Выбрать главу

Rhand reed naar de kookvuren toe. Hij had geen zin in eten.

Vanaf de top van een hoge rotspartij nam Furyk Karede de dichtbegroeide berghellingen op die overal om hem heen oprezen. De scherpe pieken leken op slagtanden. Zijn paard, een grote appelruin, spitste de oren alsof hij een geluid opving dat Karede had gemist, maar verder stond het dier doodstil. Regelmatig moest Karede het kijkglas omlaag doen en de lens drogen. Uit de grijze ochtendhemel viel een lichte regen. De twee zwarte pluimen van zijn helm hingen krom in plaats van recht overeind te staan, en het water liep langs zijn rug. Het was tenminste een lichte regen vergeleken met die van gisteren en waarschijnlijk met die van morgen. Of wellicht van vanmiddag. In het zuiden rommelde dreigend de donder. Karedes zorgen hadden echter niets met het weer te maken.

Onder hem slingerden de laatsten van een colonne van drieëntwintighonderd man door de kronkelige pas. Mannen die van vier buitenposten waren verzameld. Allen te paard en tamelijk goed geleid, maar slechts een armzalige tweehonderd waren Seanchanen en behalve hijzelf droegen slechts twee het rood-en-groen van de doodswachtgarde. De meeste anderen kwamen uit Tarabon – hij kende hun vurigheid – maar ruim een derde waren Amadicianen en Altaranen. Hun eed was nog te vers om van hen op aan te kunnen. Sommige Altaranen en Amadicianen hadden reeds twee- of driemaal geprobeerd van kant te veranderen. De mensen aan deze kant van de Arythische Oceaan wisten niet wat schande was. Een tiental sul’dam reed bijna vooraan in de colonne en hij had graag gezien dat alle twaalf een aangelijnde damane naast hun paard hadden lopen en niet slechts twee.

Zo’n vijftig pas verder hielden de tien mannen van de speerpunt de hellingen boven hen in het oog, hoewel niet zo zorgvuldig als ze zouden moeten doen. Er waren te veel mannen in de speerpunt die op de naar voren gestuurde verkenners vertrouwden en geen gevaar meer duchtten. Karede nam zich voor persoonlijk met hen te praten. Daarna zouden ze hun plicht behoorlijk doen of hij zou ze dwangarbeid geven.

Een raken verscheen in het oosten en scheerde laag boven de boomtoppen, draaiend en kerend om de heuvels van het land te volgen, als een man die de rug van een vrouw streelt. Merkwaardig. Morat’raken, vliegers, wilden altijd hoog rondscheren, tenzij de lucht een en al bliksem en weerlicht was. Karede liet het kijkglas zakken om toe te kijken.

‘Hopelijk krijgen we eindelijk weer eens een verkennersverslag,’ merkte Jadranka op. Tegen de andere officieren die achter Karede stonden te wachten, niet tegen hem. Drie van de tien waren van gelijke rang als Karede, maar weinig mensen, afgezien van het Bloed, stoorden een man in het bloedrood en vrijwel zwarte groen van de doodswachtgarde. Veel van het Bloed deden dat trouwens evenmin. Volgens de verhalen die hij als kind had gehoord, was een van zijn voorvaderen, een edelman, Luthair Paendrag naar Seanchan gevolgd op bevel van Artur Haviksvleugel. Maar tweehonderd jaar later, toen nog slechts het noorden veroverd was, probeerde een andere voorvader een eigen koninkrijk te stichten. In plaats daarvan was hij uiteindelijk vanaf het blok verkocht. Misschien was het waar; veel da’covale maakten aanspraak op nobele voorouders. Onder elkaar tenminste; weinig leden van het Bloed vonden zulk gebabbel vermakelijk. In elk geval had Karede het gevoel gehad dat hij geluk had toen de Kiezers hem hadden uitverkoren. Een stevige jongen, maar nog niet oud genoeg om plichten te vervullen. Nog steeds was hij trots op de raven die op zijn schouders waren getatoeëerd. Veel doodswachtgardisten liepen waar mogelijk zonder jas of hemd om ze te tonen. De menselijke in elk geval. De Gardeniers van de Ogier werden niet gemerkt en waren geen eigendom, maar dat was een zaak tussen hen en de keizerin.

