Выбрать главу

Semaradrid en de anderen dachten zijn plannen nu te kennen. Hij moest hebben vernomen dat de Seanchanen eraan kwamen. De Asha’man waren hier dus om hen bij hun opmars te vernietigen. Vanwege de verhalen over de Seanchanen leek het niemand te rouwen dat ze daardoor maar bar weinig te doen zouden hebben. Natuurlijk moest Tihera het uiteindelijk uitleggen aan Weiramon. Hij was wél van streek, al probeerde hij dat te verbloemen achter een grootse toespraak over de wijsheid van de Herrezen Draak en het krijgskundig genie van de Heer van de Morgen, en hoe hij persoonlijk de eerste aanval op die Seanchanen zou leiden. Een door en door stomme os. Met wat geluk zou ieder ander die van deze wapenschouw op de Zilverweg hoorde, niet veel slimmer zijn dan Semaradrid of Gregorin. Met wat geluk zou niemand die ertoe deed het vernemen voor het te laat was.

Rhand ontspande zich om af te wachten en meende dat het nog maar een dag zou duren. Maar toen de dagen verstreken, begon hij zich af te vragen of hij een even grote dwaas was als Weiramon. De meeste Asha’man waren in Illian, Tyr en de Maredovlakte op zoek naar de anderen die Rhand bij zich wenste. Ze zochten in de hevige cemaros. Poorten en Reizen waren een geweldige hulp, maar zelfs een Asha’man had tijd nodig om te vinden wat hij zocht als hevige stortbuien alles op vijftig pas afstand verborgen. Zoekende Asha’man konden ongeweten de gezochten op een span mislopen, en wanneer ze teruggingen kwamen ze erachter dat de mannen verder waren getrokken. Sommigen moesten veel verder Reizen, op zoek naar mensen die niet echt gevonden wilden worden. Dagen gingen voorbij voor de eerste met nieuws terugkwam. Hoogheer Sunamon voegde zich bij Weiramon. Een gezette man met zalvende maniertjes. Tegen Rhand tenminste. Hij was gladjes in zijn fraaie zijden jas en met een eeuwige glimlach heel vlot met zijn verklaringen van trouw. Maar hij had al zo vaak samengezworen tegen Rhand dat hij het waarschijnlijk in zijn slaap nog deed. Hoogheer Torean verscheen, met zijn bolle boerengezicht en zijn enorme rijkdom. Hij stamelde iets over de eer dat hij wederom aan de zijde van de Herrezen Draak mocht uitrijden. Torean vond goud belangrijker dan wat ook, behalve misschien de voorrechten die Rhand de edelen in Tyr had ontnomen. Hij leek vooral teleurgesteld over het feit dat er geen dienstmeisjes in het kamp waren, noch een dorp in de buurt waar gewillige boerendochters te vinden waren. Torean had zeker zo vaak tegen Rhand samengezworen als Sunamon. Misschien nog wel meer dan Gueyam, Maracon of Aracome. Er waren anderen. Bertome Saighan, een kleine, ruig knappe man met een gladgeschoren voorhoofd. Uiterlijk treurde hij niet al te zeer over de dood van zijn nicht Colavaere en dat om twee redenen. Allereerst was hij nu Hoogzetel van Huis Saighan en ten tweede had Rhand haar volgens de geruchten terechtgesteld. Of vermoord. Bertome boog met een glimlach die nooit zijn donkere ogen bereikte. Sommigen zeiden dat hij dol was geweest op zijn nicht. Ailil Riatin kwam, een slanke waardige vrouw, niet jong meer, maar nog zeer mooi. Ze wierp tegen dat ze voor zoiets een lanskapitein had die haar wapenknechten aanvoerde. Ze was niet van zins persoonlijk ten strijde te trekken en voegde er luid aan toe dat ze de Herrezen Draak trouw was. Haar broer Toram maakte echter aanspraak op de troon die Rhand aan Elayne had toebedacht en men fluisterde dat zij alles voor Toram zou doen, echt alles. Zoals zich aansluiten bij zijn vijanden om dwars te liggen of te spioneren of beide. Dalthanes Annallin kwam, Amondrid Osiellin en Doressin Chuliandred, heren die Colavaeres greep naar de Zonnetroon hadden gesteund, toen ze meenden dat Rhand nooit meer naar Cairhien zou terugkomen. Een voor een werden Cairhienin en Tyreners naar Rhand gebracht. De één met vijftig wapenknechten of op z’n hoogst een honderdtal. Mannen en vrouwen die hij zelfs nog minder vertrouwde dan Gregorin of Semaradrid. De meesten waren mannen. Niet dat hij vrouwen minder gevaarlijk vond – zó’n grote dwaas was hij ook weer niet; een vrouw kon je tweemaal zo snel doden als een man en vaak met minder reden – maar omdat hij zichzelf er niet toe kon zetten om meer dan de levensgevaarlijkste mee te nemen op deze tocht. Ailil kon je een warme glimlach schenken terwijl ze opnam wat de beste plek voor een dolkstoot was. Anaiyella, een rietslanke Hoogvrouwe met een onnozele glimlach die vrij goed een mooi gansje kon spelen, was uit Cairhien teruggereisd naar Tyr. Daar maakte ze openlijk aanspraak op de nog niet bestaande troon van Tyr. Wellicht was ze een dwaas, maar ze had zeer veel steun verkregen, zowel bij de edelen als bij de man in de straat.

