Выбрать главу

Dat was wel zeer mild uitgedrukt. Ze waren niet meer in Tel’aran’rhiod geweest sinds ze Egwene hadden verteld dat de schaal gebruikt was, de nacht nadat ze het landgoed hadden verlaten. Ze hadden haar ook met tegenzin ingelicht over de overeenkomst die ze noodgedwongen met het Zeevolk hadden gesloten. Toen bevonden ze zich opeens tegenover de Amyrlin Zetel, met gestreepte stola en al. Elayne wist dat het nodig en terecht was – de beste vriendin die een koningin onder haar onderdanen had, wist maar al te goed dat ze zowel koningin als vriendin was – maar ze had het niet leuk gevonden dat haar vriendin heftig tegen haar was uitgevaren; dat ze zich gedragen hadden als domme ganzen en dat het hen allemaal de kop zou kunnen kosten. Vooral omdat ze het er eigenlijk mee eens was. Ze had het niet leuk gevonden om te horen waarom ze geen boetedoening kregen waarvan hun haren zouden krullen: Egwene kon het zich niet veroorloven dat ze er tijd aan verspilden... Maar het was nodig geweest, en terecht. Als ze op de Leeuwentroon zat, zou ze nog steeds Aes Sedai zijn, onderworpen aan de wetten en regels en gebruiken van de Aes Sedai. Niet voor Andor – ze zou haar land niet aan de Witte Toren overgeven – maar voor zichzelf. En dus aanvaardde ze, hoe onaangenaam het ook was, kalm haar kastijding. Nynaeve had gekronkeld en gestameld van schaamte, had geprobeerd tegenwerpingen te maken en bijna staan pruilen, waarna ze zich zo overvloedig verontschuldigd had dat Elayne nauwelijks kon geloven dat het de vrouw was die zij kende. En Egwene was geheel terecht de Amyrlin gebleven, koel in haar ongenoegen, zelfs terwijl ze hun de straffen kwijtschold. Deze nacht zou, op z’n best, niet plezierig of gemakkelijk zijn als zij aanwezig was.

Maar toen zij zich in het Salidar van Tel’aran’rhiod droomden, in de kamer in de Kleine Toren die de werkkamer van de Amyrlin genoemd werd, was ze er niet, en het enige teken dat ze er sinds hun laatste bezoek geweest was, waren enkele nauwelijks zichtbare woorden op een door kevers aangevreten muurpaneel. Het leek gedaan door een luie hand, die niet de moeite had genomen om diep te snijden.

BLIJF IN CAEMLIN

En een paar voet verder: WEES STIL EN VOORZICHTIG

Dat waren Egwenes laatste richtlijnen voor hen geweest. Ga naar Caemlin, en blijf daar tot ze bedacht had hoe ze de Zaal ervan kon weerhouden om hen allemaal te pekelen en in een ton te spijkeren. Een herinnering die ze niet konden uitwissen. Elayne omhelsde saidar en geleidde voor haar eigen boodschap. Het getal vijftien, kennelijk zomaar in de zware tafel gekrast, die Egwenes schrijftafel was geweest. Door de weving om te keren en af te binden, zou alleen iemand die haar vingers over de cijfers liet glijden erachter komen dat ze er niet echt waren. Misschien zou het geen vijftien dagen duren om Caemlin te bereiken, maar ze was er zeker van dat het meer dan een week zou kosten.

Nynaeve liep naar het raam en keek naar twee kanten naar buiten, waarbij ze zo voorzichtig was om haar hoofd niet door het open kozijn te steken. Het was hier nacht, net als in de echte wereld, met een volle maan die op de heldere sneeuw glansde, hoewel de lucht niet koud aanvoelde. Er zou niemand anders mogen zijn dan zijzelf, en als er iemand was, moest die worden ontlopen, ik hoop dat ze niet op moeilijkheden is gestuit met haar plannen,’ mompelde ze. ‘Ze heeft ons gezegd dat we het daar niet eens tegen elkaar over mogen hebben, Nynaeve. “Een geheim dat uitgesproken wordt, vindt vleugels.”’ Weer een van Lini’s vele geliefde spreuken. Nynaeve trok al omkijkend een lelijk gezicht en keek toen weer naar het smalle steegje beneden. ‘Voor jou is het anders. Ik heb als kind voor haar gezorgd, haar luiers verschoond, haar billen een keer of wat bewerkt. En nu moet ik opspringen als zij met haar vingers knipt. Dat kost moeite.’

Elayne kon het niet helpen. Ze knipte met haar vingers. Nynaeve draaide zich zo snel om dat ze leek te vervagen. Haar ogen puilden uit van afgrijzen. Haar blauwzijden rijkleding vervaagde en veranderde in een Aanvaardegewaad, en vervolgens in wat ze goede, stevige Tweewaterse wol noemde, donker en dik. Toen ze besefte dat Egwene er niet was en niet had staan luisteren, viel ze bijna flauw van opluchting.

