Suroth gunde hem amper een blik voor ze zich omdraaide en de kaart bekeek. Als haar zwarte ogen zich samenknepen, dan was daar wel reden toe. Onder haar had de Hailene veel meer gedaan dan was gedroomd en grote stukken van de gestolen landen waren teruggewonnen. Zij waren slechts uitgezonden om de weg te verkennen en na Falme hadden sommigen zelfs dat onmogelijk geacht. Ze trommelde geërgerd met haar vingers op de tafel en de twee blauwgelakte nagels van haar wijs- en middelvinger klikten. Als het allemaal goed bleef gaan, zou ze wellicht haar hoofd geheel mogen scheren en aan elke hand een derde nagel mogen lakken. Opname in de keizerlijke familie was voor het bereiken van zoiets geweldigs al eerder voorgekomen. En als ze te ver stapte, zichzelf voorbij stapte, zouden op een goede dag haar nagels geknipt worden en zou ze in een heel dun gewaad worden gestoken om iemand van het Bloed te dienen, of misschien wel aan een boer worden verkocht om stenen uit een akker te gooien, of om in een vrachtloods te mogen zweten. In het ergste geval hoefde Miraj slechts zijn eigen slagaderen te openen. Hij bleef Suroth geduldig zwijgend in het oog houden, maar hij was onderkapitein geweest bij de verkenners, een morat’raken, voor hij tot het Bloed was verheven en onbewust lette hij op alles om zich heen. Een verkenner leefde of stierf door wat hij zag of niet zag, evenals andere mensen. Mannen lagen overal in de tent met hun gezicht op de grond en sommigen leken nauwelijks te ademen. Suroth had zich met hem moeten afzonderen zodat zij met hun werk konden doorgaan. Een boodschapper werd door de gardisten bij de ingang weggestuurd. Hoe belangrijk was het bericht dat de vrouw ondanks de doodswachtgardisten naar binnen wilde?
Zijn oog viel op de da’covale met het schrijftafeltje. Norse blikken flitsten uit dat mooie poppengezichtje en werden slechts enkele ogenblikken onderdrukt. Eigendom dat boosheid liet merken? Er was nog iets anders. Haar ogen schoten naar de damane die met gebogen hoofd toch nieuwsgierig rond stond te gluren. De bruinogige da’covale en de damane met de lichte ogen leken volkomen van elkaar te verschillen, maar er was iets wat ze deelden. Iets in hun gezicht. Vreemd, hij had niet kunnen zeggen hoe oud een van beiden was. Al had hij nog zo snel gekeken, het was Alwhin toch opgevallen. Met een ruk aan de zilveren lijn van de a’dam trok ze de damane met het gezicht op het grondzeil. Ze knipte met haar vinger en wees met haar andere hand naar het zeil en grijnsde toen de honingblonde da’covale niet bewoog. ‘Neer, Liandrin!’ siste ze bijna binnensmonds. Met een woeste blik – woest! – zonk de da’covale op haar knieën terwijl haar hele gezicht pruilend vertrok.
Uiterst vreemd. Maar nauwelijks belangrijk. Onbewogen maar verder barstend van ongeduld wachtte hij af. Ongeduldig en behoorlijk ongemakkelijk. Hij was tot het Bloed verheven nadat hij getroffen door drie pijlen in één nacht vijftig span had gereden om het bericht te brengen dat Seandar zelf werd bedreigd door een leger opstandelingen. Hij had nog steeds last van zijn rug.
Eindelijk wendde Suroth zich van de tafel af. Ze gaf hem geen toestemming op te staan, laat staan haar als iemand van het Bloed te omarmen. Hij had dat ook eigenlijk niet verwacht. Hij stond zo ver onder haar. ‘Klaar om op te trekken?’ wilde ze kortaf weten. Gelukkig sprak ze niet door haar Stem tegen hem. Voor zoveel toekijkende officieren zou die schande hem gedwongen hebben de komende maanden, zo niet jaren zijn ogen neergeslagen te houden. ‘Dat zal ik zijn, Suroth,’ antwoordde hij kalm en keek haar aan. Hij was van het Bloed, al was het laag. ‘Ze kunnen zich niet binnen tien dagen aaneensluiten en dan kost het ze nog eens tien dagen om uit de bergen te komen. Ruim voor de dag dat ik...’
