Выбрать главу

Ze dacht dat naast de edelen nog een aantal andere zaken moeilijkheden kon opleveren. Enkele daarvan zouden beslist even erge ontploffingen veroorzaken als de poort. De windvindsters, toch al zelfgenoegzaam over hun overeenkomst met Nynaeve en haarzelf, gedroegen zich ergerlijk hooghartig tegen de Aes Sedai, vooral nadat bekend werd dat Merilille had toegestemd om een van de eerste zusters op de schepen te worden. Maar hoewel die situatie knetterde als de brandende lont van een vuurwerker, kwam het nooit echt tot een uitbarsting. De kans dat de windvindsters en de Kinsvrouwen, vooral de Weefkring, ontploften was minstens even groot. Ze keken elkaar moordzuchtig aan of bespotten elkaar openlijk. De Kinne noemden hen ‘Zeevolk-wilders die het in de bol was geslagen’, en de windvindsters hadden het over ‘kruiperige zandkrabben die Aes Sedai-voeten likten’. Maar het ging nooit verder dan een opgetrokken lip of dolken die gestreeld werden.

Ispan veroorzaakte echt problemen, en Elayne was ervan overtuigd dat die groter zouden worden, maar na een paar dagen lieten Vandene en Adeleas haar afgeschermd zonder kap rijden. Een stille gestalte met dunne vlechten in gekleurde kralen en gebogen hoofd; haar handen roerloos aan de teugels. Renaile zei iedereen die het maar wilde horen dat onder de Atha’an Miere een Duistervriend haar naam verloor zodra haar schuld bewezen was, waarna ze met een ballaststeen overboord werd gegooid. De vrouwen van de Kinne werden bleek bij het zien van de Tarabonse, zelfs Reanne en Alise. Maar Ispan werd steeds gedweeër. Ze deed haar best om iedereen ter wille te zijn en was een en al onderdanige glimlach voor de twee zusters, wat ze haar ook aandeden als ze haar ’s nachts wegvoerden. Aan de andere kant toonden Adeleas en Vandene zich steeds geprikkelder. Adeleas zei Nynaeve binnen gehoorsafstand van Elayne dat de vrouw geestdriftig hele boekdelen verklapte over oude samenzweringen van de Zwarte Ajah, vooral als ze er niet zelf bij betrokken was geweest. Als ze echter stevig aandrongen – Elayne kon het niet opbrengen naar hun methoden te vragen – en Ispan zich wat namen liet ontvallen, waren de meesten beslist dood. Bovendien was er geen enkele zuster bij. Vandene zei dat ze vreesden dat Ispan een Gelofte had afgelegd – de hoofdletter was hoorbaar – tegen het verraden van haar trawanten. Ze hielden Ispan zoveel mogelijk afgezonderd, en bleven haar verhoren, maar dat gebeurde nu heel behoedzaam, en in den blinde.

En dan waren Nynaeve en Lan er nog. En hoe. Zij barstte bijna van haar pogingen om zich in zijn bijzijn te beheersen. Ze droomde over hem als ze gescheiden moesten slapen – wat bijna altijd het geval was, door de verdeling van de slaapplaatsen – en werd heen en weer geslingerd tussen begeerte en vrees als ze hem naar een hooiberg kon smokkelen. In Elaynes ogen was het haar eigen schuld doordat ze voor een Zeevolk-huwelijk had gekozen. Het Zeevolk geloofde evenzeer in rangen en standen als in de zee, en ze wisten dat een vrouw en haar echtgenoot in hun leven vele malen van rang wisselden. Hun trouwgebruiken hielden daar rekening mee. Wie in het openbaar de lakens uitdeelde, moest in het persoonlijk leven gehoorzamen. Lan buitte dat volgens Nynaeve nooit uit. Niet ‘echt’, wat dat ook mocht betekenen. Want ze bloosde altijd wanneer ze dat zei. Maar ze bleef ervan overtuigd dat hij dat wel zou doen, en hij leek daar slechts meer plezier om te hebben. Waardoor Nynaeves stemmingen op een koortsig hoog randje wankelden. En van alle uitbarstingen die Egwene gevreesd had, was die van Nynaeve de enige die uitkwam. Ze snauwde iedereen af die haar voor de voeten liep, behalve Lan; bij hem was het allemaal honing en room. En Alise niet. Ze kwam er een of twee keer heel dichtbij, maar zelfs Nynaeve kon het kennelijk niet opbrengen Alise af te snauwen.

