Выбрать главу

‘Mijn heer Draak,’ begon Ailil. ik moet wederom bezwaar maken tegen mijn deelname aan deze... tocht.’ Haar stem klonk koel en nietszeggend, op het randje van onvriendelijk, ik stuur graag mijn wapenknechten die u altijd en overal bevelen kunt geven, maar ik heb zeker niet de wens in het heetst van een strijd te belanden.’

‘O nee,’ voegde Anaiyella er met een verfijnd trillinkje aan toe. Zelfs haar stem klonk zelfvoldaan. ‘Heel naar, zo’n veldslag. Dat zegt mijn paardenmeester tenminste. U wilt ons toch zeker niet mee laten rijden, mijn heer Draak? Wij hebben vernomen dat u bijzonder veel zorg voor vrouwen hebt. Nietwaar, Ailil?’

Rhand was zo stomverbaasd dat de Leegte instortte en saidin verdween. Regendruppels landden nat in zijn haar en op zijn jas. Even moest hij zich stevig aan zijn zadelknop vasthouden om overeind te blijven. Hij zag vier vrouwen in plaats van twee maar was te verbaasd om het te merken. Hoeveel wisten ze? Ze hadden het gehóórd? Hoeveel mensen wisten het? Hoe kon iemand het weten? Licht, volgens de geruchten had hij wel honderd vrouwen gedood, Morgase, Elayne, Colavaere, en ieder op een ergere manier dan de vorige. Hij slikte zijn opkomende misselijkheid weg. Dat was maar gedeeltelijk de schuld van saidin. Bloedvuur! Hoeveel verspieders beloeren mij? De gedachte was een grauw.

De doden kijken toe, fluisterde Lews Therin. De doden sluiten nooit de ogen. Rhand rilde.

‘Ik probeer zeker voorzichtig te zijn met vrouwen,’ gaf hij hun te kennen toen hij weer wat kon zeggen. Sneller dan een man en met half zoveel reden. ‘Juist daarom wil ik jullie de komende paar dagen bij me hebben. Maar als jullie dit plan echt zo verafschuwen, stuur ik wel een Asha’man mee. In de Zwarte Toren zullen jullie veilig zijn.’ Anaiyella piepte fraai, maar haar gezicht werd grauw. ‘Dank u, maar nee,’ zei Ailil even later volkomen kalm. ik neem aan dat ik beter met mijn lanskapitein kan overleggen over wat ons te doen staat.’ Maar ze hield even in voor ze haar merrie wegstuurde en nam Rhand tersluiks op. ‘Mijn broer Toram is... onbesuisd, mijn heer Draak. Soms zelfs overhaast. Ik niet.’

Anaiyella glimlachte veel te liefjes naar Rhand en bewoog zelfs lonkend haar bovenlijf voor ze de ander volgde. Maar toen ze hem niet meer aankeek, spoorde ze met haar met juwelen afgezette rijzweepje haar paard stevig aan, waardoor ze de andere vrouwe snel inhaalde. Die witte ruin toonde verrassend veel snelheid. Ten langen leste was alles gereed, de colonnes stonden klaar, een lange slang tot aan de lage heuvels.

‘Begin,’ beval Rhand Gedwyn, die zijn paard keerde en zijn mannen bevelen toeblafte. De acht Toegewijden reden naar voren en stegen af op de grond die ze zich hadden ingeprent, met hun gezicht naar de bergen. Een van hen leek een bekende, een vergrijsde kerel met een puntbaardje dat slecht paste bij zijn gerimpelde boerengezicht. Acht loodrechte lijnen van scherp blauw licht wentelden en werden openingen die een enigszins ander uitzicht boden op een lang, spaarzaam bebost bergdal dat naar een steile pas opsteeg. In Altara. In de Venirbergen.

Dood hen, jankte Lews Therin smekend. Ze zijn te gevaarlijk om te leven! Zonder na te denken onderdrukte Rhand de stem. Een andere man die geleidde, ontlokte Lews Therin vaak die opmerking. Een geleider op zich al. Hij vroeg zich niet meer af waarom. Rhand mompelde een bevel en Flin knipperde verrast met zijn ogen voor hij naast de anderen ging staan en een negende poort weefde. Geen was zo groot als een poort van Rhand, maar door alle kon nog net een kar rijden. Hij was van plan geweest die negende poort zelf te maken, maar hij wilde niet riskeren voor het oog van iedereen een slechte greep op saidin krijgen. Hij zag dat Gedwyn en Rochaid hem in het oog hielden en allebei op dezelfde wijze glimlachten. Evenals Dashiva, die fronsend zijn lippen bewoog alsof hij in zichzelf aan het praten was. Was het zijn verbeelding of gaf Narishma hem ook tersluikse blikken? En Adlie? Mor?

