De paar boerenvrouwen onder hen leek het niet zoveel te deren, maar bijna de helft bezat landgoederen, landhuizen en paleizen, en de meeste anderen zouden zonder problemen een of meer landgoederen kunnen kopen. Er zaten twee goudsmeden bij, drie wevers die samen ruim vierhonderd weefgetouwen bezaten, een vrouw wier werkplaatsen een tiende deel van al het lakwerk in Ebo Dar produceerden, en een bankierster. Zij liepen met hun bezittingen op de rug terwijl hun paarden pakzadels vol voedsel torsten. Er was echt veel geld nodig. Al het geld was tot de laatste munt uit alle beurzen bij elkaar gebracht en in Nynaeves zuinige handen gelegd, maar desondanks zou het onvoldoende kunnen zijn om zo’n grote groep tot aan Caemlin van voedsel, paardenvoer en onderdak te voorzien. Ze leken het maar niet te snappen en op die eerste dag werd er luid en onophoudelijk geklaagd. Maliën liet het hardst van zich horen; een magere vrouw met een litteken op de wang van een streng gezicht. Ze liep bijna dubbelgebogen onder het gewicht van een enorm pak met wel tien gewaden en alles wat daarbij hoorde. Toen ze de eerste nacht hun kamp opsloegen en de kookvuren in de schemering gloeiden en iedereen vol bonen en brood zat, hoewel de porties niet groot waren, verzamelde Maliën de edelvrouwes, in hun door de reis besmeurde zijden gewaden, om zich heen. Ook de gildevrouwen voegden zich erbij, evenals de bankierster, terwijl de boerenvrouwen niet ver uit de buurt waren. Voordat Maliën één woord kon uitbrengen, schreed Reanne de groep in. Met haar gezicht vol lachrimpels en in haar eenvoudige bruinwollen kleren waarvan de rok was opgenomen om haar felgekleurde onderrokken te tonen, had ze een boerenvrouw kunnen zijn.
‘Als jullie naar huis willen,’ verkondigde ze met haar verrassend hoge stem, ‘mogen jullie dat doen wanneer je maar wilt. Helaas zullen we jullie paarden moeten houden. Jullie zullen daarvoor betaald worden, zodra wij ertoe in staat zijn. Als jullie willen blijven, bedenk dan alsjeblieft dat de regels van de boerderij nog steeds gelden.’ Een stel vrouwen om haar heen keek haar met open mond aan. Maliën was niet de enige die boos iets wilde terugzeggen.
Alise leek vanuit het niets aan Reannes zijde op te duiken, met haar vuisten in haar zij. Nu glimlachte ze niet. ik had gezegd dat de laatste tien zouden afwassen,’ zei ze vastbesloten. Ze noemde hen een voor een op. Jillien, een gezette goudsmit, Naiselle, de bankierster met de koele ogen, en de acht edelvrouwes. Ze stonden haar aan te staren tot ze in haar handen klapte en zei: ik wil niet de regel over falen hoeven toepassen om jullie je aandeel in het werk te laten doen.’ Maliën zette grote ogen op en stond ongelovig in zichzelf te mompelen. Ze was de laatste die wegstapte om de vuile kommen te verzamelen, maar de volgende ochtend maakte ze haar bepakking kleiner; bij hun vertrek bleven gewaden en onderkleren van zijde en kant vertrapt op de helling achter. Elayne verwachtte nog steeds een uitbarsting, maar Reanne hield hen stevig in de hand. En Alise had hen nog steviger onder de duim. Als Maliën en de anderen kwaad keken en boos mompelden over het groeiend aantal vetvlekken op hun kleren, had Reanne maar enkele woorden nodig om hen aan het werk te zetten. Alise hoefde slechts in haar handen te klappen. Als de rest van de reis even gemakkelijk zou zijn gegaan, had Elayne die vrouwen graag met hun vettige werk geholpen. Lang voor Caemlin was ze daar vast van overtuigd.
