23
Mist van de oorlog, storm van de veldslag
Het was zomaar even droog. Rhand stuurde Tai’daishar rond een ontwortelde boom die dwars op de helling lag en keek fronsend neer op een dode man die ruggelings met gespreide armen en benen achter de stam lag. De kerel was klein en vierkant. Hij had een rimpelig gezicht en zijn wapenrusting van elkaar overlappende metalen platen was blauwgroen gelakt. Hij staarde nietsziend naar de zwarte wolken boven zijn hoofd en leek veel op Eagan Padros, tot en met het ontbrekende been. Duidelijk een officier. Het zwaard naast zijn uitgestrekte hand had een ivoren gevest in de vorm van een vrouw en zijn gelakte helm met de vorm van een insectenkop droeg twee lange smalle pluimen.
Ontwortelde en gespleten bomen, een flink aantal van kruin tot wortel in vuur en vlam, maakten over ruim vijfhonderd pas een chaos van de berghelling. Er lagen veel lijken tussen, verbrijzeld en uiteengereten toen saidin de berghelling teisterde. De meesten droegen stalen sluiers voor hun gezicht en hun borstkuras vertoonde horizontale geschilderde banen. Geen vrouwen, het Licht zij dank. De gewonde paarden waren gedood, wat ook reden voor dankbaarheid was. Wat kon een paard ongelooflijk luid gillen.
Denk je dat de doden stil zijn? Lews Therins lachte schor. Denk je dat? Zijn stem kreeg een gepijnigde, razende klank. De doden huilen me toe!
Mij ook, dacht Rhand bedroefd. Ik kan me niet veroorloven ernaar te luisteren, maar hoe breng je ze tot zwijgen? Lews Therin begon te huilen om zijn verloren Ilyena.
‘Een grootse overwinning,’ galmde Weiramon achter Rhand, waarna hij mompelde: ‘Evenwel zonder veel eer. De oude manieren zijn beter.’ Er zat in ruime mate modder op Rhands jas, maar verbazingwekkend genoeg leek Weiramon even fris en schoon als eerder op de Zilverweg. Zijn helm en wapenrusting glommen. Hoe had hij dat klaargespeeld? Tegen het eind waren de Taraboners in de aanval gegaan. Lansen en moed tegen de Ene Kracht en Weiramon zelf had de tegenaanval geleid om ze op te vangen. Zonder bevel daartoe en met uitzondering van de Verdedigers was hij door alle Tyreners gevolgd, verrassend genoeg zelfs door de halfdronken Torean. Ook door Semaradrid en Gregorin Panar, met de meeste Cairhienin en Illianers. Op dat ogenblik was het moeilijk geweest stil te blijven staan. Het was zo’n moment dat elke man iets tastbaars wilde doen om niet stil te hoeven staan bij wat er gebeurde. De Asha’man zouden het sneller hebben afgehandeld, zij het enigszins rommeliger. Rhand had niet aan de strijd deelgenomen. Hij was slechts in het zadel blijven zitten waar mannen hem konden zien. Hij was bang geweest om de Kracht te grijpen. Hij had zijn zwakte niet durven tonen. Zelfs niet een klein beetje. Alleen de gedachte al had Lews Therin van afgrijzen doen brabbelen.
Even verrassend als Weiramons onbesmeurde jas was het feit dat Anaiyella naast hem reed, en nu eens niet onnozel glimlachend. Haar gezicht stond strak en afkeurend. Vreemd genoeg bedierf dat haar uiterlijk lang niet zo erg als haar zalvende lachje. Ze had natuurlijk niet deelgenomen aan de strijd, evenmin als Ailil, maar haar paardenmeester wel, en de man was morsdood door een Tarabonse lans in de borst. Ze vond het heel afschuwelijk. Maar waarom vergezelde ze Weiramon? Gewoon Tyreners onder elkaar? Misschien. De laatste keer dat Rhand haar had gezien, was ze veel met Sunamon opgetrokken.
Bashere liet zijn vos de helling op stappen, waarbij hij een pad zocht tussen de lijken, terwijl hij er niet meer op leek te letten dan op een versplinterde boomstronk of een brandende stam. Zijn helm hing aan het zadel en zijn handschoenen had hij achter zijn zwaardgordel gestoken. Zijn rechterzij zat onder de modder, evenals zijn paard. ‘Aracome is naar de moeder,’ zei hij. ‘Flin probeerde hem nog te Helen, maar ik geloof niet dat Aracome zo verminkt verder wilde leven. Tot dusver hebben we bijna vijftig doden, en een aantal zwaargewonden zal het ook niet overleven.’ Anaiyella werd bleek. Rhand had haar bij Aracome gezien terwijl ze overgaf. Een dode boer of burger deed haar heel wat minder.
Rhand voelde even medelijden. Niet met haar en nauwelijks met Aracome. Met Min, hoewel ze veilig in Cairhien was achtergebleven. Min had in een van haar beelden Aracomes dood voorzien, evenals die van Gueyam en Maracon. Rhand hoopte dat haar beelden niet op de werkelijkheid hadden geleken.