‘Ze kunnen hier morgen zijn,’ snauwde ze. ‘Vandaag! Als ze komen, Miraj, komen ze met de oude kunst van Reizen en het lijkt heel wel mogelijk dat ze komen.’
Hij hoorde de mannen op de grond bewegen voor ze zich weer beheersten. Suroth die haar gevoelens niet meer beheerste en sprookjes vertelde? ‘U weet het zeker?’ De woorden ontvielen hem voor hij ze tegen kon houden.
Dat zij zich niet meer beheerste, was slechts een lege gedachte geweest. Haar ogen spogen vuur. Ze greep de zoom van haar met bloemen bewerkte gewaad, de witte knokkels van haar handen beefden. ‘Twijfel je aan mij?’ snauwde ze ongelovig. ‘Laat het volstaan dat ik mijn bronnen heb.’ En ze was op die mensen even woest als op hem, besefte hij.
‘Als ze verschijnen, zullen er wellicht zo’n vijftig van die groots genaamde Asha’man zijn, maar niet meer dan vijf- of zesduizend soldaten. Blijkbaar zijn er vanaf het begin niet meer geweest, wat de vliegers ook zeggen.’
Miraj knikte langzaam. De Ene Kracht, waardoor vijfduizend man op de een of andere manier rondtrokken, zou veel verklaren. Wie waren haar bronnen, dat ze die aantallen zo precies kende? Hij was niet zo dom ernaar te vragen. Ze had zeker Luisteraars en Zoekers in dienst. Die haar ook in de gaten hielden. Vijftig Asha’man. De gedachte aan een geleider deed hem van afschuw spuwen. De geruchten vermeldden dat ze uit elk land bijeen werden gehaald, door de Herrezen Draak, die Rhand Altor, maar hij had nooit verwacht dat het er zoveel konden zijn. Er werd gezegd dat de Herrezen Draak kon geleiden. Dat was misschien wel waar, maar hij was dan ook de Herrezen Draak.
De Voorspellingen van de Draak waren in Seanchan al bekend voor Luthair Paendrag de Bestendiging was begonnen. In een verminkt afschrift werd iets heel anders geschreven dan in het zuivere verhaal van Luthair Paendrag. Miraj had verschillende delen van De Karaethon Reeks gezien die in deze landen waren gedrukt. Die waren ook allemaal verminkt, want geen enkele vermeldde dat hij de Kristallen Troon zou dienen. Niettemin leefden de Voorspellingen nog steeds in de geest en het hart van de mensen. Er waren er verschillenden die hoopten dat de Terugkeer spoedig zou komen en dat deze landen vóór Tarmon Gai’don teruggewonnen waren, zodat de Herrezen Draak de Laatste Slag kon winnen voor de eer van de keizerin, moge zij eeuwig leven. De keizerin zou zeker willen dat Altor voor haar werd geleid om te zien wat voor soort man haar diende. Er zouden geen moeilijkheden met Altor zijn, nadat hij voor haar was neergeknield. Weinigen schudden gemakkelijk het indrukwekkende ontzag bij het knielen voor de Kristallen Troon van zich af, waarbij het vurige verlangen om te gehoorzamen hun tong opdroogde. Maar het leek waarschijnlijk dat het gemakkelijker zou zijn die kerel op een schip zetten nadat die Asha’man waren afgehandeld. Ze moesten zeker worden vernietigd, maar dat moest wachten tot Altor hoog en droog op een schip over de Arythische Oceaan naar Seandar was afgevoerd.