Выбрать главу

‘Dat laatste verslag wekte niet de indruk van restjes,’ hield Nadoe vol. Hij was geen dwaas. ‘Nog geen vijftig span voor ons bevinden zich vijfduizend man en ik betwijfel of we ze met een vegertje kunnen verjagen.’

Opnieuw snoof Jadranka. ‘We gaan ze verpletteren, met zwaarden of met bezems. Het Licht brande mijn ogen, ik kan amper wachten op een behoorlijke strijd. Ik heb de verkenners gezegd door te rijden tot ze gevonden zijn. Ik wil niet hebben dat ze ons door de vingers glippen.’

‘Wat heb je gedaan?’ vroeg Karede zachtjes.

Zacht of niet, alle ogen richtten zich ogenblikkelijk op hem. Hoewel Nadoe en enkele anderen met moeite konden voorkomen dat ze met open mond Jadranka aankeken. Verkenners werd altijd gezegd door te drukken, en ze kregen altijd te horen waar ze naar moesten uitkijken. Wat was er verkeerd aan die opdracht? Voor iemand wat kon zeggen steeg geschreeuw op van de mannen in de pas. Gekrijs en het gegil van paarden.

Karede drukte de leren buis van het kijkglas tegen zijn oog. In de pas voor hem stierven mannen en paarden in een hagel van iets wat volgens hem kruisboogpijlen moesten zijn, zoals ze dwars door stalen kurassen vlogen en ontploften in door maliën beschermde lichamen. Honderden lagen reeds op de grond, honderden anderen zakten gewond in hun zadel in elkaar of renden weg bij hun paarden die neergegaan waren en alles vertrapten. Te veel vluchtenden. Terwijl hij keek draaiden mannen te paard hun dieren pijlsnel rond om door de pas terug te vluchten. Waar in het Licht waren de sul’dam? Hij zag ze niet. Hij had tegenover opstandelingen gestaan die sul’dam en damane bezaten. Die moesten altijd zo snel mogelijk gedood worden. Misschien hadden die inboorlingen dat inmiddels begrepen. Opeens zag hij geschokt hoe over de gehele lengte van de kronkelende slang van zijn strijdmacht de grond in daverende fonteinen openbarstte. Mannen en paarden werden even gemakkelijk omhooggeslingerd als zand en botten. Vanuit de lucht flitsten bliksems omlaag, blauwwitte schichten die zowel de rotsen als de mannen verbrijzelden. Andere mannen ontploften gewoon, in stukken gescheurd door iets onzichtbaars. Hadden de inboorlingen een eigen soort damane? Nee, het zouden die Aes Sedai wel zijn. ‘Wat gaan we doen?’ vroeg Nadoe. Hij klonk geschokt. Dat mocht ook wel.

‘Wou je je mannen in de steek laten?’ snauwde Jadranka. ‘We hergroeperen en vallen aan...’ De woorden verdwenen gorgelend toen Karedes zwaardpunt keurig zijn hals openlegde. Er waren tijden dat je een dwaas kon gedogen, en er waren andere tijden. Terwijl de man uit het zadel viel, veegde Karede behendig zijn kling af aan de witte manen van zijn ruin, voor het dier op de loop ging. Er waren ook tijden voor wat uiterlijk vertoon.

‘We verzamelen wat verzameld kan worden, Nadoe,’ zei hij alsof Jadranka nooit iets had gezegd. Alsof hij er nooit was geweest. ‘We redden wat gered kan worden en trekken ons terug.’ Hij draaide zich om en wilde de pas inrijden waar bliksems flitsten en het onweer donderde, maar beval eerst Anghar, een jongeman die hem beheerst aankeek, op zijn snelle paard naar het oosten te rijden en verslag te doen van wat hier was voorgevallen. Misschien zou een vlieger het zien en misschien ook niet, hoewel Karede nu wel een idee had waarom ze zo laag vlogen. Hij vermoedde ook dat Hoogvrouwe Suroth en de generaals in Ebo Dar al wisten wat zich hier afspeelde. Was vandaag de dag dat hij voor de keizerin stierf? Hij zette met een por zijn paard aan.

Vanaf de vlakke, karig begroeide rotshoogte tuurde Rhand over het woud voor hem naar het westen. Met de Ene Kracht in hem – het leven zo zoet, het vuil o zo smerig – kon hij elk afzonderlijk blaadje zien, maar het was niet genoeg. Tai’daishar stampte met een hoef. Achter hem rezen ruim een span boven de boomkruinen links en rechts kartelige pieken op, maar deze rotshoogte lag ver boven de bomen in een heuvelig dal van wel een roede lang en bijna even breed. Daar was alles stil. Even stil als de Leegte waarin hij zweefde. Op dit ogenblik was het tenminste stil. Hier en daar stegen pluimpjes rook op waar twee of drie bomen als fakkels brandden. Alleen doordat het overal zo nat was, stond het hele dal niet in lichterlaaie. Flin en Dashiva waren de enige Asha’man bij hem. Alle anderen bevonden zich beneden in het dal. Het tweetal stond even verder aan de boszoom en hield hun paarden bij de teugel vast en staarde naar het bos in de diepte. Nou ja, Flin keek even scherp rond als Rhand zelf. Dashiva wierp er zo nu en dan een blik op, bewoog zijn mond en mompelde soms iets in zichzelf waardoor Flin met zijn voeten schuifelde en hem tersluiks opnam. Beide mannen waren vervuld van de Ene Kracht. Die stroomde bijna over, maar voor de verandering zei Lews Therin er niets van. De man leek zich de laatste paar dagen weer in toenemende mate te verschuilen.

