? Die kerel met zijn druipneus had evenveel kans. Onthullen hoezeer hij aan haar kant stond? Daar was morgen nog tijd genoeg voor; als alles vannacht goed ging. Die onthulling kon de Zaal gemakkelijk kanten op doen stuiven die ze nauwelijks durfde overwegen.
‘Deze nacht is voor zaken van de Aes Sedai,’ zei ze beslist. Maar, hoe dwaas zijn voorstel ook mocht zijn, hij had terwille van haar aangeboden gevaar te lopen. Ze kon zijn redenen niet begrijpen – wie wist waarom een man iets deed? – maar ze was hem daar iets voor verschuldigd. Naast andere dingen. ‘Tenzij ik vannacht Siuan naar u toe stuur, heer Brin, moet u voor de ochtend vertrekken. Als de blaam voor vandaag mij treft, kan die ook u raken. Blijven kan gevaarlijk zijn. Zelfs fataal. Ik geloof niet dat ze veel voorwendsels nodig hebben.’ Het was niet nodig om aan te geven wie ‘ze’ waren, ik heb mijn woord gegeven,’ antwoordde hij rustig, op Trekkers hals kloppend. ‘Tot Tar Valon.’ Hij hield op en keek Sheriam aan. Herder aarzelend dan nadenkend. ‘Wat die zaken van vannacht ook zijn,’ zei hij ten slotte, ‘bedenk dat u dertigduizend man en Garet Brin achter u heeft. Dat moet toch meetellen, zelfs onder Aes Sedai. Tot morgen, Moeder.’ Hij keerde zijn grote vos en riep over zijn schouder: ‘Ik verwacht je morgen, Siuan. Niéts verandert dat.’ Siuan staarde naar zijn rug toen hij wegreed. Haar ogen stonden bekommerd. Egwene kon het ook niet helpen, maar ook zij staarde hem na. Nooit eerder had hij zich zo openlijk uitgesproken, bij lange na niet. Waarom juist nu?
Ze reed de veertig of vijftig pas die het legerkamp scheidde van het Aes Sedai-kamp, en knikte naar Sheriam, die haar teugels bij de eerste tent inhield. Zij en Siuan reden door. Achter hen rees Sheriams stem verrassend helder en kalm op. ‘De Amyrlin Zetel roept de Zaal op om deze dag in zitting bijeen te komen. Laat de voorbereidingen snel beginnen.’ Egwene keek niet om.
Bij haar tent kwam een knokig stalmeisje met een opwapperende wollen rok aanrennen om Daishar en Bela aan te nemen. Haar gezicht was blauw van de kou en ze boog haastig haar hoofd voor ze zich met de paarden weer even snel weghaastte. De warmte van de gloeiende komforen binnen leek een vuist die zich om haar sloot. Egwene had tot nu toe niet beseft hoe koud het buiten was. Of hoe koud zij het zelf had.
Chesa nam haar mantel aan en slaakte een kreet toen zij haar handen voelde. ‘Hemel, u bent tot het bot verkleumd, Moeder.’ Al babbelend en druk doend vouwde ze de mantels van Egwene en Siuan op, streek de netjes omgeslagen dekens op Egwenes bed glad en schoof een blad recht dat was neergezet op een kist die uit de stapel was getrokken, ik zou onmiddellijk in bed springen, met overal warme stenen, als ik zo verkleumd was. Zodra ik gegeten heb, dan wel. Warm van buiten is alleen warm als je het ook vanbinnen bent. Ik zal nog een paar stenen halen om onder uw voeten te leggen als u gaat eten. En natuurlijk voor Siuan Sedai. O, en als ik zo hongerig ben als u, krijg ik de neiging om mijn eten naar binnen te schrokken, maar dat geeft me altijd maagpijn.’ Ze bleef bij het blad staan en keek Egwene aan en knikte tevreden, toen die zei dat ze niet te snel zou eten.