Rhand rilde voor hij zich kon bedwingen. Gedwyn en Rochaid wantrouwen was een zaak van gezond verstand, maar had hij nu iets opgelopen wat Nynaeve angstvrees noemde? Een soort waanzin, een verminkende duistere achterdocht jegens alles en iedereen? Er was een Kopin geweest, Bennie, die meende dat iedereen tegen hem was. Hij was letterlijk doodgehongerd toen Rhand nog jong was, doordat hij uit angst voor gif weigerde te eten of te drinken. Rhand boog zich laag over Tai’daishars nek en dreef de ruin door de grootste poort. Die van Flin toevallig. Maar op dat ogenblik zou hij zelfs door Gedwyns poort zijn gereden. Hij kwam als eerste op Altaraans grondgebied.

De anderen volgden snel, de Asha’man voorop. Dashiva staarde fronsend naar Rhand, evenals Narishma, maar Gedwyn begon ogenblikkelijk zijn Soldaten uit te sturen. Een voor een snelden ze naar voren, openden een poort en schoten erdoorheen, terwijl ze hun rijdieren achter zich meetrokken. Verderop in het dal verrieden felle flitsen dat daar poorten werden geopend en gesloten. De Asha’man konden over korte afstanden Reizen zonder zich eerst de grond waarvan ze vertrokken in te prenten; daardoor kwamen ze veel sneller vooruit dan te paard. Binnen de kortste keren bleven alleen Gedwyn en Rochaid over, afgezien van de Toegewijden die de poorten openhielden. De anderen zouden uitwaaieren naar het westen, op zoek naar Seanchanen.

Inmiddels waren de Saldeanen uit Illian doorgekomen en stegen op. Legioenmannen verspreidden zich op een holletje tussen de bomen met hun kruisbogen in de aanslag. In dit landschap konden ze te voet even snel vooruitkomen als mannen te paard. Zodra de rest van het leger verscheen, reed Rhand het dal in, achter de Asha’man aan. De bergen rezen hoog op achter hem, een muur die het Diep begrensde. Naar het westen strekten de bergtoppen zich bijna tot aan Ebo Dar uit. Hij liet zijn ruin overgaan in een kalme draf.

Bashere haalde hem in voor hij de pas bereikte. Zijn vos was klein – de meeste Saldeanen bereden kleine paarden – maar snel. ‘Blijkbaar zijn hier geen Seanchanen,’ merkte hij onschuldig op, terwijl hij z’n knokkels langs zijn snor haalde. ‘Maar ze hadden er wel kunnen zijn. Waarschijnlijk zal Tenobia heel gauw mijn hoofd op een piek prikken doordat ik een levende Herrezen Draak volg, maar het volgen van een dode Draak...’

Rhand keek grimmig. Misschien kon hij Flin meenemen om zijn rug te dekken, en Narishma, en... Flin had zijn leven gered, de man moest wel oprecht zijn. Mannen konden echter veranderen. Narishma? Zelfs na... Hij voelde zich koud worden door wat hij had geriskeerd. Niet de angstvrees. Narishma had zijn trouw bewezen, maar hij had waanzinnig veel geriskeerd. Even waanzinnig als wegrennen voor blikken waarvan hij niet eens wist of ze echt waren, wegrennen naar een piek zonder enig idee van wat hem daar wachtte. Bashere had gelijk, maar Rhand wilde er niet op doorgaan. De helling die naar de pas voerde, toonde kale rots en rolkeien, maar tussen de gegroefde rotsen lagen de verweerde resten van wat vroeger een geweldig standbeeld geweest moest zijn. Sommige blokken waren nauwelijks meer herkenbaar als bewerkte steen, andere waren wat duidelijker. Een hand met ringen die even groot was als zijn bovenlijf en die een gevest vasthield. De kling van de afgebroken zwaardstomp was nog breder dan de hand. Een groot hoofd, een vrouw met barsten in het gezicht en een kroon op die gemaakt leek van omhoog wijzende dolken, waarvan enkele nog heel waren. ‘Weet jij wie zij was?’ vroeg hij. Natuurlijk een koningin. Zelfs als er ooit een tijd geweest was waarin kooplui of geleerden kronen droegen, zouden toch alleen heersers en generaals een standbeeld gekregen hebben.