Выбрать главу

De Soldaat verstrakte en groette keurig. ‘Soldaat Arlen Nalaam, mijn heer Draak,’ blafte hij, star naar Rhands zadel starend. ‘De bevelen van mijn heer Draak waren alle gevangen vrouwen naar hem toe te brengen.’

Rhand knikte. Hij bekeek gevangenen om er zeker van te zijn wat ze waren terwijl iedere stommeling dat al meteen kon zien; hij wilde daarmee de schijn ophouden dat hij iets deed. ‘Breng haar naar de karren, Soldaat Nalaam, en hervat dan de strijd.’ Hij knarste bijna met zijn tanden na deze woorden. Hervat de strijd. Terwijl Rhand Altor, de Herrezen Draak en de koning van Illian, op zijn paard naar de boomtoppen zat te staren.

Nalaam groette weer voor hij de vrouw verder duwde, maar hij deed dat zeer haastig. Ze keek weer om, maar ditmaal niet naar de Soldaat. Naar Rhand. Met grote ogen en een open mond van verbijstering. Om de een of andere reden liet Nalaam haar pas stilstaan op de plek waar hij was verschenen. Terwijl hij alleen een eindje van de paarden af hoefde te gaan om die niet te verwonden. ‘Wat doe je?’ wilde Rhand weten terwijl saidin de man vervulde. Nalaam draaide zich half en half om en aarzelde even. ‘Het schijnt hier gemakkelijker te gaan als ik een plek gebruik waar ik al een poort heb gevormd, mijn heer Draak. Saidin... saidin voelt... vreemd... voor mij, hier.’ Zijn gevangene keerde zich om en keek hem fronsend aan.

Even later gebaarde Rhand hem verder te gaan. Flin deed net of hij belangstelling had voor het zadeltuig van zijn paard, maar de kalende oude man glimlachte licht. Zelfvoldaan. Dashiva... giechelde. Flin had als eerste vermeld dat er in dit dal een vreemd gevoel aan saidin zat. Natuurlijk hadden Narishma en Hopwil het opgevangen en Mor had er zijn verhalen over die vreemdheid rond Ebo Dar aan toegevoegd. Het was geen wonder dat iedereen nu beweerde iets te voelen, hoewel niemand kon zeggen wat. Saidin voelde gewoon... Vreemd. Licht, hoe kon het anders aanvoelen, met zo’n smerige smet op de mannelijke helft van de Bron? Rhand hoopte dat ze niet allemaal zijn nieuwe soort misselijkheid zouden opdoen. Nalaams poort opende zich en verdween achter hem en zijn gevangene. Rhand voelde tastend echt naar saidin. Leven en bederf vermengden zich. Ijs waarbij het hart van de winter warm leek en vuur waarbij vlammen koel bleven, dood wachtend op een vergissing. Verlangend naar zijn vergissing. Het voelde niet anders aan. Of wel? Hij keek dreigend naar de plek waar Nalaam was verdwenen. Nalaam en de vrouw.

Ze was de vierde sul’dam die vanmiddag gevangen was genomen. Daarmee hadden ze nu drieëntwintig sul’dam bij de wagens. En twee damane, ieder nog steeds aan hun zilverige lijn en met de halsband om. Ze werden gescheiden op verschillende karren meegevoerd. Met die halsbanden konden ze drie stappen doen voor ze nog misselijker werden dan Rhand bij het grijpen naar de Ware Bron. Hij wist niet zeker of de zusters bij Mart het uiteindelijk prettig zouden vinden hen te ontvangen. De eerste damane, nu drie dagen geleden, had hij eigenlijk geen gevangene gevonden. Een slanke vrouw met lichtblond haar en grote blauwe ogen. Hij vond haar een bevrijde Seanchaanse gevangene. Volgens hem. Maar toen hij een sul’dam dwong de halsband, haar a’dam, van de vrouw te verwijderen, riep ze krijsend haar sul’dam toe haar te helpen waarna ze met de Ene Kracht wild had uitgehaald. Ze had zelfs haar nek voor de sul’dam gebogen om het ding weer om te doen. Negen Verdedigers en een Soldaat waren gestorven voor ze afgeschermd was. Gedwyn zou haar ter plekke gedood hebben als Rhand hem niet had tegengehouden. De Verdedigers voelden zich bijna even slecht op hun gemak bij geleidsters als anderen bij Asha’man, en de Verdedigers wilden haar nog steeds dood hebben. Ze hadden de laatste dagen verliezen geleden maar dat hun manschappen werden gedood door een gevangene scheen een belediging.

Er waren meer gevallenen dan Rhand verwacht had. Eenendertig Verdedigers dood en zesenveertig Gezellen. Meer dan tweehonderd onder de mannen van zijn Legioen en de wapenknechten samen. Zeven Soldaten en een Toegewijde, mannen die Rhand voor zijn oproep naar Illian te komen, nooit had ontmoet. Te veel, als je bedacht dat alles behalve de ergste verwondingen geheeld kon worden, als een man zich tenminste aan het leven kon vasthouden tot een geleider verscheen. Maar hij dreef de Seanchanen wel naar het westen. Heel snel.

