‘Ik waardeer je bezorgdheid,’ gaf Rhand Weiramon te kennen, ‘maar hoeveel lijfwachten heeft één man nodig? Ik ben niet van plan een oorlog te beginnen.’ Misschien haarkloverij, want deze oorlog was al een hele tijd aan de gang. Die was reeds in Falme, zo niet eerder, uitgebroken. ‘Laat je mannen zich klaarmaken.’ Hoeveel zijn er voor mijn trots gestorven? kreunde Lews Therin. Hoeveel zijn er voor mijn fouten gestorven?
‘Mag ik ten minste vragen waar we heen gaan?’ Weiramons bozige vraag volgde meteen op de stem in Rhands hoofd.
‘De stad!’ snauwde Rhand. Hij wist niet hoeveel er door zijn fouten waren gestorven, maar door zijn trots geen enkele. Dat wist hij zeker.
Weiramon wilde wat zeggen, blijkbaar in de war of hij Tyr dan wel Illian bedoelde, of zelfs Cairhien, maar Rhand wuifde hem met de drakenstaf opzij. Een scherpe stekende beweging waardoor de groen-witte kwast heen en weer slingerde. Hij wilde bijna dat hij er Lews Therin mee kon neersteken, ik ben niet van plan hier de hele dag rond te hangen, Weiramon! Ga naar je mannen!’ Minder dan een uur later greep hij de Ware Bron beet en bereidde zich voor om een poort voor Reizen te maken. Hij moest de duizeligheid bestrijden die hem de laatste tijd beving, wanneer hij de Ene Kracht greep of losliet; hij zwaaide nog net niet heen en weer in Tai’daishars zadel. Maar met de gesmolten smerigheid die op saidin dreef, bevroren slijm, veroorzaakte het aanraken van de Ware Bron op een haartje na dat hij moest braken. Hij zag alles dubbel en zelfs al was het maar een paar tellen, dat maakte het weven van de stromen lastig, bijna onmogelijk. Hij had het Dashiva of Flin of een van de anderen kunnen opdragen, maar Gedwyn en Rochaid hielden hun teugels in, aan het hoofd van ruim tien zwartgejaste Soldaten, die er niet op uit waren gestuurd. Ze stonden geduldig te wachten. En hielden Rhand in de gaten. Rochaid, niet meer dan een hand kleiner dan Rhand en wellicht zo’n twee jaar jonger, was eveneens een volleerde Asha’man en ook zijn jas was van zijde. Er speelde een glimlachje om zijn mond alsof hij dingen wist die anderen onbekend waren en die hem vermaakten. Wat wist hij? Van de Seanchanen natuurlijk, maar niets van Rhands plannen met hen. Wat nog meer? Misschien niets, maar Rhand was niet van zins die twee enige zwakte te tonen. De duizeligheid verdween snel en het dubbele zicht een beetje langzamer, zoals dat steeds in de afgelopen weken was gebeurd. Hij voltooide de weving en spoorde vervolgens meteen zijn paard aan om door het gat te rijden dat zich voor hem openvouwde. De stad die hij bedoelde was Illian, hoewel de poort zich ten noorden van die plaats opende. Ondanks Weiramons zogenaamde zorgen ging hij amper onbeschermd en alleen. Bijna drieduizend man reden door dat grote vierkante gat in de lucht een golvende steppe op die niet ver van de brede modderweg aflag die naar de Noordelijke Sterdijk voerde. Zelfs wanneer elke heer een handvol gewapende mannen was toegestaan – voor heren die gewoon waren duizend, zo niet duizenden mannen te leiden, was een honderdtal maar een handvol – waren het er alles bij elkaar heel wat. Tyreners en Cairhienin en Illianers. Verdedigers van de Steen onder Tihera, de Gezellen onder Marcolin en de Asha’man onder Gedwyn. De Asha’man die met hem waren meegekomen. Dashiva, Flin en de anderen reden vlak achter Rhand. Allen behalve Narishma, die nog niet terug was. De man wist waar hij hem kon vinden, maar Rhand was enorm bezorgd.
Iedere man bleef zoveel mogelijk bij zijn landgenoten. Gueyam en Maracon en Aracome reden bij Weiramon, en allen hielden ze Rhand meer in het oog dan dat ze opletten waar ze reden. Gregorin Panar en drie andere leden van de Raad van Negen, bogen zich in het zadel naar elkaar toe en spraken zachtjes en verontrust. Semaradrid, met een groepje strak kijkende Cairhiense heren achter zich, hield Rhand bijna even aandachtig in de gaten als de Tyreners. Rhand had degenen die met hem meekwamen even zorgvuldig gekozen als degenen die hij had weggestuurd. En niet altijd om de redenen die een ander zou hebben gehad.
