Выбрать главу

Flin en de anderen voegden zich niet bij Gedwyns eenheid. Ze beschikten over een paar tenten die niet zo ver van Rhands tent waren opgezet. Dashiva liep echter naar de Stormleider en de Aanvalsleider die ontspannen stonden te praten en zo nu en dan een scherp bevel uitten. Er werden enkele woorden gewisseld waarna hij hoofdschuddend terugslenterde en boos binnensmonds mopperde. Gedwyn en Rochaid waren geen vriendelijk stel. Maar goed ook. Rhand nam zijn tent in gebruik zodra die was vastgezet. Hij lag languit met al z’n kleren aan op het veldbed en staarde naar het schuine dak. Op het valse zijden plafond waren ook bijen geborduurd. Hopwil bracht hem een mok dampende kruidenwijn – Rhand had zijn dienaren achtergelaten – maar de wijn werd koud op de schrijftafel. Hij dacht koortsachtig na. Nog twee of drie dagen en de Seanchanen zouden een oplawaai krijgen die hen van hun sokken zou blazen. Daarna moest hij snel terug naar Cairhien om te zien hoe de onderhandelingen met het Zeevolk waren afgelopen, om uit te zoeken wat Cadsuane in haar schild voerde – hij was haar iets verschuldigd, maar ze was wel ergens op uit! – en om wellicht een streep te zetten onder wat er nog aan opstandelingen rondzwierf. Waren Caraline Damodred en Darlin Sisnera in alle verwarring nog weggekomen? Als hij Hoogheer Darlin in handen had, zou er eveneens een eind aan de opstand in Tyr kunnen komen. Andor. Als hij aannam dat Mart en Elayne in Morland waren, en daar zag het naar uit, zou het op z’n best nog weken duren voor Elayne op de Leeuwentroon kon plaatsnemen. En zodra dat gebeurd was, moest hij uit de buurt van Caemlin blijven. Hij moest echter dringend met Nynaeve spreken. Kón hij saidin reinigen? Misschien wel. Het zou ook de wereld kunnen vernietigen. Lews Therin blaatte tegen hem in naakte doodsangst. Licht, waar blééf Narishma?

Een cemaros brak los en hier bij zee was die nog woester. Regen roffelde op het tentdoek. Bliksems baadden de toegang in blauwwit licht en de donder rommelde. Het klonk of er bergen over het land rolden.

Uit dat noodweer stapte Narishma de tent in, druipnat, zijn donkere haren tegen zijn voorhoofd geplakt. Hem was bevolen tot elke prijs ongezien te blijven. Voor hem geen hanig gedrag. Zijn doorweekte bruine jas was gewoontjes en zijn donkere haar was opgebonden zonder vlechten. Maar ook zonder klokjes trok een man wiens haar bijna tot zijn middel reikte de aandacht. Ook hij keek nors. Onder zijn arm droeg hij een ronde bundel die met een koord was vastgebonden. Dikker dan een mannenbeen, net een vloerkleedje. Rhand sprong van zijn bed en rukte de bundel naar zich toe, voor Narishma hem had kunnen overhandigen. ‘Heeft iemand je gezien?’ wilde hij weten. ‘Waarom heeft het zo lang geduurd? Ik had je gisteravond al verwacht.’

‘Het duurde even voor ik begrepen had wat ik moest doen,’ antwoordde Narishma vlak. ‘Je hebt me niet alles verteld. Je hebt me bijna gedood.’

Dat was belachelijk. Rhand had hem echt alles gezegd wat hij moest weten. Daar was hij zeker van. Het had geen zin iemand zoiets belangrijks toe te vertrouwen en hem te laten sterven voor hij het kon uitvoeren. Zorgvuldig stopte hij de bundel onder zijn bed. Zijn handen beefden van de aandrang om de doeken weg te rukken en erachter te komen of Narishma het juiste had meegenomen. De man had niet durven terugkomen als dat niet het geval was. ‘Trek je uniform aan voor je naar de anderen gaat,’ zei hij. ‘En Narishma...’ Rhand richtte zich op en keek de man strak aan. ‘Als je iemand hiervan vertelt, zal ik je doden.’

Dood de hele wereld, lachte Lews Therin met spottend gekreun. Wanhopig gekreun. Ik heb de wereld gedood en dat kun jij ook, als je je best doet.

Narishma sloeg zijn vuist hard tegen zijn borst. ‘Zoals u beveelt, mijn heer Draak,’ zei hij bitter.

