Выбрать главу

‘Je weet dat Romanda ooit zelf Amyrlin wilde zijn,’ zei ze op een punt. ik heb gehoord dat zij zich zo kwaad als een zeemeeuw met afgeknipte staartveren terugtrok toen Tamra de stola en staf ontving. Ik verwed een zilvermark, die ik niet heb, tegen vissenschubben dat haar ogen twee keer zo erg zullen uitpuilen als die van Lelaine.’ En later. ‘Ik zou er graag bij willen zijn om hun gehuil te horen. Het zal niet lang duren voor iemand dat doet, en liever zij dan wij. Ik heb nooit een zangstem gehad.’ Ze zong zowaar een deel van een liedje, dat ze over de rivier naar een jongen staarde en geen boot had. Ze had gelijk. Haar stem was wel aardig, maar ze kon zeker geen wijs houden.

En nog later. ‘Het is maar goed dat ik tegenwoordig zo’n mooi smoeltje heb. Als dit slecht afloopt, kleden zij ons tweeën als poppen en zetten ons te kijk op een plank. Natuurlijk kunnen we ook een ongeluk krijgen. Poppen kunnen kapotgaan. Dan kan Garet Brin iemand anders gaan koeioneren.’ Daar moest ze echt om lachen. Toen de tentflap even naar binnen boog, wat iemand aankondigde die genoeg wist om bij een luisterban niet binnen te komen, was Egwene behoorlijk opgelucht. Ze wilde niet echt horen waartoe Siuans humor zou leiden!

Zodra ze de ban ophief, kwam Sheriam binnen, met een golf lucht die tien keer zo koud leek als tevoren. ‘Het is tijd, Moeder. Alles is gereed.’ Haar ogen waren groot en ze likte haar lippen af met het puntje van haar tong.

Siuan sprong overeind en greep haar mantel van Egwenes bed. Ze wachtte even voor ze hem omsloeg, ik heb wel degelijk in het donker langs de Vingers van de Draak gezeild, weet je,’ zei ze ernstig. ‘En eens heb ik samen met mijn vader een leeuwvis gevangen. Het is mogelijk.’

Sheriam keek fronsend toe terwijl Siuan naar buiten wipte en nog meer kou binnenliet. ‘Soms denk ik...’ begon ze, maar ze sprak de gedachte niet uit. ‘Waarom doet u dit, Moeder?’ vroeg ze in plaats daarvan. ‘Dit alles, uw woorden op het meer, het bijeenroepen van de Zaal? Waarom liet u ons gisteren de hele dag over Logain praten met iedereen die we tegenkwamen? Ik geloof dat u het met mij zou moeten delen. Ik bén uw Hoedster. Ik héb u trouw gezworen.’ ik vertel je wat je moet weten,’ zei Egwene terwijl ze de mantel omsloeg. Ze hoefde niet te zeggen dat ze een afgedwongen eed maar gedeeltelijk vertrouwde, zelfs die van een zuster. En Sheriam zou een reden kunnen vinden om ondanks haar eed een woord in het verkeerde oor te fluisteren. Per slot van rekening waren Aes Sedai meesters in het omzeilen van wat ze gezegd hadden. Ze geloofde niet echt dat het zou gebeuren, maar net als met heer Brin, wilde ze niets riskeren, tenzij ze moest.

‘Ik moet u zeggen,’ zei Sheriam bitter, ‘dat volgens mij Romanda of Lelaine morgen uw Hoedster van de Kronieken zal zijn, en dat ik een straf moet uitdienen omdat ik de Zaal niet gewaarschuwd heb. En ik denk dat u nog afgunstig op mij zult zijn.’ Egwene knikte. Zeer wel mogelijk. ‘Zullen we gaan?’ De zon was een rode koepel boven de boomkruinen in het westen en wierp een vlammend licht op de sneeuw. Dienaren omlijnden Egwenes voorbijgaan over de platgetreden sneeuwpaden met zwijgende buigingen en knixen. Hun gezichten stonden bezorgd, of nietszeggend. Dienaren konden de stemming van hun meesteressen bijna even snel oppikken als zwaardhanden.

Aanvankelijk was er geen zuster te zien, en toen waren ze er allemaal, in een grote kring van drie rijen om een paviljoen dat was opgezet op de enige open plek in het kamp die groot genoeg was. Deze plek werd gebruikt door zusters die naar de duiventillen in Salidar scheerden en terugreisden met verslagen van de ogen-en-oren. Het had grote moeite gekost om het paviljoen op te zetten. Het dikke zeildoek leek een lappendeken die vele malen hersteld was en zich beslist niet kon meten met de pracht van het paviljoen op het meer. De afgelopen twee maanden was de Zaal vaak zoals gisterochtend bijeengekomen, of met moeite in een van de grotere tenten. Het paviljoen was slechts twee keer eerder opgericht sinds ze Salidar verlaten hadden. Beide keren voor een rechtszaak. De zusters die achteraan stonden en Egwene en Sheriam zagen aankomen, gaven dat mompelend door aan de zusters voor hen, waardoor er ruimte vrijkwam om hen door te laten. Uitdrukkingsloze ogen sloegen het tweetal gade, en uit niets bleek of de toeschouwsters vermoedden of wisten wat er te gebeuren stond. Er was geen enkele aanwijzing van hun gedachten. Vlinders fladderden in Egwenes maag. Een rozenknop. Kalmte.

