Выбрать главу

Hoofdschuddend beende Bakuun naar de tent van de sul’dam, die groter was dan de zijne. Vier van hen, in hun donkerblauwe gewaden met de gevorkte bliksems op de rok, zaten buiten op krukken. Ze genoten van de zon in deze korte periode tussen twee regenstormen. Zulk mooi weer was de laatste tijd een zeldzaamheid. De in het grijs geklede damane zat aan hun voeten, terwijl Nerith haar lichtblonde haren vlocht, en ook met haar sprak, waarbij allen meepraatten en zachtjes lachten. De armband aan het eind van de zilverige a’damlijn lag op de grond. Bakuun gromde bitter. Hij had een lievelingswolfshond thuis en praatte soms zelfs tegen hem, maar hij verwachtte niet dat Nip ooit aan een gesprek deelnam! is ze in orde?’ vroeg hij Nerith, een vrouw met een vierkant gezicht, niet voor de eerste keer. Niet eens de tiende keer. is alles goed met haar?’ De damane sloeg haar ogen neer en zweeg. ‘Ze is echt in orde, kapitein Bakuun.’ Nerith legde de juiste mate van achting in haar stem en geen haartje meer. Maar terwijl ze praatte bleef ze de damane kalmerend aaien. ‘Wat de ongesteldheid ook was, het is nu verdwenen. Iets kleins, in elk geval. Niets om ons zorgen over te maken.’ De damane zat te beven.

Opnieuw gromde Bakuun wat. Dat verschilde weinig van haar eerdere antwoord. Er was echter iets mis geweest, daarginds in Ebo Dar, en niet alleen met deze damane. De sul’dam hielden als mosselen hun lippen op elkaar – en uiteraard wilde het Bloed niets kwijt, zeker niet aan mannen van zijn rang! – maar er waren te veel geruchten geweest. Die zeiden dat alle damane ziek waren, of gek. Licht, hij had er niet een gebruikt zien worden sinds Ebo Dar was gevallen, zelfs niet voor een overwinningsvertoning met hemellichten. Wie had ooit zoiets meegemaakt!

‘Tja, ik hoop dat ze...’ begon hij en slikte zijn woorden in toen er een raken door de oostelijke bergpas kwam aanvliegen. Zijn grote Ieren vleugels sloegen krachtig om hoogte te winnen en recht boven de heuvel hing hij opeens schuin en draaide een kleine kring waarbij een vleugelpunt zowat recht omlaag wees. Een dun rood lint viel aan een loden bolletje omlaag.

Bakuun slikte een vloek weg. Vliegers maakten er altijd een vertoning van, maar als die twee een van zijn mannen verwondden terwijl ze hun verkenningsverslag afleverden, zou hij hen laten villen, wat hij ook zou moeten doen om dat klaar te spelen. Hij wilde geen gevecht aangaan zonder verkenningsvliegers maar ze werden te zeer vertroeteld, zoals het lievelingsdier van een lid van het Bloed. Het lint viel loodrecht omlaag. Het loden gewicht plofte op de grond en kaatste terug op de heuveltop, vlak naast de smalle boodschappenpaal, die te lang was om omlaag te draaien, tenzij er een boodschap verzonden moest worden. Bovendien, wanneer de paal op de grond bleef liggen, stapte er altijd iemand te paard op het ding, waardoor de verbindingspunten braken.

Bakuun beende recht naar zijn tent, maar zijn onderkapitein stond reeds te wachten met het bemodderde lint en de berichtenkoker. Tiras was een broodmagere vent, een kop groter dan hij, met een rafelig baardje aan de punt van zijn kin.

In de dunne metalen koker stond het opgerolde verslag in eenvoudige woorden op een reepje papier waar Bakuun bijna doorheen kon kijken. Hij was nooit gedwongen geweest op een raken of een to’raken mee te rijden – het Licht zij dank en de keizerin, moge zij eeuwig leven, zij geloofd! – maar hij betwijfelde of je gemakkelijk met een pen kon schrijven in een zadel dat op de rug van een vliegende hagedis was gegord. Het bericht deed hem haastig het deksel van zijn kleine kampschrijftafel openen en snel iets opschrijven. ‘Ten oosten van ons zit een krijgsmacht, nog geen tien span hier vandaan,’ deelde hij Tiras mee. ‘Vijf- of zesmaal zo groot als wij.’ Vliegers overdreven soms, maar meestal niet erg veel. Hoe hadden zovelen zo ver in deze bergen kunnen doordringen, zonder gezien te worden? Hij had de kust in het oosten gezien en hij zou zijn begrafenisgebeden betalen voor hij daar probeerde te landen. De vliegers pochten dat ze elke vlieg in deze bergketen konden zien bewegen, het Licht brande hun ogen. ‘Er is geen reden om aan te nemen dat zij weten dat wij hier zijn, maar ik zou wat versterkingen niet erg vinden.’ Tiras lachte. ‘We zullen hen de damane laten voelen en dan hebben ze het wel gehad, zelfs al zijn ze met twintigmaal zoveel.’ Zijn enige echte tekortkoming was een tikkeltje overmoed. Niettemin een goed soldaat.

‘En als zij over enkele... Aes Sedai beschikken?’ merkte Bakuun kalm op. Hij stotterde nauwelijks met dat woord, terwijl hij het vliegerverslag terugstopte in het buisje met zijn eigen korte boodschap erbij. Hij had niet kunnen geloven dat iémand die... vrouwen vrij zou laten rondlopen.

Tiras’ gezicht toonde dat hij zich de verhalen over een Aes Sedai-wapen herinnerde. Het rode lint wapperde achter hem aan toen hij wegholde met de berichtenkoker.

Algauw zaten koker en lint aan de top van de boodschappenpaal. Een licht briesje bewoog het lange rode lint vijftien pas boven de heuvelrand. De raken scheerde er op doodstille uitgestrekte vleugels naartoe. Opeens zwaaide een van de vliegers omlaag uit het zadel en hing ondersteboven onder de uitgestrekte klauwen van de raken. Bakuuns maag draaide zich om bij dit gezicht. Maar haar hand sloot zich om het lint, de paal boog en trilde toen weer recht overeind, nadat de berichtenkoker uit de klem was getrokken. Ze werkte zich weer omhoog terwijl het beest in strakke kringen omhoogwiekte. Bakuun bande dankbaar raken en vliegers uit zijn gedachten terwijl hij het dal opnam. Breed en lang, bijna vlak, afgezien van de heuvel, en omringd door steile beboste hellingen. Alleen een geit kon hier komen en dan alleen door de passen die in het zicht lagen. Met de damane kon hij iedereen aan stukken rijten voor ze over de modderige bergwei konden aanvallen. Hij had het bericht echter doorgegeven. Als de vijand recht op hen afkwam, zouden ze drie dagen eerder aankomen dan zijn versterkingen. Op z’n best. Hoe hadden ze zo ver onopgemerkt kunnen doordringen?

Hij was tweehonderd jaar te laat geboren om de laatste veldslagen van de Bestendiging mee te maken, maar een aantal van die opstanden was zeker niet klein geweest. Twee jaar strijd op Marendalar had dertigduizend doden opgeleverd en vijftigmaal zoveel mensen waren afgevoerd naar het vasteland als da’covale, wat ze hier slaven noemden. Opmerkzaamheid voor ongewone zaken hield een soldaat in leven. Hij beval het kamp af te breken en elk teken ervan op te ruimen, waarna hij zijn bevelpost verhuisde naar de beboste hellingen. Donkere wolken sloten zich in het oosten aaneen. Er kwam zeker weer zo’n vervloekte storm aan.