Aviendha loste deze moeilijkheid op toen ze een zakje opdook dat uitpuilde van heldere, volmaakte edelstenen waarvan er sommige behoorlijk groot waren. Vreemd genoeg zetten dezelfde mensen die eerst nauwelijks beleefd hadden gezegd geen belang te stellen in kettingen met edelstenen, grote ogen op bij de losse edelstenen die in Aviendha’s handpalm heen en weer rolden. Reanne dacht dat ze de kettingen als snuisterijen zagen en die stenen als rijkdom. Hoe dan ook, de mensen van Perkamentsmarkt waren nu maar al te gretig. In ruil voor twee middelgrote robijnen, een grote maansteen en een kleine vuurdruppel, kwamen ze met zoveel kleding van dikke wol aan als hun bezoekers maar wensten. Enkele kledingstukken waren zelfs amper gedragen.
‘Wat edelmoedig zeg,’ mopperde Nynaeve zuur, toen mensen kleren uit kisten en van zolders begonnen op te diepen. Een gestage stroom mensen verscheen met armen vol kleren in de herberg. ‘Die stenen hadden het hele dorp kunnen kopen!’ Aviendha haalde licht haar schouders op; ze zou een handvol stenen hebben afgestaan als Reanne niet had ingegrepen.
Merilille schudde haar hoofd. ‘We hebben wat zij willen, maar zij hebben wat wij nodig hebben. Ik vrees dat dat betekent dat zij de prijs bepalen.’ Het leek veel te veel op hun verhouding met het Zeevolk. Nynaeve zag er echt misselijk uit.
Toen Elayne en Aviendha alleen in de gang stonden, vroeg Elayne waar ze zo’n vermogen aan edelstenen vandaan had, waar ze bovendien maar al te graag van af scheen te willen. Ze meende dat het Aviendha’s aandeel in de buit van de Steen van Tyr was, of misschien van Cairhien.
‘Rhand Altor heeft me erin laten lopen,’ zei Aviendha gemelijk, ik probeerde mijn toh van hem te kopen. Ik weet dat dat de minst eerzame manier is,’ wierp ze tegen, ‘maar ik zag geen andere oplossing. En hij hield me voor de gek! Hoe komt het dat wanneer je iets op een redelijke wijze beredeneert, een man iets onredelijks doet en toch het overwicht verkrijgt?’
‘Hun mooie hoofden zijn zo wollig dat je niet van een vrouw kunt verwachten dat ze hen begrijpt,’ zei Elayne. Ze vroeg maar niet welke toh Aviendha had proberen te kwijten, en hoe dat kon uitlopen op het bezit van een zak vol dure edelstenen. Praten over Rhand was al moeilijk genoeg, zonder dat soort antwoorden. De sneeuw bracht meer dan de behoefte aan warme kleren, ’s Middags werden de sneeuwbuien steeds zwaarder en kwam Renaile de trap af. In de gelagkamer verklaarde ze dat haar aandeel in de overeenkomst geleverd was. Ze eiste niet alleen de Schaal der Winden op, maar ook Merilille. De Grijze zuster staarde haar in opperste verwarring aan, net als de meeste andere aanwezigen. De Kinsvrouwen waren aan de beurt om te eten, en dienaren en diensters renden heen en weer om de maaltijd van deze derde groep op te dienen. Renaile had luid en duidelijk gesproken, en alle hoofden in de gelagkamer draaiden zich naar haar toe.
‘Je kunt nu met je lessen beginnen,’ zei Renaile tegen de Aes Sedai. ‘Hup, die ladder op, naar mijn kwartier.’ Merilille wilde er iets tegen inbrengen, maar de windvindster van de Vrouwe der Schepen plantte haar vuisten in haar zij en haar gezicht stond ineens kil. ‘Als ik een bevel geef, Merilille Ceandevin,’ zei ze ijzig, ‘verwacht ik alle hens aan dek. En iedereen springt. Spring!’
Merilille sprong wel niet echt op, maar ze sprak zichzelf moed in en liep naar boven, terwijl Renaile haar zowat de trap opdreef. Gezien haar belofte had ze weinig keus. Reanne zag er ontzet uit. Alise en Sumeko, die nog steeds haar rode riem droeg, keken het bedachtzaam aan.
