Rhand had zijn mooiste kleren aangetrokken zodat hij bij de eerste blik zou opvallen. Een vleugje Kracht had de lanspunt van de drakenstaf gepoetst tot die glansde als een spiegel en een tweede stroming had de Kroon van Zwaarden gewreven zodat het goud glom. De vergulde drakengesp van zijn zwaardgordel ving ook het licht, evenals het goudborduursel dat zijn blauwzijden jas verfraaide. Heel even betreurde hij het de juwelen te hebben weggegeven die vroeger de schede en het gevest van zijn zwaard hadden versierd. Zwarte varkenshuid was heel nuttig, maar die kon iedereen met een wapen bezitten. De mannen dienden te weten wie hij was. De Seanchanen dienden te weten wie hen kwam vernietigen.
Gezeten op Tai’daishar op een weids veld hield hij ongeduldig de edelen in het oog die op de heuvels door elkaar krioelden. Een stukje verder op het veld zaten Gedwyn en Rochaid te paard voor hun mannen die zich in een precies vierkant hadden opgesteld. De Toegewijden in de voorste gelederen, de Soldaten erachter. Ze leken klaar te staan voor een wapenschouw. Er waren zowat evenveel mannen die grijs haar hadden of kaal waren als er jonge mannen waren. Sommigen waren zeker zo jong als Hopwil en Mor, maar ieder van hen was sterk genoeg om een Reispoort te maken. Dat was een voorwaarde geweest. Flin en Dashiva stonden achter Rhand ontspannen te wachten, pratend met Jonan Adlie, en Mor, Hopwil en Narishma. Plus twee stijf in het zadel zittende vaandragers. De vuurrode Banier van het Licht en de lange witte Drakenbanier hingen druipend en slap aan hun stok. Rhand had de Ene Kracht gegrepen in zijn tent, waar zijn korte wankeling niet gezien zou worden, en de fijne motregen raakte hem en zijn paard net niet.
De smet op saidin leek vandaag bijzonder zwaar. Een dikke smerige olie die zijn poriën binnendrong en zijn botten tot in het merg bevlekte. Zijn ziel bevuilde. Hij meende intussen gewend te zijn aan de vuiligheid maar vandaag maakte het hem misselijk, sterker dan het bevroren vuur en de gesmolten kilte van saidin zelf. Hij hield de Bron tegenwoordig zoveel mogelijk vast en nam de smerigheid op de koop toe om de misselijkheid te vermijden die hem sinds kort beving als hij saidin greep. Het kon dodelijk zijn als zijn ziekte hem afleidde bij dié worsteling. Wellicht stond het in verband met de duizelige ogenblikken. Licht, hij kon nog niet krankzinnig worden en hij kon nog niet doodgaan. Nog niet. Er moest nog zoveel gedaan worden. Hij drukte zijn linkerbeen tegen de zij van Tai’daishar, enkel om de lange rol te voelen die was vastgebonden tussen de stijgbeugel en het scharlaken zadeldek. Telkens als hij dat deed, wriemelde er iets langs de buitenkant van de leegte. Verwachting en wellicht iets van vrees. De ruin was goed geoefend en wilde linksom draaien, waardoor Rhand hem terug moest sturen. Wanneer zouden die edelen er eindelijk uit zijn? Ongeduldig klemde hij zijn tanden op elkaar. Hij kon zich nog herinneren dat hij als jongen de mannen had horen lachen dat de Duistere Semirhage een pak slaag gaf wanneer het regende terwijl de zon scheen. Hier en daar had het gelach echter verontrust geklonken, en de tanige oude Cen Buin placht altijd te snauwen dat het Semirhage kwaad zou maken en dat ze dan kleine jongetjes zou komen halen die hun ouders voor de voeten liepen. Dat was voldoende voor de kleine Rhand om het op een hollen te zetten. Hij had graag gehad dat Semirhage nu écht op hem af zou komen, hier, op dit ogenblik. Hij zou haar laten huilen. Niets laat Semirhage huilen, mompelde Lews Therin. Ze wekt tranen op bij anderen. Zelf heeft ze die niet.
