Tijd om te sterven, fluisterde Lews Therin. Rhand had altijd geweten dat Lews Therin bij zijn einde aanwezig zou zijn. Op nog geen vijf stappen van Rhand stortten schreeuwende Tyreners en Cairhienin zich op de Seanchanen.
‘Vecht, honden,’ gilde Anaiyella en liet zich met een zwaai uit haar zadel glijden. ‘Vecht!’ De slanke vrouw in zijde en kant braakte een reeks vloeken uit waarvan een voerman zou droogvallen. Anaiyella stond met de teugels van haar rijdier in de hand en verdeelde haar woeste blikken tussen de chaos van mannen in staal en Rhand. Het was Ailil die hem op zijn rug draaide. Geknield keek ze met nietszeggende grote donkere ogen op hem neer. Hij leek zich niet te kunnen bewegen. Hij voelde zich leeg en wist niet zeker of hij met zijn ogen kon knipperen. Geschreeuw en het gekletter van staal schalden in zijn oren.
‘Als hij hier bij ons sterft, zal Bashere ons laten hangen!’ Op dit ogenblik was Anaiyella zeer zeker niet onnozel. ‘Als die monsters in zwarte jassen ons in handen krijgen...’ Ze beefde en boog zich naar Ailil toe, zwaaiend met een dolk die hij niet eerder in haar hand had gezien. Op de greep vonkte een bloedrode robijn. ‘Je lanskapitein kan genoeg mannen missen om ons veilig weg te krijgen. We kunnen vele spannen ver zijn voor hij wordt gevonden. Dan zijn we weer terug op ons landgoed tegen de tijd...’
‘Ik denk dat hij ons hoort,’ onderbrak Ailil haar kalm. Haar rood gehandschoende hand bewoog naar haar middel. Stopte ze een mes terug? Of trok ze er een? ‘Als hij hier sterft...’ Ze zweeg onverwachts, zoals de ander had gedaan en haar hoofd schoot omhoog. Hoeven donderden aan beide kanten langs Rhand heen, brede galopperende colonnes. Naar het noorden, op de Seanchanen af. Met het zwaard in de hand hield Bashere nauwelijks zijn paard in, voor hij uit zijn zadel sprong. Gregorin Panar stapte wat langzamer af, maar zwaaide met zijn zwaard naar de langsrijdende mannen. ‘Sla toe voor Koning en Illian!’ schreeuwde hij. ‘Sla toe! De Heer van de Morgen! De Heer van de Morgen!’ Het geluid van kletterend staal werd nog luider. Net als het geschreeuw.
‘Het moest zo wel aflopen,’ gromde Bashere en gunde de twee vrouwen een achterdochtige blik. Hij verknoeide echter geen tel voor hij zijn stem verhief om boven het strijdrumoer uit te komen. ‘Mor! Ik vil je, Asha’man. Kom hier! Snel!’ Hij schreeuwde gelukkig niet rond dat de Drakenheer was gevallen, het Licht zij dank. Met veel moeite draaide Rhand zijn hoofd een paar duim om. Voldoende om te zien dat de Illianers en Saldeanen naar het noorden doorstootten. De Seanchanen moesten zich hebben teruggetrokken. ‘Mor!’ De naam loeide door Basheres snor en Mor zelf liet zich van een galopperend paard vallen, bijna boven op Anaiyella. Ze keek vergramd omdat hij zich niet verontschuldigde, toen hij naast Rhand neerknielde en de donkere haren uit diens gezicht veegde. Ze schoof echter heel snel naar achteren bij het besef dat hij ging geleiden en sprong daarna nog verder weg. Ailil stond veel bevalliger op, maar stapte niet echt trager opzij. Een dolk met een zilveren greep ging weer in de schede aan haar middel.
De Heling was eenvoudig maar niet echt gemakkelijk. De veren werden van de pijl gebroken, waarna die met een felle ruk door Rhands lichaam werd geslagen. Het ontlokte een gesmoorde kreet aan zijn lippen, maar het gebeurde alleen om de wond vrij te maken. Vuil en licht ingegraven deeltjes zouden wegvallen terwijl het vlees aaneengroeide, maar alleen Flin en enkele anderen konden de Ene Kracht toepassen om diep ingedrongen voorwerpen te verwijderen. Mor liet twee vingers op Rhands borst liggen en weefde de Heling terwijl hij strak keek en zijn tong tussen de tanden hield. Op die manier deed hij het altijd. Op een andere manier kon hij het niet. Het waren niet de ingewikkelde stromen van Flin. Dat konden maar weinigen en tot dusver niemand zo goed als Flin. Dit was eenvoudiger. En ruwer. Hittegolven stroomden door Rhand, sterk genoeg om hem te laten kreunen en uit elke porie te laten zweten. Hij rilde even van top tot teen. Roosteren in een oven moest zo aanvoelen.
