Выбрать главу

Wat hem weer terugbracht bij het probleem dat hij trachtte te vermijden, besefte hij inwendig geschrokken. Hij was geen man die voor moeilijkheden terugdeinsde, laat staan ze blindelings negeerde, maar dit was volkomen anders dan alles wat hij eerder had ontmoet. Hij had een twintigtal veldslagen achter de rug waarbij beide partijen damane gebruikten. Hij wist hoe hij dat moest aanpakken. Het was niet slechts een zaak van toeslaan met de Ene Kracht. Ervaren sul’dam konden op de een of andere manier zien wat damane en marath’damane deden, en damane konden het aan de anderen doorgeven, zodat ze zich evengoed konden verdedigen. Konden sul’dam ook zien wat een man deed? Het werd allemaal erger... ‘U staat de sul’dam en damane aan me af?’ vroeg hij. Onwillekeurig haalde hij diep adem en voegde eraan toe: ‘Als ze nog steeds ziek zijn zal het gevecht aan onze kant heel bloederig en kort zijn.’ Wat ook weer beweging veroorzaakte bij de mannen die met hun gezicht tegen de grond lagen te wachten. De helft van de geruchten in het kamp ging over de ziekte die sul’dam en damane aan hun tent vastbond. Alwhin reageerde heel openlijk met een woeste blik, zeer ongepast voor een so’jhin. De damane kromp opnieuw in elkaar en begon meteen te rillen en huiveren. Vreemd dat de honingblonde da’covale eveneens in elkaar dook.

Glimlachend zweefde Suroth naar de geknielde da’covale. Waarom had ze een glimlach over voor een armzalig geoefend dienstmeisje? Ze begon de dunne vlechten te strelen en opeens verscheen er een pruilend trekje rond de rozenknopmond. Een vroegere vrouwe uit deze streken? Suroths eerste woorden onderstreepten dat, hoewel ze duidelijk aan hem waren gericht. ‘Een beetje falen kost een beetje, maar heel erg falen brengt pijnlijk grote kosten teweeg. Je zult de damane krijgen die je vraagt, Miraj. En je brengt die Asha’man een lesje bij dat ze in het noorden hadden moeten blijven. Je laat ze uit deze wereld verdwijnen. Alle Asha’man, alle soldaten, allen. Tot de laatste man, Miraj. Ik heb gesproken.’

‘Het zal zijn zoals u zegt, Suroth,’ antwoordde hij. ‘Ze zullen vernietigd worden. Tot de laatste man.’

Op dit ogenblik viel er niets anders te zeggen. Hij had echter graag een antwoord gehoord op de vraag of de sul’dam en damane nog steeds ziek waren.

Rhand stuurde met zijn teugels Tai’daishar rond op de top van de kale rotsige heuvel om te zien hoe het grootste deel van zijn legertje uit andere poorten in de lucht stroomden. Hij hield de Ware Bron stevig vast, zo stevig dat die in zijn greep leek te trillen. Met de Ene Kracht in hem voelden de scherpe punten van de Kroon der Zwaarden die in zijn slapen prikten, opeens veel scherper dan ooit en volkomen ergens anders. De kilte van de ochtend was zowel koud als onopgemerkt. De nooit genezende wonden in zijn zij vormden een doffe en verre pijn. Lews Therin leek onzeker te hijgen. Of misschien angstig. Wellicht wilde hij, nadat de dood de vorige dag zo nabij was geweest, niet meer zo graag sterven. Aan de andere kant wilde hij niet altijd sterven. Het enige blijvende in de man was zijn verlangen te doden. Wat vaak genoeg telkens zomaar met zijn eigen dood samenviel.

Er zullen gauw genoeg voor iedereen doden vallen, dacht Rhand. Licht, de laatste zes dagen hadden zelfs een aasgier misselijk kunnen maken. Waren het maar zes dagen geweest? De afschuw raakte hem echter niet. Hij wilde het niet toestaan. Lews Therin antwoordde niet. Ja, het was tijd voor een ijzeren hart. En ook voor een ijzeren maag. Hij boog zich even voorover om de in een doek gewikkelde rol onder zijn stijgbeugel te betasten. Nee. Nog niet de goede tijd. Misschien helemaal niet. Onzekerheid lichtte over de Leegte en misschien nog iets anders. Nee. Helemaal niet, hoopte hij. Onzekerheid jawel, maar dat andere was geen vrees geweest. Zeker niet! De helft van de hem omringende heuvels was bedekt met lage, knoestige olijfbomen, vlekkerig in het zonlicht. Daar reden de lansiers reeds langs de rijen om er zeker van te zijn dat er niemand was. Nergens in deze boomgaarden waren boerenknechten te zien, geen boerderij, geen enkel spoor van een gebouw. Een paar span naar het westen waren de heuvels donkerder door de bossen. Legioenmannen kwamen in dravende rijen uit de poort en stelden zich op, op de voet gevolgd door een onregelmatig blok van Illiaanse vrijwilligers die nu in het Legioen waren opgenomen. Zodra de rijen naast elkaar in het gelid stonden, stapten ze verder om ruimte te maken voor de Verdedigers en de Gezellen. De grond leek op klei en laarzen en hoeven gleden in de dunne laag modder weg. Wonderbaarlijk genoeg stonden er slechts enkele wolken aan de hemel, wit en schoon. De zon was een lichtgele bol. En boven hen vloog niets groters dan een mus. Dashiva en Flin behoorden tot de mannen die de poorten openhielden, evenals Adlie, Hopwil, Mor en Narishma. Sommige poorten kon Rhand niet zien omdat die achter de kronkelige heuvels lagen. Hij wilde iedereen er zo snel mogelijk doorheen hebben en allen, afgezien van enkele Soldaten die de hemel afzochten en iedere man in het zwart die niet reeds aan het verkennen was, hielden een weving vast. Zelfs Gedwyn en Rochaid, hoewel beiden er slechts een grijns voor over hadden, naar elkaar en naar hem. Rhand dacht dat ze niet meer gewend waren iets zo gewoons te doen als het openhouden van een poort die anderen konden gebruiken.