Nadat ze terug in hun lichamen waren gestapt en lang genoeg wakker werden om de anderen te zeggen dat ze naar bed konden komen, geloofde Aviendha beslist dat het een goede grap was geweest, en ook Birgitte lachte. Maar Nynaeve nam wraak. De volgende ochtend liet ze Elayne ontwaken met een ijspegel. Elaynes gegil maakte het hele dorp wakker.

Drie dagen later kwam de eerste uitbarsting.

21

De handschoen oppakken

De grote winterstormen die de cemaros werden genoemd bleven maar binnenrollen vanuit de Zee der Stormen. Wreder dan mensenheugenis zich herinnerde. Sommigen zeiden dat de cemaros de maanden uitstel goed probeerden te maken. Bliksems sloegen donderend omlaag waardoor het nachtelijke duister vlekkerig oplichtte. De winden zwiepten over het land en regens geselden het, waardoor alleen de hardste wegen geen modderrivieren werden. Soms vroor de modder ’s avonds op maar bij zonsopgang zette steeds weer de dooi in, zelfs onder een grijze hemel, en werd de bodem weer een onafzienbaar moeras. Het verbaasde Rhand hoezeer dit alles zijn plannen bemoeilijkte.

De opgeroepen Asha’man kwamen snel, halverwege de ochtend van de volgende dag. Ze kwamen uit een poort gereden tijdens een kletterende hoosbui die de zon zo verduisterde dat het net zo goed avondschemer had kunnen zijn. Achter het gat in de lucht viel in Andor sneeuw. Grote dikke vlokken die neerdwarrelden en verborgen wat daarachter lag. De meeste mannen van die kleine colonne waren ingepakt in dikke zwarte mantels, maar de regen leek om henzelf en de paarden heen te vallen. Het viel niet erg op, maar een aandachtige toeschouwer keek altijd nogmaals en zag vaak af van een derde keer. Jezelf droog houden vereiste slechts een simpele weving zolang het je niet kon schelen dat je pronkte met wat je was. Maar eigenlijk verried de zwart-witte schijf op een vuurrode cirkel op de borst van hun mantel dat al. Zelfs al verborg de dichte regen het half, de wijze waarop ze te paard zaten straalde toch een zekere trots uit. Uitdagendheid. Ze vonden glorie in wat ze waren. Hun aanvoerder, Charl Gedwyn, een paar jaar ouder dan Rhand, was van gemiddelde lengte en zijn hoge kraag was getooid met het zwaard en de draak. Net als Torval droeg hij een fraai gesneden jas van de beste zwarte zijde. Zijn zwaard was weelderig beslagen met zilver en de met zilversmeedwerk beslagen zwaardgordel was vastgemaakt met een zilveren gesp in de vorm van een gebalde vuist. Gedwyn noemde zichzelf Tsorovan’m’hael, Stormleider in de Oude Spraak, wat dat verder ook mocht betekenen. In elk geval leek het goed bij het weer te passen.

Desondanks bleef hij in de opening van Rhands fraaie tent staan en keek afkeurend naar de neerstortende regen. Een wacht van gewapende Gezellen stond op niet meer dan dertig pas afstand in een kring rond de tent opgesteld, maar was amper zichtbaar. Het hadden standbeelden in een hoosbui kunnen zijn.

‘Hoe verwacht u van mij dat ik in dit weer iemand kan vinden?’ mopperde Gedwyn en keek om naar Rhand. Een tikkeltje te laat voegde hij er ‘mijn heer Draak’ aan toe. Zijn ogen stonden hard en uitdagend, maar zo keek hij altijd, of het nu naar een man of naar een schuttingpaal was. ‘Rochaid en ik hebben acht Toegewijden meegenomen en veertig Soldaten. Voldoende om een leger te vernietigen of tien koningen te laten inbinden. Wellicht kunnen we zelfs een Aes Sedai met de ogen laten knipperen,’ zei hij wrang. ‘Bloedvuur, wij tweeën zouden de klus al kunnen klaren. Of u alleen. Waarom hebt u nog iemand anders nodig?’

‘Ik verwacht dat je gehoorzaamt, Gedwyn,’ zei Rhand kil. Stormleider? En Manel Rochaid, de onderaanvoerder van Gedwyn, noemde zich Baijan’m’hael, Aanvalsleider. Wat voerde Taim in zijn schild met die nieuwe rangen? Het belangrijkste was dat de kerel wapens vormde. Het belangrijkste was dat de wapens lang genoeg bij hun verstand bleven om bruikbaar te zijn. ‘En ik verwacht niet dat je tijd verknoeit met twijfelen aan mijn bevelen.’