Выбрать главу

Rhand wierp een blik op Bashere. Weiramon was nog stééds welluidend aan het woord: ‘... vegen deze bergen voor u schoon, mijn heer Draak. We vertrappen ze onder onze hoeven en...’ Anaiyella beaamde het, grimmig knikkend.

‘Zes staan er nog en een handvol is gevallen,’ zei Bashere zachtjes. Hij krabde met zijn nagel wat modder van een dikke snorpunt. ‘Of zoals mijn pachters zeggen: wat je bij het draaien wint, verlies je in de rolton.’ Wat in het Licht was een rolton? Wat had hij aan zulke opmerkingen!

Vervolgens maakte een van Basheres verkennerseenheden de zaken nog erger.

Zes mannen kwamen aanrijden terwijl ze met de stompe onderkant van hun lans een gevangene de helling afdreven. Het was een vrouw met zwarte haren in een gescheurd en smerig donkerblauw gewaad.

Op de borst had ze rode vlakken en haar rok toonde een gevorkte bliksem. Haar gezicht was ook smerig en vlekkerig van de tranen. Ze struikelde en viel half, maar het gepor was meer een gebaar dan dat ze haar echt raakten. Ze wierp de verkenners een woeste blik toe en spuwde zelfs een keer. Rhand keek ze eveneens minachtend aan. ‘Hebben jullie haar pijn gedaan?’ wilde hij weten. Een vreemde vraag misschien over een vijand, na wat er in het dal was gebeurd. Over een sul’dam. Maar de woorden ontvielen hem. ‘Wij niet, mijn heer Draak,’ zei de nors kijkende aanvoerder. ‘We hebben haar zo gevonden.’ Hij krabde door een zwart golvend baardje aan zijn kin en wierp een blik op Bashere alsof hij steun zocht. ‘Ze beweert dat wij haar Gille hebben gedood. Haar schoothondje of haar kat, zoals ze erover blijft zaniken. Ze heet Nerith. Dat hebben we er wel uit gekregen.’ De vrouw draaide zich om en trok opnieuw haar tanden op.

Rhand zuchtte. Geen schoothondje. Nee! Die naam hoorde niet op de lijst! Maar hij hoorde de rij namen door zijn hoofd dreunen en Gille de damane was er een van. Lews Therin kreunde vanwege Hyena. Haar naam stond ook op de lijst en Rhand vond dat terecht. ‘Is dit een Seanchaanse Aes Sedai?’ vroeg Anaiyella opeens terwijl ze zich naar voren boog om Nerith met harde ogen op te nemen. Nerith spuwde ook naar haar, terwijl haar ogen groot werden van razernij. Rhand legde het weinige uit dat hij van sul’dam wist. Dat ze geleidsters beheersten met een ter’angreaal in de vorm van een lijn en halsband, maar zelf niet konden geleiden. Tot zijn verbazing zei de keurige onnozele Hoogvrouwe kiclass="underline" ‘Als mijn heer Draak zich geremd voelt, hang ik haar wel voor u op.’ Opnieuw spuwde Nerith naar haar! Verachtelijk ditmaal. Zij had zeker geen gebrek aan moed. ‘Nee!’ gromde Rhand. Licht, wat men al niet wilde doen om bij hem in de gunst te komen. Maar misschien was Anaiyella wel inniger geweest met haar paardenmeester dan als fatsoenlijk werd beschouwd. De man was stevig geweest, en kalend – en een gewone burger; dat telde zwaar in Tyr – maar vrouwen schonken hun gunsten soms aan de vreemdste mannen. Dat wist hij uit eigen ervaring. ‘Zodra we weer kunnen optrekken,’ zei hij tegen Bashere, ‘laat je die kerels daar vrij.’ Hij wilde bij de volgende aanval niet gehinderd worden door gevangenen. En honderd man – en het zouden er ongetwijfeld meer worden – onder bewaking stellen waardoor ze later met de voorraadkarren mee moesten komen, bracht vele gevaren met zich mee. Op deze bergwei konden ze geen last veroorzaken. Zelfs de mannen die te paard waren gevlucht, konden anderen niet sneller waarschuwen dan zij konden Reizen.

Bashere haalde licht zijn schouders op. Hij vond het wellicht ook, maar aan de andere kant was er altijd een kans op ongelukkig toeval. Ook zonder een ta’veren in de buurt konden er vreemde dingen gebeuren.

Weiramon en Anaiyella wilden tegelijk reageren en hun gezichten toonden dat ze het er niet mee eens waren. Rhand drukte echter door. ik heb gesproken; zo wordt het gedaan. Maar we houden de vrouw wel bij ons. En elke andere vrouw die we gevangennemen.’

‘Bloedvuur,’ riep Weiramon uit. ‘Waarom?’ De man leek versteld te staan. Bashere bewoog trouwens ook even geschrokken zijn hoofd. Anaiyella’s mond kneep zich minachtend samen, voor ze haar onnozele glimlach voor de Drakenheer opdiepte. Ze meende overduidelijk dat hij te week was om deze vrouw met de anderen weg te sturen. Het zou een zware tocht worden door dit terrein, en het zou moeilijk zijn voldoende eten te vinden. Bovendien stuurde je in dit weer nog geen hond de bergen in.

