Выбрать главу

Even heerste er een ogenblik van geschokte stilte, van vrouwen die op hun zetel bevroren waren en haar verbijsterd aanstaarden. Wellicht evenzeer omdat ze een vraag had voorgelegd als om de inhoud van die vraag. Niemand stelde een vraag aan de Zaal voordat de Gezetenen erover gepolst waren. Dat deed men gewoon niet, om praktische redenen én omdat het gebruik nooit doorbroken werd. Ten slotte sprak Lelaine. ‘We verklaren personen nooit de oorlog,’ zei ze droogjes. ‘Zelfs niet een verraadster als Elaida. Hoe dan ook, ik roep op uw vraag terzijde te leggen, zodat we dringender zaken kunnen afhandelen.’ Ze had na de rit tijd gehad om haar beheersing te herwinnen. Haar gezicht stond nu slechts hard, niet als een donderwolk. Ze streek haar blauwe rok glad, alsof ze Elaida wegveegde – of misschien Egwene – en richtte haar aandacht op de andere Gezetenen. ‘Wat ons vanavond hier brengt is... ik had “eenvoudig” willen zeggen, maar dat is het niet. Het noviceboek openen? We zouden gróótmoeders krijgen die met veel misbaar eisen beproefd te worden. Hier een maand blijven? Ik hoef niet al de moeilijkheden op te sommen, zoals het verspillen van de helft van ons goud terwijl we geen voet dichter bij Tar Valon komen. En wat betreft het niet binnentrekken van Andor...’

‘Mijn zuster Lelaine heeft in haar bezorgdheid vergeten wie het recht heeft om als eerste te spreken,’ onderbrak Romanda haar kalm. Haar glimlach deed Lelaine vrouwe vrolijkheid zelf lijken. Maar ze nam de tijd om haar stola naar haar zin te schikken, alsof ze alle tijd van de wereld had. ik heb twee vragen voor te leggen aan de Zaal, en de tweede gaat in op Lelaines bezorgdheid. Helaas voor haar, betreft mijn eerste vraag Lelaines eigen geschiktheid om in de Zaal te blijven.’ Haar glimlach werd breder zonder iets aan warmte te winnen. Lelaine ging langzaam zitten en keek nu openlijk heel dreigend. ‘Een vraag over oorlog kan niet terzijde worden gelegd,’ zei Egwene met verdragende stem. ‘Hij moet beantwoord worden vóór enige andere vraag. Dat is de wet.’

Er werden snelle, vragende blikken tussen de Gezetenen uitgewisseld, is dat zo?’ vroeg Janya ten slotte. Ze kneep haar ogen nadenkend samen en wendde zich tot een vrouw die twee bankjes verder zat. ‘Takima, jij herinnert je alles war je gelezen hebt, en ik weet zeker dat je ooit zei dat je de Wet van de Oorlog gelezen hebt. Staat dat erin?’

Egwene hield haar adem in. De Witte Toren had in de afgelopen duizend jaar soldaten naar een groot aantal oorlogen gestuurd, maar altijd als antwoord op een verzoek om hulp van ten minste twee tronen. Het was altijd hun oorlog geweest, niet die van de Toren. De laatste keer dat de Toren zelf een oorlog had verklaard, was die tegen Artur Haviksvleugel geweest. Siuan had gezegd dat er nu alleen enkele boekbewaarsters meer wisten dan dat er een Wet van de Oorlog bestónd.

De kleine Takima, met haar lange donkere haar tot aan haar middel en een huid met de kleur van oud ivoor, deed mensen vaak denken aan een vogel, die zijn kopje nadenkend schuin hield. Nu leek ze op een vogel die snel weg wilde vliegen. Ze schoof heen en weer, verschikte haar stola, verzette onnodig haar kapje met parels en saffieren. ‘Het is zo,’ zei ze ten slotte en kneep de lippen op elkaar. Egwene haalde weer stilletjes adem.

‘Blijkbaar heeft Siuan u goed onderricht, Moeder,’ zei Romanda afgemeten. ‘Hoe wenst u te spreken ter staving van de oorlogsverklaring? Tegen een vrouw?’ Ze klonk alsof ze iets onaangenaams uit de weg wilde vegen en ze viel op haar bankje neer alsof ze het opruimen wilde afwachten.

Egwene knikte desondanks minzaam en stond op. Ze kruiste de blikken van de Gezetenen een voor een, vlak en strak. Takima vermeed haar ogen. Licht, de vrouw wist het! Maar ze had niets gezegd. Zou ze lang genoeg haar mond houden? Het was te laat om van plan te veranderen.