Vroeg in de morgen trokken duizend man van het Legioen van de Draak Illian uit, over de Noordelijke Sterdijk, regelmatig stappend op het slaan van trommen. Dikke grijze wolken rolden langs de hemel en een harde zilte zeewind liet mantels en vaandels wapperen en voorspelde de komst van nog een storm. Het Legioen trok de aandacht van de wapenknechten die reeds in het kamp waren. Ze droegen blauw geverfde Andoraanse helmen, en op de borst van hun lange blauwe jassen was een rood gouden draak geborduurd. Een blauw vaandel met de draak en een nummer onderscheidden de vijf tweehanden. De legioensoldaten waren in vele opzichten anders. Ze droegen bijvoorbeeld hun borstkuras onder de jas, zodat de draken niet verborgen bleven. Om dezelfde reden waren de jassen van de zijkant dichtgeknoopt. Iedere man was voorzien van een kort zwaard en een met staal beslagen kruisboog, die elke soldaat op precies dezelfde manier tegen de schouder hield. De officieren liepen voorop, ieder met een hoge rode pluim op de helm, vlak voor de trom en het vaandel. De enige paarden waren de muiskleurige ruin van Fedwin Mor aan het hoofd en de lastdieren in de achterhoede. ‘Voetvolk,’ mompelde Weiramon, met zijn teugels op een met een handschoen bedekte handpalm slaand. ‘Bloedvuur, dat heeft weinig zin, voetvolk. Bij de eerste aanval schieten ze alle kanten op. Nog eerder zelfs.’ De kop van de colonne stapte de Sterdijk af. Ze hadden geholpen bij de inname van Illian en waren niet gevlucht. Semaradrid schudde zijn hoofd. ‘Geen pieken,’ mompelde hij. ik heb voetvolk onder goede aanvoerders zien standhouden, met pieken, maar zonder...’ Er klonk een geluid van afkeer in zijn keel. Gregorin Panar, de derde man die vlak bij Rhand in het zadel zat, zag de stoet aankomen maar zei niets. Wellicht had hij geen vooroordelen tegen voetvolk – in dat geval hoorde hij volgens Rhand bij het handjevol edelen dat ze niet bezat – maar hij deed veel moeite niet te fronsen en het lukte hem bijna. Iedereen wist nu dat de mannen de draak op hun borst mochten voeren omdat ze ervoor gekozen hadden Rhand te volgen. De Illianer moest zich wel afvragen waar Rhand hen naartoe stuurde en waarom de Raad van Negen hun bestemming niet te horen kreeg. Wat dat betrof nam Semaradrid Rhand eveneens tersluiks op. Alleen Weiramon was te dom om na te denken.

Rhand wendde Tai’daishar af. De bundel van Narishma was opnieuw ingepakt, in een dunnere rol, en onder het leer van zijn linker stijgbeugel gebonden. ‘Ontruim het kamp, we gaan,’ beval hij de edelen. Ditmaal liet hij Dashiva de poort weven die hen allen weg moest voeren. De onopvallende kerel keek hem fronsend aan en mopperde in zichzelf – hij leek zelfs verontwaardigd! – en Gedwyn en Rochaid zagen op hun paarden, die schoft aan schoft stonden, minachtend aan hoe de zilveren gleuf ronddraaide en een gat naar het niets werd. Ze hielden Rhand meer in het oog dan Dashiva. Nou, ze mochten kijken. Hoe vaak kon hij saidin grijpen en riskeren duizelig neer te gaan voor hij daadwerkelijk viel? Het mocht niet ergens zijn waar zij het konden zien.

Ditmaal voerde de poort hen naar een brede weg die door struikgewas sneed op de lage uitlopers van bergen in het westen. De Nemarellinbergen. Niet zo hoog en indrukwekkend als de Mistbergen en een molshoop vergeleken met de Rug van de Wereld, maar ze staken donker en streng af tegen de hemel. Spitse toppen die de westkust van Illian ommuurden. Daarachter lag de Kabaldiepte, en daar weer achter...

De mannen herkenden de bergtoppen al snel. Gregorin Panar wierp een blik in het rond en knikte plotseling tevreden. De andere drie Raadsheren en Marcolin stuurden hun paarden voor een gesprek naar hem toe, terwijl de ruiters nog steeds door de poort stroomden. Het kostte Semaradrid wat meer tijd om de plek te herkennen, net als Tihera, en zij keken eveneens alsof ze nu alles doorhadden. De Zilverweg liep van de stad Illian naar Lugard, en al het binnenlandse handelsverkeer naar het westen ging erlangs. Er was ook een Goudweg die naar Far Maddin liep. Zowel de wegen als de namen stamden uit een ver verleden, voor het ontstaan van Illian. Honderden en honderden jaren van wagenwielen, hoeven en laarzen hadden ze hardgelopen en de cemaros konden slechts aan de randen wat modder vormen. Ze behoorden tot de weinige betrouwbare hoofdwegen waarlangs grote groepen ’s winters door Illian konden reizen. Iedereen was inmiddels op de hoogte van de Seanchanen in Ebo Dar, hoewel de verhalen van de wapenknechten die Rhand had opgevangen hen als gemenere Trollok-neven afschilderden. Als de Seanchanen van plan waren Illian binnen te vallen dan was de Zilverweg een goede plek om je verdediging op te stellen.