Over de voorwerpen die ze tegelijk met de Schaal der Winden uit de Rahad hadden meegenomen, koesterde Elayne hoop in plaats van vrees. Aviendha hielp haar bij het onderzoek, en dat deed Nynaeve ook enkele malen, maar zij was veel te traag en te behoedzaam en ze had er weinig aanleg voor. Ze vonden niet meer angrealen, maar de voorraad ter’angrealen bleef groeien. Nadat alle rommel was weggegooid, vulden de voorwerpen van de Ene Kracht vijf volle manden op de pakpaarden.

Hoe zorgvuldig Elayne ook te werk ging, haar pogingen om de ter’angrealen te bestuderen, verliepen niet zo goed. Van de Vijf Krachten was Geest hierbij de veiligste om te gebruiken – tenzij het juist Geest was dat het ding in werking stelde – maar soms moest ze andere stromen gebruiken, zo fijn als ze kon weven. Af en toe haalde haar voorzichtig peilen niets uit, maar de eerste keer dat ze een soort van glas gemaakte smidspuzzel aanraakte, werd ze duizelig en kon ze de halve nacht niet slapen. En toen ze met een draad van Vuur iets aanraakte wat leek op een helm van pluizige metalen veren, kreeg iedereen binnen twintig pas barstende hoofdpijn. Behalve zijzelf. En dan was er die vuurrode staaf, die warm aanvoelde. Op de rand van haar bed gezeten, in een herberg die De Wilde Ever heette, onderzocht ze de gladde staaf bij het licht van twee glimmende koperen lampen. Hij was zo dik als haar pols, een voet lang, leek van steen, maar voelde eerder stevig aan dan hard. De warmte van de staaf deed haar aan Vuur denken...

Ze knipperde met haar ogen en zat rechtop in bed. Zonlicht stroomde door het venster naar binnen. Ze had alleen haar onderkleding aan, en Nynaeve stond haar, volledig gekleed, fronsend aan te kijken. Aviendha en Birgitte keken toe vanuit de deuropening. ‘Wat is er gebeurd?’ wilde Elayne weten, en Nynaeve schudde grimmig haar hoofd.

‘Dat wil je niet weten.’ Haar mondhoeken bewogen.

Aviendha’s gezicht verried niets. Birgittes mond was misschien een beetje samengeknepen, maar het sterkste wat Elayne van haar voelde was een mengeling van opluchting en... vrolijkheid! Dat mens deed haar uiterste best om niet over de vloer te rollen van het lachen! Het ergste was dat niémand haar wilde vertellen wat er gebeurd was of wat ze gezegd of gedaan had. Ze wist zeker dat er wat was. Dat merkte ze aan de snel onderdrukte grijnzen van kinsvrouwen, windvindsters en zusters. Maar niemand wilde het haar vertellen. Daarna besloot ze de studie van de ter’angrealen uit te stellen tot ze een betere plek dan een herberg had. Een die beduidend minder openbaar was!

Negen dagen na hun vlucht uit Ebo Dar verschenen hier en daar wolken in de lucht en spatten er enkele dikke regendruppels in het stof van de weg. De volgende dag regende het zo nu en dan, en de dag erna maakte een hoosbui dat ze in de huizen en stallen van Perkamentsmarkt bleven schuilen. Die nacht veranderde de regen in natte sneeuw, en de vroege ochtend bracht dikke sneeuwlagen en een zwarte lucht. Ze hadden nog maar de helft van de weg naar Caemlin afgelegd en Elayne begon zich af te vragen of ze de resterende afstand in twee weken konden klaren.

Met de sneeuw werden kleren een zorg. Elayne gaf zichzelf er de schuld van dat ze niet aan warme kleding voor iedereen had gedacht. Nynaeve verweet het zichzelf. Merilille vond het haar fout en Reanne meende dat zij aansprakelijk was. Ze stonden die ochtend in de hoofdstraat van Perkamentsmarkt, terwijl de sneeuwvlokken op hun hoofden neerdwarrelden, en ruzieden over wie de blaam op zich mocht nemen. Elayne wist eigenlijk niet wie als eerste de onzinnigheid inzag en wie er het eerst begon te lachen, maar ze lachten allemaal toen ze om een tafel in De Witte Zwaan gingen zitten om te beslissen wat ze moesten doen. De oplossing was minder vrolijk. Om iedereen van een warme jas of mantel te voorzien moest er veel geld op tafel komen, als er al zoveel kleren te vinden waren. Ze konden natuurlijk sieraden verkopen of ruilen, maar niemand in Perkamentsmarkt leek veel belangstelling te hebben voor kettingen of armbanden, hoe mooi die ook gemaakt waren.