In de dagen erna, of ze nu op hun paarden over een besneeuwde weg zwoegden, of door een dorp liepen, of onderdak probeerden te vinden in een boerderij, nam Renaile Merilille steeds onder haar hoede, behalve als ze haar opdroeg om een andere windvindster te volgen. De saidargloed hing bijna voortdurend om de Grijze zuster en haar begeleidster heen, en Merilille toonde zonder ophouden wevingen. De bleke Cairhiense was beduidend kleiner dan de donkere Zeevolkvrouwen, maar aanvankelijk lukte het Merilille, louter door haar sterke Aes Sedai-persoonlijkheid, groter te lijken. Het duurde echter niet lang of ze had bijna voortdurend een verbijsterde blik. Elayne vond uit dat als er bedden waren, Merilille het hare deelde met Pol, haar kamenierster, en met de twee leerling-windvindsters Talaan en Metarra. Elayne wist niet zeker wat dat over Merililles rang zei. Blijkbaar plaatsten de windvindsters haar niet op gelijke hoogte met de leerlingen. Ze verwachtten gewoon dat ze deed wat haar gezegd werd, wanneer het haar gezegd werd, zonder wachten of aarzelen. Reanne was ontzet door de loop van de gebeurtenissen, maar Alise en Sumeko waren niet de enigen onder de Kinne die alles scherp in het oog hielden, en niet de enigen die nadenkend knikten. Plotseling voorzag Elayne een volgende moeilijkheid. De Kinsvrouwen zagen dat Ispan in haar gevangenschap steeds gedweeër werd, maar zij was de gevangene van andere Aes Sedai. De vrouwen van het Zeevolk waren geen Aes Sedai, en Merilille geen gevangene, maar ze deed meteen wat Renaile beval, of Dorile, of Caire en haar bloedzuster Tebreille. Elk was de windvindster van een golfvrouwe, en geen van de anderen liet haar met zoveel plezier rondrennen, maar dat was genoeg. Meer en meer Kinsvrouwen verloren hun afgrijzen en begonnen nadenkend te kijken. Misschien waren de Aes Sedai helemaal niet zo anders. Als Aes Sedai gewone vrouwen waren, waarom zouden zij zich dan nogmaals onderwerpen aan de gestrengheid van de Toren, aan het gezag van de Aes Sedai en aan hun tucht? Hadden zij het op zichzelf niet heel goed overleefd? Sommigen hadden dat al langer gedaan dan de oudere zusters konden geloven. Elayne kon bijna zien hoe de gedachte zich in hun hoofd vormde.
Maar toen ze dit tegen Nynaeve zei, mopperde die slechts: ‘Het werd tijd dat een paar zusters ontdekken hoe het is om een vrouw les te geven die meer meent te weten dan haar lerares. Wie een kans op de stola heeft, zal die nog steeds willen, en voor de rest zie ik niet in waarom ze niet wat meer wilskracht kunnen ontwikkelen.’ Elayne zei maar niets over Nynaeves klachten over Sumeko, die beslist wilskrachtiger was geworden. Sumeko had verschillende wevingen van Nynaeves Heling ‘onhandig’ genoemd, en Elayne had gedacht dat Nynaeve ter plekke een hartstilstand zou krijgen. ‘Hoe dan ook, het is helemaal niet nodig om Egwene hiervan op de hoogte te brengen. Als ze er is. Helemaal niet. Ze heeft genoeg op haar bord.’ Zonder twijfel bedoelde ze ook Merilille en de windvindsters. Ze zaten in hun nachtkleding op hun bed op de tweede verdieping van De Nieuwe Ploeg, met de gedraaide droom-ter’angreaal om hun hals. Die van Elayne hing aan een eenvoudig leren koordje en die van Nynaeve samen met Lans zware zegelring aan een dunne gouden ketting. Aviendha en Birgitte, beiden nog steeds aangekleed, zaten op twee van hun klerenkisten. Ze noemden het ‘op wacht staan’, tot zij en Nynaeve zouden terugkeren uit de Wereld der Dromen. Ze droegen beiden hun mantel tot ze onder de dekens konden kruipen. De Nieuwe Ploeg was beslist niet nieuw; over de gepleisterde muren liepen scheuren als spinnenwebben, en overal tochtte het onprettig. De kamer zelf was klein, en de kisten en opgestapelde bundels lieten weinig ruimte naast het bed en de wastafel. Elayne wist dat ze zich op de juiste wijze in Caemlin moest vertonen, maar soms voelde ze zich schuldig met al haar bezittingen op pakpaarden, terwijl de meeste anderen het moesten stellen met wat ze op hun rug konden dragen. Nynaeve had beslist geen spijt van haar kisten. Ze waren nu zestien dagen onderweg. De volle maan buiten het kleine raam scheen op een witte deken van sneeuw, die het reizen morgen zou vertragen, zelfs als de lucht helder bleef. Elayne dacht dat nog een week tot aan Caemlin een te zonnige schatting zou zijn.
‘Ik heb genoeg gezond verstand,’ zei ze tegen Nynaeve, ‘om haar daar niet aan te herinneren. Ik wil niet dat mijn neus nog een keer wordt afgebeten.’