Langzaam verzamelden ze zich om hem heen. Al degenen die hij veel te lang niet meer onder ogen had gehad. Hij kon ze niet de hele tijd in de gaten houden, maar hij kon zich evenmin veroorloven hen te laten vergeten dat hij hen soms écht in het oog hield. Hij verzamelde ze om zich heen en wachtte af. Vijf dagen. Acht. De regen vormde een ononderbroken tromgeroffel op zijn tent toen de laatste man op wie hij wachtte eindelijk aankwam. Davram Bashere schudde een kleine waterstroom van zijn oliemantel en blies walgend zijn dikke grijzige snorpunten opzij, terwijl hij de regenmantel over een tonstoel gooide. Hij was een kleine man met een grote arendsneus en leek langer dan hij was. Niet omdat hij opschepperig rondliep, maar omdat hij aannam even groot te zijn als andere mannen. En die namen dat eveneens aan. De verstandigen. De ivoren staf met de wolfskop van de krijgsmaarschalk van Saldea die zorgeloos in zijn zwaardgordel was gestoken, was verdiend op tientallen slagvelden en aan evenveel overlegtafels. Hij was een van de weinigen die Rhand volkomen vertrouwde, ik weet dat je een hekel hebt aan uitleg,’ mopperde Bashere, ‘maar enige voorlichting kan ik wel gebruiken.’ Hij schoof zijn kromzwaard goed, liet zich breeduit in een andere stoel vallen en gooide zijn been over de leuning. Hij oogde altijd ontspannen, maar kon sneller dan een zweep toeslaan. ‘Die Asha’man wilde niet meer kwijt dan dat jij me gisteren nodig had. Hij zei me ook niet meer dan duizend man mee te nemen. Ik had maar de helft bij me, maar die zijn er nu. Het kan niet voor een veldslag zijn. De helft van de schilden en wapens daarbuiten behoren toe aan mensen die hun tong zouden afbijten als ze achter je rug een kerel met een mes zagen opduiken, en het merendeel van de anderen zou proberen je aandacht af te leiden. Als ze de man met de dolk al niet zelf betaald zouden hebben.’ Rhand zat in hemdsmouwen achter zijn schrijftafel en drukte vermoeid de muis van zijn handpalmen tegen zijn ogen. Nu Boreane Carivin achtergelaten was, werd het snuiten van de kaarspitten behoorlijk verwaarloosd en er hing een vage waas van rook in de tent. Bovendien was hij het grootste deel van de nacht op geweest terwijl hij de stapel kaarten op zijn tafel had bestudeerd. Kaarten van Zuid-Altara. Geen twee kaarten waren het ergens over eens. ‘Als je een veldslag levert,’ zei hij tegen Bashere, ‘kun je toch het beste je mogelijke moordenaars de beenhouwer laten betalen? Nou ja, deze veldslag wordt in elk geval niet door krijgslieden gewonnen. Ze hoeven slechts te zorgen dat de Asha’man niet stiekem worden beslopen. Wat vind je ervan?’

Bashere snoof zo hard dat zijn dikke snor trilde, ik vind het een giftige stoofpot. Iemand zal erin stikken. Het Licht geve dat wij dat niet zijn.’ Waarna hij bulderend lachte alsof het een beste mop was. Lews Therin lachte met hem mee.

22

Samenpakkende wolken

In een voortdurende motregen vormde Rhands kleine leger colonnes in het lage heuvellandschap dat uitkeek op de toppen van de Nemarellin die donker en scherp aan de westelijke hemel afstaken. Het was eigenlijk niet nodig in de richting te kijken waarheen je wilde Reizen, maar het zou anders voor Rhand heel gek aanvoelen. Ondanks de regen lieten uitdunnende grijze wolken nu en dan verrassend fel zonlicht door. Het kon ook zijn dat de dag alleen maar zo helder leek na alle grijze duisternis van de laatste dagen. Vier colonnes werden voorafgegaan door de Saldeanen van Bashere, ongepantserde mannen met kromme benen in korte jassen die geduldig naast hun rijdieren stonden onder een dicht bos van glimmende lanspunten. De andere vijf colonnes door mannen in blauwe jassen met de draak op hun borst. Ze werden aangevoerd door een kleine magere kerel die Jak Masond heette. Wanneer Masond zich bewoog, deed hij dat altijd verrassend snel, maar nu stond hij doodstil, wijdbeens en met de handen op de rug. Zijn mannen stonden op hun plaats, evenals de Verdedigers en de Gezellen, die wat mopperig waren dat ze achter het voetvolk stonden opgesteld. Het waren voornamelijk de edelen en hun strijdmacht die her en der bewogen alsof ze niet wisten waar ze moesten gaan staan. Dikke modder zoog zich vast aan hoeven en laarzen en liet karrenwielen vastlopen, waardoor luid gevloek opsteeg. Het kostte tijd om bijna zesduizend doorweekte mannen die elke tel natter werden in het gelid te zetten. En daar waren de voorraadkarren en de onbereden paarden nog niet bij opgeteld.