Выбрать главу

Bashere verschoof in zijn zadel om naar de kop te kijken voor hij iets zei. ‘Een koningin van Shiota wil ik wedden,’ zei hij ten slotte. ‘Niet van nog vroeger. Ik heb eens een beeld gezien dat in Eharon was gemaakt. Dat was zo verweerd dat je niet eens zag of het een man of een vrouw was. Een veroveraarster, anders zou haar standbeeld geen zwaard hebben gekregen. En ik meen me te herinneren dat ze in Shiota zo’n kroon schonken aan vorsten die de grenzen verlegden. Misschien noemden ze het wel de kroon van zwaarden. Een Bruine zuster kan je wellicht meer vertellen.’

‘Het is niet belangrijk,’ gaf Rhand geërgerd te kennen. Ze leken inderdaad op zwaarden.

Bashere praatte toch door. Zijn grijze wenkbrauwen stonden laag en ernstig, ik neem aan dat duizenden haar hebben toegejuicht en haar Shiota’s hoop hebben genoemd, wellicht geloofden ze werkelijk dat ze dat was. In haar tijd is ze wellicht even geducht en geacht geweest als Artur Haviksvleugel later, maar misschien kennen nu zelfs de Bruine zusters haar naam niet meer. Wanneer je sterft, beginnen de mensen je te vergeten. Wie je was en wat je hebt gedaan of trachtte te doen. Iedereen gaat uiteindelijk dood, maar het heeft bloedweinig zin om te sterven vóór je tijd gekomen is.’

‘Dat ben ik ook niet van plan,’ was Rhands scherpe antwoord. Hij wist waar hij moest sterven, hoewel niet wanneer. Hij meende het tenminste te weten.

Vanuit zijn ooghoeken zag hij beweging. Vijftig pas onder hem, waar op de helling wat struikgewas en enkele kleine bomen tussen de rotsen groeiden, dook een man op die zijn boog hief en in dezelfde beweging de schacht naar zijn wang trok. Alles scheen tegelijk te gebeuren. Met een grauw wendde Rhand Tai’daishar en zag hoe de boogschutter hem met de pijl volgde. Hij greep saidin beet en heerlijk leven en vuil vloeiden tegelijk bij hem binnen. Zijn hoofd tolde. Er waren twee boogschutters. Zuur prikte in zijn keel, terwijl hij verwoed trachtte de woeste uitbarstingen van de Kracht te beheersen, die hem tot op het bot zouden verzengen en zijn vlees ijzig zouden bevriezen. Hij kón het niet beheersen, hij kon hoogstens proberen in leven te blijven. Wanhopig streed hij om een beter zicht, goed genoeg om stromen te weven die hij amper kon vormen, terwijl de misselijkheid hem even sterk als de Ene Kracht overspoelde. Hij meende Bashere te horen schreeuwen. Twee pijlen werden gelost. Rhand had moeten sterven, want op zo’n afstand kon zelfs een jongen zijn doel raken. Wellicht werd hij gered doordat hij ta’veren was. Toen de boogschutter zijn pijl liet gaan, schoot bij zijn voeten een koppel grijsvleugelige kwartels omhoog, met een doordringend gefluit. Niet genoeg om een ervaren man af te leiden en de kerel bewoog inderdaad slechts een haartje. Rhand voelde de wind van de pijl langs zijn wang.

Opeens sloegen vuistgrote vuurbollen de boogschutter neer. Terwijl de man gilde, vloog zijn arm weg waarvan de hand de boog nog steeds vasthield. Een andere vuurbol trof zijn linkerknie en hij viel krijsend neer. Voorovergebogen in zijn zadel gaf Rhand over op de grond. Zijn maag probeerde elke maaltijd die hij ooit had gegeten uit te spuwen. De Leegte en saidin verdwenen met een ziekmakende ruk. Hij viel er bijna door uit het zadel.

Toen hij weer rechtop kon zitten, nam hij de zwijgend aangeboden doek van Bashere aan en veegde zijn mond af. De Saldeaan keek hem terecht met een bezorgde frons aan. Rhands maag wilde nog meer vinden om uit te braken. Hij dacht dat zijn gezicht wel lijkbleek zou zien en haalde diep adem. Saidin op die manier verliezen kon je dood betekenen, maar hij kon de Bron nog steeds voelen. Saidin had hem tenminste niet laten opbranden. Hij kon gelukkig weer goed zien, er was maar één Davram Bashere. Maar de misselijkheid leek elke keer dat hij naar saidin greep een beetje erger.

‘Laten we eens kijken of er genoeg van die kerel over is om ons iets te vertellen,’ zei hij. Dat was er niet.

Rochaid zat er op zijn knieën naast en doorzocht kalm de gescheurde bebloede jas van het lijk. Afgezien van zijn ontbrekende arm en been had de dode een kopgroot zwart gerand gat dwars door zijn bovenlijf. Het was Eagan Padros. Zijn niets ziende ogen staarden verbaasd omhoog. Gedwyn negeerde het lijk aan zijn voeten en nam in plaats daarvan Rhand op, even kil als Rochaid. Beide mannen hielden saidin vast. Verbazend genoeg kreunde Lews Therin slechts. Met veel hoefgekletter kwamen Flin en Narishma de helling op draven, gevolgd door een honderdtal Saldeanen. Toen ze naderden kon Rhand de Ene Kracht in de grijzende oude man en de jongere voelen; ze hielden vrijwel alles vast wat ze konden bevatten. Hun vermogen was na Dumais Bron met een sprong toegenomen. Zo ging het bij mannen. Vrouwen leken geleidelijk sterker te worden, maar bij mannen ging het met sprongen. Flin was sterker dan Gedwyn of Rochaid, en Narishma volgde daar niet ver op. Voorlopig tenminste, niemand wist wanneer er een eind aan die groei kwam. Niemand benaderde echter Rhands vermogen. Nog niet, tenminste. Het was niet te zeggen waarop het zou uitdraaien. Geen angstvrees. ‘Maar goed dat we besloten u te volgen, mijn heer Draak.’ In Gedwyns stem klonk wat zorg door, maar het zat op het randje van spot. ‘Hebt u vanmorgen last van een zwakke maag?’ Rhand schudde enkel zijn hoofd. Hij kon zijn ogen niet van Padros losrukken. Waarom? Omdat hij Illian had veroverd? Omdat de man trouw was geweest aan ‘heer Brend’?