Toen ze eenmaal de eerste weg bereikten – niet meer dan een stoffig karrenspoor – verschenen de eerste boerderijen. Stenen gebouwen met rieten daken en schuren op hellingen of veilig beschut in dalen. Daarna duurde het zelden lang, of het land nu vlak of heuvelachtig was, bebost of gekapt, voor ze weer een boerderij of dorp zagen. Terwijl de plaatselijke bevolking zich vergaapte aan de merkwaardige vreemdelingen, probeerde Elayne er telkens achter te komen hoeveel steun het Huis Trakand bezat en wat de mensen het meest bezighield. Het onderkennen van die zorgen kon haar aanspraak op de troon versterken. Het kon van even groot belang zijn als de steun van andere Huizen. Ze hoorde zeer veel, hoewel niet altijd wat ze wilde horen. Andoranen hadden het recht om zelfs met de koningin openhartig van gedachten te wisselen en dus hielden ze zich amper in tegen een jonge vrouwe, hoe merkwaardig haar gezelschap ook mocht zijn. In een dorp dat Damelien heette, stonden drie watermolens naast een klein riviertje, dat zo ver was opgedroogd dat de hoge waterraderen droog stonden. De herbergier van de Gouden Schoven gaf toe dat hij Morgase een goede koningin had gevonden, de beste die er ooit was geweest. ‘Haar dochter had ook een goede vorstin kunnen zijn, neem ik aan,’ mompelde hij, aan zijn vierkante kin plukkend. ‘Jammer dat de Herrezen Draak hen gedood heeft. Ik neem aan dat het wel moest – de Voorspellingen of zoiets – maar waarom moest hij de rivieren laten opdrogen? Hoeveel graan, zei u, dat uw paarden nodig hadden, vrouwe? Het is verschrikkelijk duur, hoor.’ Een vrouw met een hard gezicht in versleten bruine kleren die om haar heen hingen alsof ze veel was afgevallen, nam een akker op die omgeven was door een lage stenen muur, terwijl de hete wind stofwolken naar de bossen joeg. De andere boerderijen rond Grafheuvel zagen er even erg, of nog erger uit. ‘Die Herrezen Draak heeft het recht niet om ons dit aan te doen, nee toch? Nou vraag ik je!’ Ze spuwde en keek fronsend op naar Elayne in het zadel. ‘De troon? O, die is zo goed als zeker voor Dyelin, nu Morgase en dat kind van haar dood zijn. Een paar hier in de buurt zijn nog steeds voor Naean of Elenia, maar ik ben voor Dyelin. Hoe dan ook, Caemlin is ver weg. Ik heb een oogst om me om te bekommeren. Als ik ooit nog een oogst krijg.’
‘O, het is waar, vrouwe, jazeker, Elayne leeft,’ zei een knokige oude timmerman haar in Perkamentsmarkt. Hij was zo kaal als een leren ei en zijn vingers stonden krom van ouderdom, maar het werk tussen de houtkrullen en het zaagsel in zijn winkel kon zich meten met het beste wat Elayne ooit had gezien. Ze waren alleen in zijn winkel. Aan het dorp te zien, was de helft van de inwoners vertrokken. ‘De Herrezen Draak laat haar naar Caemlin brengen, zodat hij haar zelf kan kronen met de Rozenkroon,’ beweerde hij. ‘Dat wordt overal gezegd. Maar het is niet juist, als je het mij vraagt. Hij is een van die zwartogige Aiel, naar ik hoor. We zouden eigenlijk naar Caemlin op moeten trekken en hem en al die Aiel verdrijven naar de plaats waar ze thuishoren. Dan kan Elayne helemaal zelf de troon opeisen. Nou ja, als Dyelin haar die laat houden.’
Elayne hoorde een heleboel over Rhand. Er waren geruchten dat hij trouw aan Elaida had gezworen en zelfs dat hij koning van Illian was geworden! In Andor kreeg hij de schuld van alles wat er de laatste twee, drie jaar verkeerd gegaan was, waaronder doodgeborenen, gebroken benen, sprinkhaanplagen, tweekoppige kalveren en driepotige kippen. Zelfs mensen die vonden dat haar moeder het land naar de afgrond had gedreven en dat een einde aan de heerschappij van Huis Trakand uitstekend was, zagen Rhand Altor als een indringer. De Herrezen Draak hoorde de Duistere te bestrijden bij Shayol Ghul, en hij zou uit Andor moeten worden verdreven. Dat was niet wat ze had gehoopt te horen, helemaal niet. Maar ze hoorde het keer op keer. Het was helemaal geen plezierige reis. Het was een langdurige les naar een van Lini’s geliefde gezegden: Het is niet de steen die je ziet, die je op je gezicht laat vallen.