De meeste Soldaten waren weer op verkenning, maar onder hen op het brede grasveld spuwden de door Gedwyns Toegewijden geweven poorten de voorraadkarren en reservepaarden uit. De mannen die hen begeleidden, keken met open mond rond toen ze zich bewust werden van de verwoesting. De modderige grond was niet zo omgewoeld als de helling, maar roetzwarte geulen van twee pas breed en vijftig pas lang doorsneden het bruine gras. Bovendien waren er diepe kuilen waar een paard niet eens overheen kon springen. Tot dusver hadden ze de damane niet gevonden. Rhand dacht dat er maar één moest zijn geweest. Meer damane zouden in deze omstandigheden aanzienlijk meer schade hebben veroorzaakt. Mannen liepen heen en weer rond een aantal kleine vuurtjes en kookten water voor thee en andere zaken. Ditmaal mengden Tyreners, Cairhienin en Illianers zich wel. Niet alleen de gewone burgers. Semaradrid deelde zijn veldfles met Gueyam, die vermoeid met een hand over zijn kale hoofd streek. Maracon en Kiril Drapaneos, een lange hark van een vent wiens vierkante baard vreemd aandeed op zijn smalle gezicht, zaten zo te zien rond een vuur gehurkt te kaarten! Torean had een hele kring van lachende jonge Cairhiense heren om zich heen, hoewel ze wellicht meer vermaakt werden door de wijze waarop hij wankelend over zijn aardappelneus wreef dan door zijn grapjes. De legioensoldaten hielden zich afzijdig, maar hadden de ‘vrijwilligers’ onder hun hoede genomen die Padros naar de Banier van het Licht waren gevolgd. Dat stel was gretiger dan wie ook, sinds ze vernomen hadden hoe Padros aan zijn eind was gekomen. Legioensoldaten in blauwe jassen toonden hoe ze als groep van richting konden veranderen zonder als een troep ganzen uiteen te vallen. Flin stond bij de gewonden met Adlie, Mor en Hopwil. Narishma kon op zijn hoogst kleine wonden Helen, niet veel beter dan Rhand, en Dashiva kon zelfs dat niet eens. Gedwyn en Rochaid stonden boven op de heuvel in het midden van het dal met elkaar te praten en hielden hun paard aan de teugel vast. Op de heuvel waar ze hadden gemeend de Seanchanen te verrassen, toen ze uit omringende poorten toestroomden. Bijna vijftig doden en daar zou het niet bij blijven. Zonder Flin en de anderen die een zekere vaardigheid in Heling hadden, zouden het er ruim tweehonderd zijn geweest. Gedwyn en Rochaid hadden hun handen niet vuil willen maken en boos gekeken toen Rhand hen ertoe dwong. Een van de doden was een Soldaat geweest en een tweede Soldaat, een Cairhiener met een rond gezicht, zat ineengezakt met een verdwaasde blik bij een kookvuur. Rhand hoopte maar dat die blik kwam doordat hij in de lucht was geworpen nadat de grond praktisch onder zijn voeten was ontploft. Beneden op de doorgroefde vlakke grond stond Ailil te overleggen met haar lanskapitein, een bleke kleine man die Denharad heette.
Hun paarden stonden bijna tegen elkaar en zo nu en dan keken ze omhoog naar Rhand. Wat voerden die in hun schild? ‘De volgende keer zal het beter gaan,’ mompelde Bashere. Hij liet zijn blik door het dal dwalen en schudde toen zijn hoofd. ‘De ergste fout is een fout die je tweemaal maakt, en dat zullen we niet doen.’ Weiramon hoorde hem en herhaalde het, maar gebruikte daarvoor twintigmaal zoveel woorden, bloemrijk genoeg voor een lentetuin. En zonder toe te geven dat er fouten waren gemaakt, laat staan door hem. Hij ontweek Rhands vergissingen even behendig. Rhand knikte met opeengeklemde lippen. De volgende keer zouden ze het beter doen. Dat moest wel, tenzij hij de helft van zijn mannen in deze bergen wilde begraven. Op dit ogenblik vroeg hij zich af wat hij met de gevangenen aan moest.
De meesten die waren ontkomen aan de dood op de helling, hadden zich onder dekking van de bomen teruggetrokken. Volgens Bashere verbazingwekkend ordelijk, de omstandigheden in aanmerking genomen, maar het was onwaarschijnlijk dat ze nog een echte bedreiging zouden vormen. Tenzij die damane bij hen was. Maar zo’n honderd mannen hadden hun wapens en wapenrusting afgegeven en zaten gehurkt op de grond onder de waakzame ogen van een twintigtal bereden Gezellen en Verdedigers. Het waren voor het merendeel Taraboners, maar ze hadden niet gevochten als mannen die door veroveraars gedwongen waren mee te strijden. Een flink aantal keek fier rond en beschimpte hun bewakers. Gedwyn had ze na een ondervraging willen doden. Weiramon gaf er geen steek om als hun de keel werd doorgesneden, maar hij was van oordeel dat martelen tijdverspilling was. Geen van hen zou iets nuttigs weten, hield hij vol; er waren geen edelen bij.