Als er toeschouwers waren geweest, zou het een indrukwekkende vertoning zijn geweest. Al die felgekleurde banieren, vlaggen en vaandels en de kleine koins die slechts van Cairhiense ruggen omhoogstaken. Bont en geweldig en heel gevaarlijk. Sommigen hadden tegen hem samengezworen, en hij had vernomen dat Semaradrids Huis Maravin een oude bondgenoot was van Huis Riatin, dat in Cairhien openlijk tegen hem in opstand was. Semaradrid ontkende die band wel niet, maar had het, voor Rhand erachter kwam, nooit uit zichzelf ter sprake gebracht. De Raad van Negen was gewoon nog te onbekend voor hem om hen allemaal achter te laten. En Weiramon was een dwaas. Als hij zijn eigen gang kon gaan, zou hij om de gunst van de Herrezen Draak te verwerven zeer wel met een leger kunnen optrekken tegen de Seanchanen, of Morland, of het Licht mocht weten tegen wie en waar. Hij was te stom om achter te laten en te machtig om terzijde te schuiven. Zodat hij bij Rhand mocht blijven en vond dat hij hiermee werd geëerd. Het was eigenlijk jammer dat hij niet stom genoeg was om iets te doen waardoor hij naar de beul kon worden gestuurd.
Achter de troepen kwamen de bedienden en karren – niemand begreep waarom Rhand alle wagens met de anderen had meegestuurd en hij was niet van plan het uit te leggen. Wiens oren zouden het te horen krijgen? Daarop volgden de ongebruikte rijdieren aan de lange touwen van paardenknechten, en een ongeordende groep mannen. Ze droegen slecht passende borstplaten vol deuken of leren wambuizen waarop roestige stalen schijven waren gestikt, en bezaten bogen, kruisbogen of lansen. Hier en daar was zelfs een piek te zien. Dit waren de kerels uit de groep die de oproep van ‘heer Brend’ hadden beantwoord en die niet ongewapend naar huis terug wilden keren. Hun aanvoerder was de man met de loopneus met wie Rhand aan de boszoom had gesproken. Hij heette Eagan Padros en was slimmer dan hij eruitzag. In veel landen was het voor een gewone boer of burger moeilijk om hoog te stijgen, maar Rhand dacht dat Padros het in zich had. De man verzamelde zijn manschappen aan de zijkant, waar het hele stel elkaar verdrong om een beter zicht op het zuiden te hebben.
De Noordelijke Sterdijk liep kaarsrecht door de vele spannen moeras rond Illian. Het was een brede straatweg van ingeklonken zand, met veel platte stenen bruggen. De wind uit het zuiden voerde zilt aan en de vage geur van leerlooierijen. Illian was een uitgestrekte stad, zeker zo groot als Caemlin of Cairhien. Kleurige pannendaken en honderden hoog oprijzende torens die glommen in het zonlicht, waren net zichtbaar boven de grote grasvlakte waar kraanvogels op hoge poten rondstapten en vluchten witte vogels onder het slaken van schrille kreten laag rondzwierden. Illian had nooit stadswallen nodig gehad. Niet dat muren een stad tegen de Herrezen Draak konden beschermen.
Er heerste een aanzienlijke teleurstelling dat hij niet van plan was Illian binnen te trekken. Niemand sprak zijn klacht hardop uit, tenminste niet binnen Rhands gehoor. Maar veel gezichten stonden heel mistroostig en er klonk een bitter gemompel toen de kampen haastig werden opgezet. Net als de meeste grote steden stond Illian bekend om zijn ongewone geheimen, gulle tapsters en gewillige vrouwen. Tenminste bij de mannen die er nooit waren geweest, ook al was het hun eigen hoofdstad. Onwetendheid gaf een stad altijd een grotere naam op die gebieden. Maar nu galoppeerde alleen Mor weg over de dijk. Mannen richtten zich op van het vastzetten van hun tent en de lijnen voor de paarden. Ze keken hem jaloers na. Edelen zagen nieuwsgierig toe terwijl ze net deden of het ze niet interesseerde.
De Asha’man bij Gedwyn besteedden weinig aandacht aan Mor, terwijl ze hun eigen kamp opzetten. Dat bestond uit een inktzwarte tent voor Gedwyn en Rochaid, en een ruimte waar vochtig bruin gras en modder plat en droog waren geperst. Hier rolden de anderen zich in hun mantels om te gaan slapen. Alles werd natuurlijk met de Ene Kracht gedaan; er werd geen vinger uitgestoken om een kookvuur te laten branden. Enkele mannen in de andere kampen keken met open mond toe. Hun ogen werden groot toen de tent uit zichzelf omhoog leek te komen en de tentstokken uit de pakzadels kwamen aanzweven. De meesten keken echter meteen de andere kant op zodra ze beseften wat er gaande was. Twee of drie Soldaten in het zwart leken in zichzelf te praten.