Rhand lachte zachtjes. Als ze vandaag kwam, zou hij haar echt laten huilen. Haar en alle andere Verzakers bij elkaar, als ze vandaag kwamen. En de Seanchanen zou hij zeker laten huilen. Niet iedereen was blij met zijn bevelen. Sunamons vettige glimlach verdween zodra hij meende dat Rhand niet meer keek. Torean had een veldfles in zijn zadeltas. Ongetwijfeld met brandewijn, en wellicht waren het meerdere flessen, want hij bleef maar drinken en leek nooit droog te staan. Semaradrid, Marcolin en Tihera verschenen na elkaar voor Rhand om met een somber gezicht bezwaar te maken tegen de aantallen. Enkele jaren eerder zouden krap zesduizend man een leger hebben gevormd dat elke oorlog aankon, maar ze hadden nu legers van tienduizend en meer gezien, van honderdduizend man, zoals in de dagen van Artur Haviksvleugel. Nu ze tegen de Seanchanen zouden optrekken, wilden ze er veel meer. Hij stuurde hen misnoegd terug. Ze begrepen niet dat een stuk of vijftig Asha’man de grootste moker vormde die ze zich konden wensen. Rhand vroeg zich af wat ze hadden gezegd als hij te kennen had gegeven dat hij in z’n eentje al een geweldige moker vormde. Hij had overwogen dit alleen te doen. Misschien zou het er nog van komen. Weiramon kwam aanrijden. Hij had er een hekel aan bevelen van Bashere te krijgen, of aan het feit dat ze de bergen introkken – heel moeilijk om in de bergen een behoorlijke ruiteraanval uit te voeren – of aan verschillende andere dingen. Rhand was er zeker van dat hij nog een aantal andere klachten had, maar hij gaf Weiramon niet de kans om ze te uiten.
‘De Saldeaan schijnt aan te nemen dat ik op de rechterflank hoor te rijden,’ mopperde Weiramon geringschattend. Hij haalde zijn schouders op alsof de rechterflank een geweldige belediging was. ‘En dat voetvolk, mijn heer Draak. Ik vind echt...’
‘Ik vind dat je mannen zich moeten klaarmaken,’ merkte Rhand kil op. Een deel van die kilte was het gevolg van het zweven in de gevoelloze Leegte. ‘Anders sta je op geen enkele flank.’ Hij bedoelde dat hij de kerel zou achterlaten als hij niet op tijd was. Zelfs zo’n stommeling kon niet veel moeilijkheden scheppen op deze afgelegen plek, achtergelaten met slechts enkele wapenknechten. Rhand zou alweer terug zijn voor hij voldoende manschappen bijeen had om een dorp aan te vallen.
Niettemin werd Weiramons gezicht lijkbleek. ‘Zoals mijn heer Draak beveelt,’ zei hij, voor zijn doen bruusk en wendde zijn paard reeds voor hij goed en wel was uitgesproken. Vandaag was zijn rijdier een grote vos met een brede borst. De bleke vrouwe Ailil trok de teugels aan om voor Rhand stil te houden in het gezelschap van Hoogvrouwe Anaiyella. Een vreemd paar en niet alleen omdat hun naties elkaar haatten. Ailil was lang, voor een Cairhiense wel te verstaan, en alles aan haar straalde waardigheid en nauwgezetheid uit, van de opgetrokken wenkbrauw en de polsbeweging in de rode handschoenen tot haar met een paarlen kraag afgezette regenmantel, die fraai over het achterdeel van haar rookgrijze merrie was gevlijd. In tegenstelling tot Semaradrid, Marcolin, Weiramon of Tihera toonde ze geen verbazing bij het zien van de regendruppels die langs een laagje niets rond Rhand afgleden. Anaiyella deed dat wel. Ze snakte naar adem, en giechelde zenuwachtig achter haar hand. Anaiyella was een slanke, donkere schoonheid. Haar regenmantel was voorzien van een robijnkraag en van goudborduursel, maar daarmee eindigde elke gelijkenis met Ailil. Anaiyella was van top tot teen een mengsel van bevallig gedrag en onnozelheid. Wanneer zij een buiging maakte, deed haar witte ruin mee door de voorbenen te buigen. Het dansende dier viel op maar Rhand vermoedde dat het geen hardheid bezat. Net als de berijdster.