Bashere kwam op zijn dravende paard de helling op. Hij was zichtbaar volkomen op z’n gemak, met zichzelf en met zijn kleine vos. Hij had zijn mantel ondanks de ochtendkou teruggeslagen. Het was niet zo koud als in de bergen, maar nog wel winter. Hij knikte terloops naar Anaiyella en Ailil, die op hun beurt somber terugkeken. Bashere glimlachte achter zijn dikke snor waarvan de punten zich als een hoorn omlaag bogen. Het was geen echt aangename glimlach. Hij had evenveel twijfel over de vrouwes als Rhand. Dat wisten ze; ze kenden Basheres terughoudendheid tenminste. Anaiyella keek snel de andere kant op en begon de manen van haar ruin weer te strelen. Ailil hield haar teugels te star vast.

Het tweetal was sinds het voorval op de rotshoogte nooit ver uit Rhands buurt geweest. Ze hadden de vorige nacht zelfs hun tent binnen gehoorsafstand laten optrekken. Op een helling van bruin gras tegenover hen bewoog Denharad om de rij wapenknechten van de twee vrouwes op te nemen, waarna hij snel weer naar Rhand keek. Rhand wist niet zeker of ze bang waren de schuld te krijgen voor zijn dood of dat ze gewoon wilden zien wat er ging gebeuren. Het enige waarvan hij zeker was, was dat hij het tweetal geen kans zou gunnen hem dood te zien.

Wie kent het hart van een vrouw? grinnikte Lews Therin scheefjes. Het klonk of hij in een van zijn gezondere buien verkeerde. De meeste vrouwen halen hun schouders op over iets waarvoor een man je zou doden, en ze doden waar een man zijn schouders optrekt. Rhand negeerde hem. De laatste poort die Rhand kon zien, flitste uit. De Asha’man die hun paarden bestegen, waren te ver weg om zeker te kunnen zijn of een van hen nog saidin vasthield, maar het gaf niet zolang hij dat deed. De onhandige Dashiva probeerde snel op te stijgen en viel bijna tweemaal van zijn paard voor hij eindelijk in het zadel zat. De meeste zwartgejaste mannen reden weg naar het noorden of het zuiden.

De rest van de adel kwam snel bij Bashere staan, net onder Rhand. De in rang allerhoogsten en degenen met de meeste macht stonden vooraan, nadat er wat was geduwd en gedrongen, daar waar de voorrang onzeker was. Tihera en Marcolin hielden hun paarden opzij, aan weerszijden van de groep edelen. Hun gezichten verrieden niets. Misschien zou hun raad worden gevraagd, maar beiden beseften dat de uiteindelijke beslissing door anderen werd genomen. Weiramon wilde zijn mond met een groots gebaar al opendoen, ongetwijfeld voor een van zijn hoogdravende toespraken over de glorie van het volgen van de Drakenheer. Sunamon en Torean, gewend aan zijn toespraken en machtig genoeg om er verder niet op te letten, stuurden hun paarden naar elkaar en spraken zachtjes met elkaar. Sunamons gezicht toonde een ongebruikelijke hardheid en Torean leek bereid over grenslijnen te praten, ondanks de rood satijnen banen op zijn jasmouwen. Bertome en enkele andere Cairhienin waren helemaal niet stil, maar lachten om elkaars grapjes. Iedereen had zijn buik vol van Weiramons grootse woorden. Maar Semaradrids grijns werd telkens breder wanneer hij naar Ailil en Anaiyella keek – hij hield er niet zo van dat ze zo dicht bij Rhand bleven, zeker niet bij zijn landgenote – dus wellicht groeide zijn wrok in vastere grond dan Weiramons opgeblazenheid.