Выбрать главу

‘Alle drie op weg naar het westen,’ bracht Bashere kalm naar voren, maar hij keek Gedwyn ook zo scherp aan dat zijn blik een steen had kunnen doorsnijden. ‘Je hebt het klaargespeeld. Ze trekken zich echt terug. Allemaal. Ik betwijfel of ze voor Ebo Dar nog halt zullen houden. Veldtochten eindigen niet altijd met een grote overwinningsoptocht in een hoofdstad en deze is afgelopen.’

Het was verrassend – maar misschien ook niet – dat Weiramon redenen opwierp om verder op te trekken en ‘Ebo Dar in te nemen voor de eer en roem van de Heer van de Morgen’. In die bewoordingen. Het was een nog grotere schok om Gedwyn te horen zeggen dat hij het niet erg vond nog enkele rake tikken aan die Seanchanen uit te delen en nog minder erg om Ebo Dar te bezoeken. Zelfs Ailil en Anaiyella stemden ervoor om ‘voor eens en altijd een eind aan de Seanchanen te maken’, al voegde Ailil eraan toe dat ze dat liever deed om zodoende te voorkomen hier ooit nog eens heen te moeten om het af te maken. Ze wist wel zeker dat zij dan op aandringen van de heer Draak hem hierbij zou vergezellen. Het werd allemaal gezegd op een toon die even koel en droog was als een nacht in de Aielwoestenij.

Alleen Bashere en Gregorin stemden voor de aftocht en ze gingen steeds harder praten naarmate Rhand langer bleef zwijgen en stil naar het westen staarde. Naar Ebo Dar.

‘We hebben gedaan wat we kwamen doen,’ hield Gregorin vol. ‘Bij de genade van het Licht! Wilt u de stad Ebo Dar innemen?’ Ebo Dar innemen, dacht Rhand. Waarom niet? Niemand rekende daarop. Een volkomen verrassing voor de Seanchanen en voor ieder ander.

‘Er zijn tijden dat je je voordeel grijpt en verder rijdt,’ gromde Bashere. ‘Er zijn andere tijden dat je je winst oppakt en naar huis gaat.

Ik zeg dat het tijd is om naar huis te gaan.’

Ik zou het niet erg vinden jou in mijn geest te hebben, zei Lews Therin – het klonk bijna volkomen gezond – als je niet overduidelijk gek was.

Ebo Dar. Rhand omklemde de drakenstaf nog steviger en Lews Therin kraaide van het lachen.

24

Een tijd voor ijzer

Duizend roede ten oosten van Ebo Dar gleden raken uit de wolkenlagen van de zonsopgang om te landen op een lang weiland dat met gekleurde linten aan hoge palen als vliegersveld was gemerkt. De bruine grassprieten waren allang vertrapt en stukgelopen. De sierlijkheid van de dieren in de lucht verdween zodra hun klauwen de grond in een rommelige ren raakten, waarbij de ruim dertig pas lange, leerachtige vlerken omhoog werden gehouden alsof de dieren zich weer naar boven wilden zwiepen. Er zat weinig schoonheid in een raken die met de vleugels wapperde tijdens zijn onhandige ren over het veld. De vliegers zaten ineengedoken in het zadel alsof ze het beest puur op kracht wilden optillen. Het dier holde door tot het eindelijk de lucht in zwalkte, waarbij de vleugelpunten de olijfbomen aan het eind van het veld net niet raakten. Alleen met het winnen van hoogte en de draai naar de zon en het scheren tussen de wolken herwon de raken zijn waardige grootsheid. Gelande vliegers deden geen moeite om af te stijgen. Terwijl een grondman een mand ophield en de raken handen vol verschrompelde vruchten verzwolg, gaf een van de vliegers het verkenningsverslag af aan een oudere grondman. De ander boog zich aan de andere kant opzij om nieuwe opdrachten te ontvangen van een vlieger die te hoog in rang was om nog regelmatig zelf de teugels ter hand te nemen. Bijna meteen daarop werd het beest al aan de teugel naar de plek geleid waar vier of vijf andere op hun beurt wachtten voor hun lange stuntelige ren naar de hemel.

Zo snel mogelijk, heen en weer schietend tussen zich verplaatsende groepen ruiterij en voetvolk, droegen de boodschappers die verslagen naar de immense bevelvoerderstent met de rode banieren. Er stonden hooghartige Tarabonse lansiers en sterke Amadiciaanse piekeniers in keurig nette rechthoeken. Hun borstplaten vertoonden horizontale banen in de kleuren van de legerafdelingen waarvan ze deel uitmaakten. Lichte Altaraanse ruiterij liet in ordeloze groepjes hun rijdieren wat dansen, trots op de rode strepen die kriskras over hun borst liepen, zo sterk verschillend van de aanduidingen bij ieder ander. De Altaranen wisten niet dat die tekens ongeregelde troepen van twijfelachtige betrouwbaarheid aanduidden. Onder de Seanchanen bevonden zich befaamde legerafdelingen uit alle delen van het keizerrijk. Mannen met lichte ogen uit Alqam, honingbruine mannen uit N’kon, en roetzwarte mannen uit Khoweal en Dalenshar. Er waren morat’torm op hun slanke rijdieren met bronzen schubben, waarvoor paarden hinnikten en bevreesd terugdansten, en zelfs enkele morat’grolm met hun gedrongen dieren met snavelbekken. Er ontbrak echter iets wat altijd en overal een Seanchaans leger begeleidde. En die afwezigheid gaf te denken. De sul’dam en damane waren nog in hun tenten. Kapitein-generaal Kennar Miraj dacht geregeld na over sul’dam en damane.