Ze stapte op de over elkaar liggen tapijten, die geweven waren in sprankelende kleuren en tientallen motieven, en bewoog zich tussen de komforen door die aan de rand van het paviljoen waren opgesteld. Sheriam begon. ‘Zij komt, zij komt...’ Als ze wat minder groots klonk dan anders, ietwat zenuwachtig, was dat nauwelijks een verrassing.

De bankjes en met stof bedekte verhogingen van het meer waren hier opnieuw in gebruik. Ze oogden veel formeler dan het rommelige stel stoelen dat eerder gebruikt was. Twee schuine rijen van negen, in groepjes van drie: Groen, Grijs en Geel aan een kant; Wit, Bruin en Blauw aan de andere kant. Aan de overzijde van het paviljoen stonden de gestreepte verhoging en bank voor de Amyrlin Zetel. Als ze daar zat, zou elk oog op haar zijn gericht, en zou ze zich er zeer van bewust zijn dat zij het in haar eentje tegen achttien moest opnemen. Het was maar goed dat ze geen andere kleren had aangetrokken; iedere Gezetene droeg nog haar mooie kleren van het meer. Alleen de stola was eraan toegevoegd. Een rozenknop. Kalmte. Een bankje was leeg, hoewel maar heel even. Vlak nadat Sheriam haar aankondiging beëindigde, kwam Delana binnen stuiven. De Grijze zuster haastte zich ademloos en met een hoogrode kleur naar haar plaats tussen Varilin en Kwamesa, met weinig van haar gewone sierlijkheid. Ze glimlachte ziekelijk en speelde zenuwachtig met de vuurdruppels om haar hals. Je zou bijna denken dat zij hier terechtstond. Kalmte. Niemand stond terecht. Nog niet. Egwene zette zich in beweging en liep langzaam over de tapijten tussen de twee rijen door, met Sheriam vlak achter haar. Kwamesa, de jongste Gezetene, kwam overeind. De gloed van saidar gloeide plotseling om de donkere slanke vrouw. Vanavond zouden de vormelijkheden in acht genomen worden. ‘Wat voor de Zaal van de Toren wordt gebracht, is alleen voor de Zaal ter overweging,’ verkondigde Kwamesa. ‘Wie hier ongenood binnendringt, vrouw of man, ingewijde of buitenstaander, in vrede of in woede, zal ik volgens de wet binden, om volgens de wet gericht te worden. Weet, dat wat ik zeg, de waarheid is; het moet en zal geschieden.’

Dit ritueel was nog ouder dan de eed tegen het spreken van onwaarheden. Het stamde uit een tijd dat er bijna evenveel Amyrlins omkwamen door moordenaarshanden als door andere oorzaken. Egwene liep met afgemeten passen door. Ze moest moeite doen om haar stola niet aan te raken als een herinnering. Ze probeerde haar aandacht op de bank voor haar te richten.

Kwamesa nam haar plaats weer in, terwijl ze nog steeds gloeide van de Kracht, en bij de Witten rees Aledrin op. Ook zij werd door de gloed omhuld. Met haar donkergouden haar en lichtbruine ogen zag ze er heel lieflijk uit als ze glimlachte, maar vanavond had een steen meer uitdrukking dan haar gezicht. ‘Er zijn binnen gehoorsafstand personen die niet tot de Zaal behoren,’ zei ze met koele stem, waarin de Tarabonse tongval doorklonk. ‘Wat gesproken wordt in de Zaal van de Toren is voor de Zaal alleen om aan te horen, totdat en tenzij de Zaal anders besluit. Ik zal ons onder elkaar doen verkeren. Ik zal onze woorden verzegelen voor andere oren.’ Ze weefde een ban die het gehele paviljoen omsloot, en ging zitten. Er ging een beweging door de zusters buiten, die nu de gehele Zaal slechts in volkomen stilte konden zien.

Het was vreemd dat onder de Gezetenen zoveel afhing van leeftijd, terwijl onderscheid naar leeftijd bij andere Aes Sedai zowat een vloek was. Kon Siuan inderdaad een patroon in de leeftijd van de Gezetenen hebben gezien? Nee. Hou je aandacht erbij. Wees kalm en let op.

Egwene greep de zoom van haar mantel, stapte de gestreepte verhoging op en draaide zich om. Lelaine stond al, met haar blauwe stola over haar armen geslagen, en Romanda kwam overeind zonder te wachten tot Egwene had plaatsgenomen. Egwene kon niet wachten tot een van beiden het roer greep, ik leg de Zaal een vraag voor,’ zei ze met luide, besliste stem. ‘Wie staat voor het verklaren van de oorlog tegen de overweldigster Elaida do Avriny a’Roihan?’ Toen ging ze zitten, wierp haar mantel af en liet die achter zich op het bankje vallen. Sheriam, die naast haar op de tapijten stond, leek koel en beheerst, maar ze maakte een geluidje, bijna een gejank. Egwene dacht niet dat iemand anders het gehoord had. Ze hoopte van niet.