‘Zoals u beveelt, mijn heer Draak,’ mompelde Gedwyn. ik stuur er onmiddellijk mannen op uit.’ Met een snelle groet, de vuist tegen zijn borst, beende hij de storm in. De hoosbui gleed af langs het kleine schild dat hij om zich heen had geweven. Rhand vroeg zich af of de man een vermoeden had hoe dicht hij bij zijn dood was geweest door zonder waarschuwing saidin te grijpen.
Je moet hem doden voor hij jou doodt, giechelde Lews Therin. Dat gaan ze doen, weet je dat? Dode mannen kunnen niemand verraden. De stem in Rhands hoofd veranderde in verbazing. Maar soms sterven ze niet. Ben ik dood? En jij?
Rhand onderdrukte de woorden tot niet meer dan gegons op de grens van zijn gehoor. Sinds zijn terugkeer in Rhands hoofd deed Lews Therin er zelden het zwijgen toe, tenzij hij werd gedwongen. De man leek nog gekker dan vroeger en vaak ook veel kwader. Soms ook sterker. Zijn stem drong in Rhands dromen door, en wanneer hij zichzelf in een droom zag, herkende hij vaak zichzelf niet. Het was ook niet altijd Lews Therin met het gezicht dat hij had leren kennen als dat van Lews Therin Telamon. Soms was het vaag, maar kwam het hem bekend voor, en ook Lews Therin leek erdoor geschokt te zijn. Dat was een aanwijzing hoe ver de krankzinnigheid van de man ging. Of misschien Rhands eigen krankzinnigheid.
Nog niet, dacht Rhand. Ik kan me nog niet veroorloven gek te worden.
Wanneer dan wel? fluisterde Lews Therin, voor Rhand hem weer deed verstommen.
Met de komst van Gedwyn en de Asha’man kwam er schot in zijn plannen om de Seanchanen naar het westen te drijven, hoewel alles soms even snel opschoot als een man die voortstrompelt op een van de drassige wegen. Hij verhuisde zijn eigen kamp meteen en deed geen moeite om zijn bewegingen geheim te houden. Het had geen zin je in te spannen voor geheimhouding. Sinds de cemaros waren losgebarsten, reisden berichten per postduif langzaam en per koerier nog veel langzamer, maar hij wist zeker dat hij in de gaten werd gehouden. Door de Witte Toren, door de Verzakers, door iedereen die winst of verlies zag in de gangen van de Herrezen Draak en die zich wat munten aan krijgslieden kon veroorloven. Misschien zelfs wel door de Seanchanen. Als hij verkenners op hen afstuurde, waarom dan niet het omgekeerde? Maar zelfs de Asha’man wisten niet waarom hij zich verplaatste.
Terwijl Rhand roerloos toekeek hoe mannen zijn tent opgevouwen op een kar met hoge wielen legden, verscheen Weiramon op een van zijn vele paarden, een felle witte ruin uit het stamboek van de Tyreense fokkers. De hemel was opgeklaard, al versluierden grijze wolken nog steeds de middagzon en voelde de lucht aan alsof je er met je handen water uit kon persen. De Drakenbanier en de Banier van het Licht hingen slap en doorweekt aan hun hoge palen. De Tyreense Verdedigers waren de Gezellen opgevolgd en terwijl Weiramon door de kring van ruiters reed, keek hij fronsend naar Rodrivar Tihera, een magere vent, zelfs voor een Tyrener donker, met een kort puntig sikje. Tihera was uiterst nauwgezet en stipt, een Heer van het Land die door zijn kundigheid in rang was gestegen. De dikke witte pluimen op zijn gerande helm voegden nog meer versieringen toe aan zijn ingewikkelde buiging voor Weiramon. De Hoogheer fronste nog dieper.
De Kapitein van de Steen hoefde niet persoonlijk Rhands lijfwacht aan te voeren, maar hij deed dat vaak, zoals Marcolin vaak zelf de Gezellen leidde. Er was een bittere wedijver ontstaan tussen de Verdedigers en de Gezellen over de vraag wie voor Rhands veiligheid diende te zorgen. De Tyreners eisten dat recht op, omdat hij Tyr veel langer had geregeerd en de Illianers omdat hij uiteindelijk koning van Illian was. Wellicht had Weiramon wat opgevangen van het gemompel onder de Verdedigers dat het de hoogste tijd werd dat Tyr ook een koning kreeg. En wie was meer geschikt dan de man die de Steen had ingenomen? Weiramon kon het niet méér met de noodzaak eens zijn, al had hij andere denkbeelden over wie de kroon moest dragen. En hij was niet de enige.