De plotselinge hitte ebde weg en Rhand lag te hijgen. In zijn hoofd hijgde Lews Therin eveneens. Dood hem! Dood hem! Telkens en telkens weer.
Rhand liet de stem verstommen tot een zwak gezoem en bedankte Mor. De jongeman knipperde met zijn ogen alsof het hem verbaasde! Rhand pakte de drakenstaf van de grond en duwde zich overeind. Toen hij weer stond, zwaaide hij enigszins heen en weer. Bashere wilde hem een arm aanbieden maar trok zich na zijn gebaar terug. Rhand kon zonder hulp staan. Nog net. Maar hij had net zo goed kunnen geleiden als vliegen door met zijn armen te wapperen. Toen hij aan zijn zij voelde, was zijn hemd nat van het bloed, maar de oude ronde wond en de nieuwe snee voelden slechts kwetsbaar aan. Amper half geheeld, maar nadat hij ze had opgelopen waren ze eigenlijk nooit veel beter geweest.
Heel even nam hij beide vrouwen op. Anaiyella mompelde vaagweg iets van geluk gewenst en schonk hem een glimlach, waardoor hij zich afvroeg of ze van plan was zijn pols te likken. Ailil stond heel stijf rechtop, heel koel, alsof er niets was voorgevallen. Waren ze echt van plan geweest hem stervend achter te laten? Of hem te doden? Maar waarom hadden ze dan hun wapenknechten laten aanvallen en waren zij komen aansnellen om te zien hoe het met hem was? Aan de andere kant had Ailil wel haar mes getrokken terwijl ze over zijn dood spraken.
De meeste Saldeanen en Illianers galoppeerden naar het noorden of reden de helling van de rotshoogte af om de laatste Seanchanen te achtervolgen. Waarna Weiramon uit het noorden verscheen. Hij reed in een trage draf op een groot glanzend zwart paard, dat hij bij het zien van Rhand aanspoorde. Zijn wapenknechten reden in twee rijen achter hem aan.
‘Mijn heer Draak,’ zong de Hoogheer bij het afstijgen. Hij leek nóg steeds even schoon als in Illian. Bashere zag er gekreukeld uit en hier en daar wat smerig, terwijl Gregorins mooie kleren vol vlekken zaten en er bovendien een mouw was opengesneden. Weiramon voltooide een buiging die in een koningshof nog groots zou zijn geweest. ‘Vergeef me, mijn heer Draak. Ik meende Seanchanen bij de rotshoogte te zien en wilde ze opvangen. Ik had nooit vermoed dat er nog een andere tweehand was. U kunt zich niet voorstellen hoeveel pijn het mij zou doen als u gewond zou zijn geraakt.’ ik meen het wel te weten,’ merkte Rhand droogjes op en Weiramon knipperde met z’n ogen. Naderende Seanchanen? Misschien. Weiramon zou altijd een kans op een aanval tot zijn meerdere eer en glorie aangrijpen. ‘Wat bedoelde je, Bashere, met aflopen?’
‘Ze trekken zich terug,’ antwoordde Bashere. Beneden hen schoten vuur en bliksems even omhoog als om het te logenstraffen, maar het was bijna aan het eind van het dal.
‘Üw... verkenners zeggen dat ze zich allemaal terugtrekken,’ zei Gregorin terwijl hij langs zijn baard streek en Mor tersluiks en verontrust aankeek. Mor grijnsde het wit van zijn tanden bloot. Rhand had gezien hoe de Illianer zijn mannen midden in het gevecht had aangevoerd, aanmoedigingen schreeuwend, met zijn zwaard zwaaiend en niets ontziend, maar voor Mors grijns deinsde hij achteruit. Vervolgens kwam Gedwyn onbeschaamd aanbenen. Hij voerde zijn paard zorgeloos mee en keek Bashere en Gregorin bijna spottend aan. Hij fronste naar Weiramon, alsof hij reeds op de hoogte was van diens stommiteit en nam Ailil en Anaiyella op alsof hij hen wilde knijpen. De twee vrouwen trokken zich haastig voor hem terug. Dat deden de mannen echter ook, met uitzondering van Bashere. Zelfs Mor. Gedwyns groet voor Rhand was een achteloos klopje op de borst, ik heb verkenners uitgestuurd zodra ik zag dat het hier geklaard was. Er zijn binnen een afstand van tien span nog drie colonnes.’