Nog meer geschreeuw steeg op ergens ver en diep in het dal. Zo’n drie span naar het westen vlamde vuur op en sloegen bliksems in die bomen ontwortelden. Bomen en rotsen ontploften op een berghelling verderop, een lange rij vreemde fonteinen. Bulderend gedonder onderdrukte het geschreeuw. De Seanchanen trokken zich terug. ‘Zorg dat je daarginds komt,’ beval Rhand Flin en Dashiva. ‘Allebei. Zoek Gedwyn op en zeg hem dat ik wil dat ze teruggedreven worden. Sla ze terug!’

Dashiva schonk het woud onder hem een grijns en begon vervolgens onhandig zijn paard over de rotshoogte mee te trekken. De man was onhandig met paarden of hij ze nu leidde of bereed. Hij struikelde bijna over zijn eigen zwaard!

Flin keek bezorgd naar Rhand op. ‘Bent u van plan hier in uw eentje te blijven, mijn heer Draak?’

‘Ik ben nauwelijks alleen,’ merkte Rhand droogjes op en wierp een blik op Ailil en Anaiyella. Die waren teruggereden naar hun wapenknechten, bijna tweehonderd lansiers die stonden te wachten op de plek waar de rotshoogte naar het oosten omlaag liep. Voor hen stond Denharad fronsend door de spijlen van zijn helm te kijken. Hij had nu het bevel over beide groepen en als zijn bezorgdheid zowel Ailil als Anaiyella gold, dan stonden zijn mannen in elk geval heel stoer opgesteld om mogelijke aanvallers weg te houden. Bovendien had Weiramon de noordelijke toegang tot deze rotsrand zo afgesloten dat er volgens hem nog geen vlieg door kon. Bashere stond in het zuiden opgesteld. Zonder op te scheppen of er een woord aan vuil te maken had hij daar een muur van lansen opgesteld. En de Seanchanen trokken zich terug, ik ben trouwens zeker niet hulpeloos, Flin.’ Flin keek werkelijk heel twijfelend en krabde aan het randje witte haar voor hij groette en zijn paard naar Dashiva’s uitdovende poort leidde. Flin schudde hinkend zijn hoofd en mompelde in zichzelf alsof hij Dashiva was. Rhand wilde hem afsnauwen. Hij kon niet krankzinnig worden en zij evenmin.

Flins poort verdween en Rhand keek weer naar de boomtoppen. Het was stil. De tijd strekte zich verstild uit. Dit plan om de buitenposten in de bergen te veroveren was een slecht plan. Hij was bereid dat nu toe te geven. In deze streek kon je zonder iets te vermoeden een halve span van een leger afzitten. In die dichtbegroeide bossen daar beneden kon je wel op tien voet afstand van ze staan zonder het te weten! De Seanchanen dienden op een betere plek aangevallen te worden. Hij moest nodig...

Opeens moest hij saidin bevechten, moest hij uitbarstingen bestrijden die probeerden uit zijn schedel te spatten. De Leegte verdween, smolt weg door die aanval. Verwoed en wazig liet hij de Bron los voor die hem kon doden. Misselijkheid draaide knopen in zijn buik. Hij zag dubbel en ontdekte twee Kronen van Zwaarden. Op de bosgrond, in een dikke bladerlaag, vlak voor zijn gezicht! Hij lag op de grond! Hij leek niet goed adem te kunnen halen en zocht wanhopig naar lucht. Er was een stukje van een gouden laurierblad op de kroon afgebroken en aan verschillende gouden zwaardpunten zat bloed. Een knoop hete pijn in zijn zij zei hem dat zijn nooit geheelde wonden weer waren opengebarsten. Hij probeerde zich omhoog te duwen en schreeuwde luid. Stomverbaasd staarde hij naar de donkere veren van een pijl in zijn rechterarm. Kreunend stortte hij weer neer.

Er stroomde iets langs zijn gezicht. Iets droop voor zijn oog omlaag. Bloed.

Vaag drong zangerig geschreeuw door. Ruiters verschenen tussen de bomen in het noorden en galoppeerden over de rotshoogte naderbij. Sommigen hadden de lans omlaag, anderen schoten hun kleine bogen af, zo snel als ze konden aanleggen en trekken. Ruiters in blauwgele wapenrusting van overlappende metaalplaten en met helmen als enorme insectenkoppen. Seanchanen. Een paar honderd blijkbaar. Uit het noorden. Geen vlieg kan erdoor, Weiramon? Moeizaam reikte Rhand naar de Ware Bron. Het was te laat om zich zorgen te maken over overgeven of flauwvallen. Een andere keer zou hij erom gelachen hebben. Hij vocht... Het leek of hij in het donker met verdoofde vingers naar een speld tastte.