Karede was da’covale en zoals elke gardist was hij er trots op dat hij naar lichaam en ziel eigendom was van de Kristallen Troon. Hij streed waar de keizerin hem heen stuurde en hij zou sterven op de dag dat zij hem dat opdroeg. De garde was slechts verantwoording schuldig aan de keizerin en waar zij verscheen, verscheen de garde als haar hand, een zichtbare herinnering aan haar. Geen wonder dat sommigen van het Bloed zich niet op hun gemak voelden wanneer ze een afdeling van de garde voorbij zagen komen. Een veel beter leven dan het uitmesten van de stallen van een heer of het inschenken van kaf voor een vrouwe. Maar hij vervloekte het geluk dat hem naar deze bergen had gezonden om de buitenposten te inspecteren. De raken schoot naar het westen en de vliegers zaten ineengedoken in het zadel. Er was geen verkenningsverslag, geen bericht voor hem. Furyk wist dat het slechts zijn verbeelding was, maar de langgerekte nek van het beest maakte een... bezorgde indruk. Als hij iemand anders was geweest, zou hij wellicht ook bezorgd zijn geweest. Er waren slechts enkele berichten doorgekomen sinds de opdracht, drie dagen geleden, om het bevel op zich te nemen en terug te trekken naar het oosten. Elk bericht had de mist eerder verdicht dan doen optrekken.

De plaatselijke inwoners, die Altaranen, waren blijkbaar met een grote troepenmacht de bergen ingetrokken. Maar hoe? De wegen aan de noordkant van deze bergketen werden bijna tot de Illiaanse grens in het oog gehouden, niet alleen door bereden verkenners maar ook door vliegers en morat’torm. Waardoor hadden die Altaranen opeens besloten op deze wijze hun tanden te tonen? En zich te verenigen? Een man kon zich in dit land onverwachts in een tweegevecht bevinden – hoewel ze langzamerhand doorkregen dat het uitdagen van een gardist een trage manier was om je eigen keel door te snijden – maar hij had edelen van dit zogenaamde landje gezien die elkaar én hun koningin probeerden te verkopen zodra gesuggereerd werd dat hun eigen landerijen beschermd zouden worden en misschien die van hun buren eraan zouden worden toegevoegd. Nadoe, een grote man met een bedrieglijk vriendelijk gelaat, verschoof in zijn zadel om de raken na te kijken, ik heb er een hekel aan in den blinde op te trekken,’ mopperde hij. ‘Niet wanneer de Altaranen erin geslaagd zijn daarginds veertigduizend man samen te trekken. Minstens veertigduizend.’

Jadranka snoof zo hard dat zijn grote witte ruin opzij stapte. Jadranka was de oudste van de drie kapiteins achter Karede en had even lang gediend als Karede. Een kleine magere man met een opvallende neus en een poeha alsof hij van het Bloed was. Dat paard viel op een span afstand nog op. ‘Veertigduizend of honderd, Nadoe, ze zijn zo verspreid als wat, van hier tot het eind van de bergen. Te verspreid om elkaar te kunnen bijstaan. Schele ogen nog aan toe, de helft is waarschijnlijk al dood. Ze moeten overal in gevecht zijn met de buitenposten. Daarom krijgen we ook geen verslagen. Wij worden enkel geacht de restjes op te vegen.’

Karede onderdrukte een zucht. Hij had gehoopt dat Jadranka bij al zijn maniertjes niet ook nog een dwaas zou zijn. Het gepoch van overwinnaars verspreidde zich snel, of het nu van een leger dan wel van een halve baander was. Het waren de zeldzame nederlagen die in stilte werden geslikt en vergeten. Zo’n oorverdovende stilte voorspelde niet veel goeds.