Met een luide schreeuw rukte Rochaid een wasleren beurs uit Padros’ jaszak en keerde die om. Glimmend gouden munten rolden stuiterend en rinkelend over de rotsbodem. ‘Dertig marken,’ gromde hij. ‘Tarvalonse marken. Je hoeft je niet af te vragen wie hem heeft betaald.’ Hij greep een munt op en gooide die Rhand toe, maar die deed geen moeite hem te grijpen en de munt kaatste van zijn arm terug.

‘Je kunt overal munten uit Tar Valon tegenkomen,’ merkte Bashere kalm op. ‘De helft van de mannen in het dal heeft er enkele op zak. Ikzelf ook.’ Gedwyn en Rochaid draaiden zich snel om en keken hem aan. Achter zijn dikke snor toonde Bashere een grijns, of tenminste zijn tanden, maar sommige Saldeanen verschoven verontrust in hun zadels en bevoelden hun beurzen.

Boven, waar tussen de steile berghellingen de pas wat vlakker was, draaide een lichtsleuf rond en vormde een poort, waar een in het zwart geklede Shienaraan doorholde terwijl hij zijn paard meetrok. Blijkbaar was de eerste Seanchaan opgemerkt, en niet al te ver weg, als de man zo snel terug was.

‘Tijd om op te trekken,’ zei Rhand tegen Bashere. De man knikte maar verzette geen pas. In plaats daarvan nam hij de twee Asha’man op die naast Padros stonden. Ze negeerden hem. ‘Wat doen we met hem?’ wilde Gedwyn weten, met een gebaar naar het lijk. ‘We zouden hem tenminste terug moeten sturen naar de feeksen.’

‘Laat maar,’ antwoordde Rhand.

Ben je nú klaar om te doden? vroeg Lews Therin. Hij klonk helemaal niet krankzinnig. Nog niet, dacht Rhand. Gauw.

Hij begroef zijn hakken in de flanken van Tai’daishar en draafde terug naar zijn leger. Dashiva en Flin volgden hem op de hielen, net als Bashere en de honderd Saldeanen. Ze keken allemaal om zich heen alsof ze op een tweede aanslag rekenden. In het oosten stapelden zich zwarte wolken op rond de bergtoppen, weer een cemaros. Gauw.

Het kampement op de heuveltop was goed opgezet, met een kronkelig stroompje in de buurt voor water en goede uitkijkpunten op de meest waarschijnlijke paden naar de langwerpige bergwei. Assid Bakuun voelde geen trots over het kamp. In de dertig jaar dat hij in het Eeuwig Zegevierende Leger had gediend, had hij honderden kampementen opgezet; hij zou dan ook trots moeten voelen als hij zonder vallen door een kamer liep. Evenmin voelde hij trots dat hij hier was. Dertig jaar had hij de keizerin gediend, moge zij eeuwig leven. In die jaren was heel af en toe een opstand uitgebroken door een omhooggevallen gek die zijn ogen op de Kristallen Troon had gericht, maar het merendeel van die jaren was toch gewijd geweest aan de voorbereidingen van dit alles. Twee geslachten lang, terwijl de grote schepen werden gebouwd om de Terugkeer te vervoeren, was het Eeuwig Zegevierende Leger geoefend en voorbereid. Bakuun was zeker trots geweest toen hij vernam een van de Voorlopers te zijn. Hij droomde ervan dat de landen werden teruggewonnen die waren gestolen van de rechtmatige erfgenamen van Artur Haviksvleugel. Zelfs dat deze nieuwe Bestendiging voltooid zou zijn voor de komst van de Corenne. Eigenlijk helemaal niet zo’n wilde droom, zoals gebleken was, hoewel niet op de wijze die hij zich had voorgesteld. Een terugkerende verkenningseenheid reed de heuveltop op. Vijftig Tarabonse lansiers met rode en groene verfstrepen op hun stevige borstplaten en maliënsluiers die hun dikke snorren verborgen. Ze reden goed en onder een behoorlijke aanvoerder vochten ze ook goed. Meer dan tienmaal zoveel zaten reeds rond de kookvuren of bevonden zich bij de paallijnen waar hun rijdieren stonden vastgebonden. Drie groepen waren nog op pad. Bakuun had nooit verwacht nog eens het bevel te voeren over een groep die voor meer dan de helft uit afstammelingen van dieven bestond. En ze schaamden zich er niet eens voor, want ze keken je recht in de ogen. De aanvoerder van de verkenners maakte een diepe buiging toen de met modder bespatte paarden langsreden, maar veel anderen praatten gewoon door in hun merkwaardige tongval. Ze spraken zo snel dat Bakuun ze niet begreep tenzij hij zich enorm inspande. Ze hadden ook merkwaardige denkbeelden over krijgstucht.