‘Vandaag bevonden we ons tegenover een leger, aangevoerd door mensen die aan ons twijfelen. Dat leger zou er anders niet geweest zijn.’ Egwene had het heel vurig willen uitspreken. Ze had het allemaal tot een uitbarsting willen laten komen, maar Siuan had haar de grootst mogelijke koelte aangeraden. Uiteindelijk had ze ermee ingestemd. Ze moesten een vrouw met zelfbeheersing zien, niet een meisje dat zich door haar hart liet leiden. Maar de woorden kwamen uit haar hart. ‘U hebt Aratheile horen zeggen dat ze niet verwikkeld wensten te geraken in Aes Sedai-zaken. Toch waren ze bereid om een leger tot in Morland te brengen en ons de weg te versperren. Omdat ze niet zeker zijn van wie we zijn, of waar we voor staan. Is er werkelijk iemand onder u die gelooft dat zij u waarachtig als Gezetenen zien?’ Malind, met haar ronde gezicht en vurige ogen, verschoof onrustig op haar bankje tussen de Groenen, en dat deed Salita ook, plukkend aan haar gele stola, hoewel haar donkere gezicht elke uitdrukking wist te verbergen. Berana, ook een Gezetene die in Salidar was gekozen, keek nadenkend. Egwene had het niet over het optreden tegen haar als Amyrlin; als die gedachte niet reeds in hun hoofd zat, wilde zij hem niet planten. ‘We hebben Elaida’s misdaden tegenover ontelbare edelen opgesomd,’ ging ze door. ‘We hebben hun gezegd dat we van zins zijn haar te verwijderen. Maar zij twijfelen. Ze denken dat we misschien – misschien – zijn wie we zeggen te zijn. Maar misschien zit er wel een dubbele bodem in onze woorden. Misschien zijn wij slechts Elaida’s handen, die een of ander ingewikkeld plan weven. Twijfel maakt mensen in de war. Twijfel gaf Pelivar en Aratheile de moed om voor Aes Sedai te staan en te zeggen: “U kunt niet verder.” Wie zal ons nog meer de weg versperren? Wie zal zich met ons bemoeien, omdat ze twijfelen? Welke onzekerheid zal leiden tot handelen in een mist van verwarring? Wij hebben slechts één manier om aan hun onzekerheid een eind te maken. Al het andere hebben we reeds gedaan. Wanneer wij Elaida eenmaal de oorlog hebben verklaard, bestaan er geen twijfels meer. Ik zeg niet dat Aratheile en Pelivar en Aemlin weg zullen trekken zodra wij dat doen, maar zij en ieder ander zullen weten wie wij zijn. Niemand zal het nog wagen om zo openlijk twijfel te tonen bij uw uitspraak de Zaal van de Toren te zijn. Niemand zal het wagen ons de weg te versperren, en zich in onzekerheid of uit onkunde te roeren in de zaken van de Toren. Wij staan voor de deur en hebben onze hand op de klink. Als u bevreesd bent om erdoorheen te gaan, vraagt u of de wereld wil geloven dat u niet anders bent dan de strooien speelpoppen van Elaida.’ Ze ging zitten en was verrast over haar eigen kalmte. Achter de twee rijen Gezetenen bewogen de zusters druk en staken de hoofden bijeen. Ze kon het opgewonden gemompel voorstellen, dat door Aledrins ban buiten werd gesloten. Als Takima nu maar lang genoeg haar mond wist te houden.

Romanda gromde ongeduldig en stond slechts lang genoeg op om te zeggen: ‘Wie is ervoor om Elaida de oorlog te verklaren?’ Ze richtte haar blik weer naar Lelaine, en haar koude, zelfgenoegzame glimlach kwam terug. Het was duidelijk wat zij belangrijk achtte als deze onzin eenmaal achter de rug was.

Janya kwam onmiddellijk overeind, waarbij de lange bruine franje van haar stola heen en weer zwaaide. ‘We kunnen het net zo goed wel doen,’ zei ze. Ze werd niet geacht nu reeds te spreken, maar haar vooruitgestoken kin en scherpe blik daagden iedereen uit om haar tot zwijgen te manen. Gewoonlijk was ze niet zo streng, maar net als altijd reeg ze alle woorden bijna aan elkaar. ‘Herstellen wat de wereld weet gaat niet moeilijker dan wanneer die niets weet. Nou? Nou? Ik zie niet in waarop we moeten wachten.’ Naast Takima knikte Escaralde en ze stond op.