Vanuit zijn zetel op de verhoging kon hij de kaartentafel goed zien, waar ongehelmde sarzanten de verslagen nakeken en pionnen neerzetten om eenheden te velde weer te geven. Tekens op kleine papieren baniertjes boven elke pion beschreven de grootte en samenstelling van de eenheid. Nergens in deze landen waren behoorlijke landkaarten te vinden, maar de op de grote tafel getekende kaart voldeed. En baarde hem zorgen door wat hij aangaf. Zwarte schijven voor buitenposten die onder de voet waren gelopen of spoorloos verdwenen. Het waren er veel te veel en de zwarte schijven bedekten de gehele oostelijke helft van de Venirketen. Rode wiggetjes voor optrekkende legergroepen bezetten dicht op elkaar het westelijke gedeelte, maar alle punten wezen terug naar Ebo Dar. En verspreid tussen die zwarte schijven blonken zeventien bleekwitte rondjes. Terwijl hij toekeek, plaatste een jonge officier in het bruinzwart van een morat’torm zorgvuldig een achttiende. Vijandelijke strijdkrachten. Enkele schijven gaven misschien een eenheid aan die tweemaal was opgemerkt, maar dat werd weerlegd doordat er zoveel ver uiteen lagen en de tijd van waarneming daarmee niet klopte. Langs de wanden van de tent zaten in eenvoudige bruine jassen waarop alleen de rangtekens van schrijver op de brede kraag waren aangebracht, mannen te wachten aan hun schrijftafels, de pen gereed om de bevelen die Miraj zou verstrekken, over te schrijven zodat ze uitgedeeld konden worden. Hij had elk bevel dat hij kon bedenken reeds gegeven. Er waren zeker negentigduizend vijandelijke soldaten in de bergen, bijna tweemaal zoveel als hij er zelfs met de plaatselijke lichtingen tegen kon inzetten. Het was echt een ongelooflijk groot aantal, maar verkenners logen niet. Een leugenaar werd door zijn maten de keel afgesneden. Het waren er te veel. Ze sprongen uit de bodem op als kuilwormen in de Sen T’jore. Gelukkig hadden ze nog honderden spannen bergachtig gebied te gaan als ze van plan waren Ebo Dar aan te vallen. Bijna tweehonderd voor de witte schijven die het meest naar het oosten waren geplaatst. En daarna nog zo’n honderd span heuvels. De vijandelijke generaal zou zeker niet willen dat zijn verspreide troepen een voor een zouden worden ingemaakt. En al die troepen verzamelen zou tijd kosten. Dus op dit ogenblik bood de tijd hem enige hulp.

De toegangsflappen van de tent werden opzij geveegd en Hoogvrouwe Suroth gleed naar binnen. Haar zwarte haren vormden een trotse kam die tot op haar rug afhing. Ze droeg een sneeuwwit geplooid gewaad en een rijk geborduurde overmantel die op wonderbaarlijke wijze geen spatje modder van buiten vertoonde. Hij had gedacht dat ze nog steeds in Ebo Dar was, ze moest hier met een to’raken naartoe zijn gevlogen. Ze werd vergezeld door een klein gevolg. Voor haar doen tenminste. Twee doodswachtgardisten met zwarte klossen aan hun gevest hielden het tentdoek opzij en buiten stonden nog meer mannen met rotsharde gezichten in het roodgroen. De belichaming van de keizerin, moge ze eeuwig leven. Zelfs het Bloed merkte hen op. Suroth zweefde langs hen heen alsof ze net zulke alledaagse dienaren waren als de da’covale met haar weelderige lichaam in een bijna doorzichtig wit gewaad. Ze liep op muiltjes en had haar honinggele haren in vele smalle vlechtjes. Ze droeg het vergulde schrijftafeltje gedwee twee pas achter Suroth aan. Suroths Stem van het Bloed, Alwhin, een woest kijkende vrouw in een groen gewaad wier hoofd links was geschoren en wier lichtbruine haar op de andere helft in een strakke vlecht zat, volgde haar meesteres op de hielen. Toen Miraj van de verhoging stapte, besefte hij geschokt dat de tweede da’covale achter Suroth een damane was, met kort donker haar en heel slank in haar doorzichtige gewaad. Een damane gekleed als eigendom was ongehoord, maar nog vreemder was dat het Alwhin was die haar aan de a’dam voortleidde. Niets van zijn verbazing was zichtbaar toen hij mompelend op een knie neerknielde. ‘Het Licht strale op Hoogvrouwe Suroth. Alle eer aan Hoogvrouwe Suroth.’ Ieder ander wierp zich met neergeslagen ogen op het grondzeil neer. Miraj was van het Bloed, al was hij te laag in rang om net als Suroth de zijkant van zijn hoofdhuid te scheren. Alleen zijn pinknagels waren gelakt. Veel te laag om verrassing te tonen indien een Hoogvrouwe haar Stem toestond als een sul’dam te blijven handelen nadat ze tot de so’jhin was verheven. Vreemde tijden in een vreemd land, waar de Herrezen Draak rondwaarde en marath’damane vrij waren om mensen te doden of tot slaaf te maken.