Aan de hemel gloorde zowaar wat zonlicht, tussen de her en der drijvende grijze wolken. Het was nu vijf dagen geleden dat Rhand zijn legertje naar Altara had geleid, vijf dagen sinds hij zijn eerste Seanchaanse dode had gezien. Sindsdien had hij er heel wat meer gezien. Een gedachte gleed over het oppervlak van de Leegte. Hij kon door zijn handschoen heen het reigerbrandmerk in zijn handpalm tegen de drakenstaf voelen drukken. Stilte. Nergens waren van die vliegende beesten te zien. Drie ervan waren door bliksems uit de hemel gesabeld, voor hun berijders hadden geleerd afstand te bewaren. Bashere was buitengewoon geboeid geweest door die schepsels. Stilte. ‘Misschien is het afgelopen, mijn heer Draak.’ De stem van Ailil klonk kalm en koel, maar ze gaf klopjes op de nek van haar merrie, hoewel het dier niet gekalmeerd hoefde te worden. Ze nam Flin en Dashiva steels op en rechtte haar rug, niet bereid ook maar een haartje verontrusting voor die twee te tonen.

Rhand merkte dat hij zat te neuriën en hield er snel mee op. Dat was Lews Therins gewoonte als die naar een mooie vrouw keek, niet de zijne. Niet de zijne. Licht, als hij alle maniertjes van die kerel over ging nemen, terwijl hij niet eens aanwezig was... Onverwachts klonk er hol gedonder in het dal. Op ruim twee span afstand spoot vuur uit de bomen, en opnieuw en nog eens. Bliksems troffen het woud in de buurt van de oplaaiende grote vlammen. Enkele sloegen in als hoekige blauwwitte speren. Een wirwar van bliksemschichten en vuur en daarna was alles weer stil. Ditmaal hadden de bomen geen vlam gevat. Een deel ervan was saidin geweest. Een deel.

Er steeg geschreeuw op, zacht en veraf, denkelijk uit een ander deel van het dal. Zelfs voor zijn saidin-gehoor te ver om het gekletter van staal op te vangen. Ondanks alles werd de strijd niet alleen gevoerd door Asha’man, Toegewijden en Soldaten.

Anaiyella blies lang en hoorbaar de adem uit die ze moest hebben ingehouden toen de strijd met de Kracht uitbrak. Ze bleef onverstoorbaar wanneer mannen met staal vochten. Vervolgens ging zij haar paard op de nek kloppen. De ruin had alleen schichtig zijn oor verdraaid. Rhand had dat vaker opgemerkt bij vrouwen. Wanneer een vrouw opgewonden was, probeerde ze heel vaak anderen gerust te stellen, of dat nou nodig was of niet. Een paard was al voldoende. Waar was Lews Therin?

Geërgerd boog hij zich naar voren om het groene lover van het woud weer te bestuderen. De meeste bomen verloren nooit hun blad -naaldbomen, eiken, pijnbomen, lederbladbomen – en ondanks de afgelopen droogte vormden ze een alles verhullend scherm, zelfs voor zijn versterkte gezichtsvermogen. Half verstrooid raakte hij de smalle rol onder zijn stijgbeugel aan. Hij kon ingrijpen. Blind toeslaan. Hij kon naar beneden rijden, het bos in. En slechts in staat zijn tien pas rond te zien. Daar beneden zou hij weinig meer kunnen doen dan een Soldaat.

Iets verder op de rotshoogte opende zich een poort tussen de bomen. De zilveren streep verwijdde zich tot een gat waarachter andere bomen en dicht winters bruin struikgewas zichtbaar waren. Een Soldaat met een geelbruine huid, een snorretje en een parel in het oor kwam er te voet doorheen en liet de poort verdwijnen. Hij schoof een sul’dam voor zich uit. Haar polsen waren op haar rug gebonden. Ze was een knappe vrouw, afgezien van de paarse plek aan de zijkant van haar hoofd. Die paste heel goed bij haar dreigende blik en haar verkreukelde en gevlekte kleren. Ze keek minachtend om naar de Soldaat, terwijl die haar over de rotshoogte naar Rhand toe duwde, waarna ze Rhand vuil aankeek.