De man trok een nietszeggend gezicht zodra hij Rhand zag kijken en zwaaide zich uit zijn met goud bewerkte zadel om een buiging te maken waarbij die van Tihera eenvoudig leek. Hoewel hij een man met een ijzeren ruggengraat was, kon hij zich zelfs in zijn slaap nog opblazen en pronkerig rondstappen. Al vertoonde hij een lichte grimas toen zijn glanzende laars in de modder belandde. Hij droeg een regenmantel om het vocht van zijn mooie kleren te houden, maar zelfs die was afgezoomd met goudbrokaat en had een kraag van saffieren. Ondanks de donkergroene zijden jas van Rhand, waarvan de mouwen en kraag vol klimmende bijen zaten, viel het te vergeven als men dacht dat de Kroon van Zwaarden op het hoofd van de Tyrener thuishoorde.
‘Mijn heer Draak!’ galmde Weiramon. ik kan de woorden niet vinden om te zeggen hoe blij ik ben dat u door Tyreners wordt bewaakt, mijn heer Draak. De wereld zou zeker wenen indien u iets overkwam.’ Hij was te slim om de Gezellen hardop onbetrouwbaar te noemen. Nét iets te slim.
‘Dat zal vroeg of laat wel gebeuren,’ merkte Rhand droogjes op. Nadat een zeer groot deel van de wereld uitgefeest zou zijn. ik weet hoe groot uw tranen zouden zijn, Weiramon.’ De man dofte zich nog op ook, met wat strijkgebaartjes over het uiteinde van zijn grijzende puntbaard. Hij hoorde alleen wat hij wenste te horen, inderdaad, mijn heer Draak. U kunt bouwen op mijn standvastigheid. En daarom ben ik enigszins bezorgd over de bevelen die uw lijfknecht me vanmorgen heeft gebracht.’ Dat was Adlie geweest. Vele edelen deden net of de Asha’man slechts Rhands bedienden waren, alsof dat ze minder gevaarlijk maakte. ‘Dat wegsturen van het grootste deel van de Cairhienin was heel verstandig. En de Illianers uiteraard, dat spreekt voor zich. Ik kan zelfs begrijpen waarom u een grens hebt gesteld aan het aantal mannen van Gueyam en de anderen.’ Weiramons laarzen sopten in de modder toen hij een paar passen dichterbij kwam. Zijn stem nam een vertrouwelijke toon aan. ik geloof écht dat sommigen... Tja, ik zou het niet echt samenspannen willen noemen, maar ik denk wel dat hun trouw niet altijd zonder vraagtekens mag worden bezien. Zoals die van mij. Geen enkel vraagteken.’ Opnieuw veranderde zijn toon. Hij klonk nu sterk en vol vertrouwen, als een man die zich alleen zorgen maakt over de behoeften van degene die hij dient. De man die hém zeker tot de eerste koning van Tyr zou kronen. ‘Sta mij toe al mijn wapenknechten mee te nemen, mijn heer Draak. Met hen, en de Verdedigers, kan ik de eer van de Heer van de Morgen en zijn veiligheid waarborgen.’
In alle over de heide verspreide kampementen werden wagens en karren geladen en paarden gezadeld. De meeste tenten waren reeds afgebroken. Hoogvrouwe Rosana was op weg naar het noorden en haar banier werd gevolgd door een colonne die groot genoeg was om bandieten onder de voet te lopen en Shaido-krijgers aan het denken te zetten. Maar ook weer niet zo groot dat ze zich dingen in haar hoofd kon halen. Zeker niet nu de helft bestond uit wapenknechten van Gueyam en Maracon en Verdedigers van de Steen. Vrijwel hetzelfde gold voor Spiron Narettin, die naar het oosten over de hoge heuvelrug trok, met evenveel eigen leenmannen als Gezellen en mannen die anderen in de Raad van Negen trouw hadden gezworen. Hij had ook nog honderd man voetvolk bij zich, waaronder sommigen die zich hadden overgegeven bij het bos achter de heuvel. Een verrassend aantal van hen had ervoor gekozen de Herrezen Draak te volgen, maar Rhand vertrouwde ze niet genoeg om hen bij elkaar te laten. Tolmeran was net opgestapt met eenzelfde allegaartje, en anderen zouden wegtrekken zodra hun karren en wagens volgeladen waren. Ieder in een andere richting en niemand kon zijn troepen genoeg vertrouwen om wat anders te doen dan Rhands bevelen uitvoeren. Vrede brengen in Illian was een belangrijke taak, maar elke edele speet het dat ze van de Herrezen Draak gescheiden werden; ze vroegen zich overduidelijk af of dit inhield dat ze uit de gunst waren. Hoewel enkele anderen weer zouden overwegen waarop hij degenen in zijn gezelschap had geselecteerd. Rosana had zeker nadenkend gekeken.