‘Ik heb al genoeg Aes Sedai tegen me om een sul’dam de kans te geven haar werk voort te zetten,’ gaf hij hun te kennen. Het Licht wist dat dat waar was! Ze knikten, al was Weiramon wat trager. Bashere keek opgelucht en Anaiyella teleurgesteld. Maar wat moest hij met deze vrouw en de anderen die hij nog gevangen zou nemen? Hij was niet van plan de Zwarte Toren in een gevangenis te veranderen. De Aiel konden hen vasthouden. Maar de Wijzen zouden hen misschien de keel openhalen zodra hij zich had omgedraaid. Zouden de zusters die Mart met Elayne naar Caemlin bracht een mogelijkheid zijn? ‘Wanneer we hier klaar zijn, draag ik haar over aan enkele Aes Sedai die ik zal uitkiezen.’ Wellicht vatten ze het op als een blijk van goede wil. Een lepel honing om de pil te vergulden dat ze zijn bescherming moesten aanvaarden.

Hij had het nauwelijks gezegd of Neriths gezicht werd lijkbleek. Ze krijste uit alle macht. Al gillend sprong ze de helling af, klauterde over omgevallen bomen, viel weer en krabbelde weer overeind. ‘Bloed...! Pak haar!’ snauwde Rhand en de Saldeaanse verkenners schoten achter de vrouw aan, sprongen met hun dieren over de met stammen bezaaide helling, blijkbaar niet bang voor gebroken benen of nekken. Nog steeds krijsend schoot ze heen en weer tussen de paarden.

In de toegang tot de oostelijkste pas werd een poort geopend in een flits van zilverig licht. Een zwartgejaste Soldaat trok zijn paard erdoor, sprong in het zadel zodra de poort uitflitste en zette zijn rijdier aan voor een galop naar de heuveltop waar Gedwyn en Rochaid stonden te wachten. Rhand keek onbewogen toe. In zijn hoofd snauwde Lews Therin iets over doden, alle Asha’man doden voor het te laat was. Tegen de tijd dat het drietal de helling opreed naar Rhand, hadden vier Saldeanen Nerith plat op de grond en wilden ze haar handen en voeten boeien. Er waren vier mannen nodig, zo woest schopte, sloeg en beet ze. Een vermaakte Bashere wilde wedden of zij uiteindelijk niet de overhand zou krijgen. Anaiyella mompelde iets over een gaatje in haar hoofd. Was ze van plan dat de sul’dam te bezorgen? Rhand keek haar fronsend aan.

De Soldaat tussen Gedwyn en Rochaid wierp een verontruste blik op Nerith toen ze langsreden. Rhand herinnerde zich vaag hem in de Zwarte Toren te hebben gezien, op de dag dat hij de zilveren zwaardspelden had uitgedeeld en Taim als eerste de draak had opgespeld. Het was een jongeman die Varil Nensen heette. Hij droeg nog steeds een doorzichtig sluiertje voor zijn dikke snor. Niettemin had hij zonder aarzeling tegen zijn landgenoten gestreden. Hun trouw gold nu de Zwarte Toren en de Herrezen Draak, beweerde Taim altijd. Het tweede deel klonk altijd als een late toevoeging. ‘Je geniet de eer met eigen mond aan de Herrezen Draak verslag uit te brengen, Soldaat Nensen,’ zei Gedwyn droog. Nensen ging rechtop in zijn zadel zitten. ‘Mijn heer Draak,’ blafte hij, zijn vuist tegen de borst slaand. ‘Er zijn er nog meer op zo’n dertig span naar het westen.’ Dertig span was de grootste afstand die de verkenners van Rhand mochten afleggen voor ze terugkeerden. Het had geen zin als één verkenner Seanchanen vond terwijl de anderen steeds verder naar het westen trokken. ‘Misschien de helft van wat we hier tegenkwamen,’ vervolgde Nensen. ‘En...’ Zijn donkere ogen schoten weer naar Nerith. Ze was nu geboeid en de Saldeanen legden haar met veel moeite over een paard. ‘Vrouwen als die daar heb ik niet gezien, mijn heer Draak.’ Bashere keek schuins naar de lucht. Donkere wolken vormden een deken van bergtop naar bergtop, maar de zon stond nog hoog. ‘Tijd om de mannen te laten eten voor de anderen terugkeren,’ zei hij tevreden knikkend. Nerith was erin geslaagd haar tanden in een Saldeaanse pols te zetten en hield zich als een das vast. ‘Laat ze snel eten,’ zei Rhand geërgerd. Zou iedere sul’dam zoveel moeilijkheden opleveren wanneer ze gevangengenomen was? Heel waarschijnlijk. Licht, wat zou er gebeuren bij een damane? ik wil niet de hele winter in deze bergen rondhangen.’ Gille de damane. Hij kon een naam niet uitvlakken wanneer die eenmaal op zijn lijst stond. De doden zijn nooit stil, fluisterde Lews Therin. De doden slapen nooit.