‘Ongeveer tien span hiervandaan,’ zei Rhand luid, ‘bereiden zich ruim vijftigduizend man voor om op te trekken.’ Dat wisten ze wel, maar hiermee trok hij ieders aandacht en bracht hij iedereen tot zwijgen. Weiramons mond klapte verbitterd dicht. De man vond het heerlijk zichzelf te horen praten. Gueyam en Maracon die aan hun ingevette puntbaardjes trokken, glimlachten vol verwachting. Dwazen. Semaradrid leek op een man die een hele schaal bedorven pruimen had gegeten. Gregorin en zijn drie heren van de Raad van Negen toonden slechts grimmige vastberadenheid. Geen dwazen. ‘De verkenners is niets opgevallen van sul’dam of damane,’ vervolgde Rhand, ‘maar zelfs zonder die vrouwen en zelfs met Asha’man zijn dat er genoeg om velen van ons te doden als iemand het plan vergeet. Maar niemand zal het vergeten, dat weet ik zeker.’ Ditmaal geen aanvallen zonder enig bevel. Hij had dat duidelijk verteld, zo klaar als een klontje en zo hard als rots. Niemand mocht in het wilde weg optrekken omdat men dacht dat er wellicht misschien ergens iemand was gezien.
Weiramon glimlachte en slaagde erin er zoveel olie in te doen als Sunamon ooit zou kunnen opbrengen.
Op zich was het een eenvoudig plan. Ze zouden in vijf colonnes naar het westen optrekken, elk met de Asha’man, en proberen de Seanchanen van alle kanten tegelijk aan te vallen. Of bijna van alle kanten als dat niet helemaal klaargespeeld kon worden. Eenvoudige plannen waren het beste, hield Bashere vol. Als je niet tevreden bent met een hele worp biggetjes, had hij gemompeld, en je moet snel het bos in om de oude zeug te vinden, maak het dan niet te mooi, anders krijgt zij jou te pakken.
Geen enkel strijdplan overleeft de eerste schermutselingen, zei Lews Therin in Rhands hoofd. Heel even leek hij nog helder. Heel even. Er is iets verkeerd, gromde hij opeens. Zijn stem klonk feller en feller en barstte uit in een wild ongelovig gelach. Het kan niet verkeerd zijn, maar het is ’t wel. Er is iets vreemds, iets verkeerds, het wriemelt en springt en wringt. Zijn kakelende lach ging over in gehuil. Dat kan niet! Ik moet krankzinnig zijn! En hij verdween voor Rhand hem kon verstommen. Bloedvuur, met het plan was niets mis, anders zou Bashere zich erop hebben geworpen als een eend op een watervlo.
Lews Therin was krankzinnig. Zonder enige twijfel. Maar zolang Rhand Altor gezond bleef... Het zou een bittere grap zijn voor de wereld indien de Herrezen Draak krankzinnig werd voor de Laatste Slag zelfs maar begonnen was. ‘Neem jullie plaatsen in,’ beval hij met een zwaai van zijn drakenstaf. Hij moest de neiging tot lachen bij dat grapje stevig onderdrukken.
De grote groep edelen viel op zijn bevel uiteen, reden mompelend rond terwijl ze voor zichzelf alles ordenden. Er waren er maar weinig die Rhands verdeling op prijs stelden. Welke scheidsmuren na de schok van de eerste veldslag in de bergen ook waren geslecht, ze waren bijna onmiddellijk weer opgetrokken.
Weiramon keek fronsend rond omdat hij zijn toespraak niet had mogen doen, maar na een ingewikkelde buiging waarbij zijn sik als een speer naar Rhand werd uitgestoken, reed hij noordwaarts over de heuvels weg, gevolgd door Kiril Drapeneos, Bertome, Doressin en verschillende Cairhiense heren van lagere rang. Zonder uitzondering vertoonden alle Cairhienin steenharde gezichten, omdat een Tyrener hun leger aanvoerde. Gedwyn reed met Weiramon mee, bijna alsof hij de leiding had en kreeg er donkere afkeurende blikken voor terug waarbij hij net deed of hij ze niet zag. De andere groepen waren even gemengd. Gregorin reed ook naar het noorden, met een grimmige Sunamon die deed alsof hij toevallig dezelfde richting op moest en met Dalthanes die voor een groep Cairhienin van lagere rang reed. Jeordwyn Semaris, ook lid van de Negen, volgde Bashere naar het zuiden, samen met Amondrid en Gueyam. Die drie hadden bijna gretig de Saldeaan aanvaard om de eenvoudige reden dat hij voor de een geen Tyrener was, voor de ander geen Cairhiener of Illianer. Rochaid leek bij Bashere hetzelfde te proberen als Gedwyn bij Weiramon, maar Bashere leek het te negeren. Op enige afstand van Basheres groep reden Torean en Maracon met hun hoofden bij elkaar. Waarschijnlijk giftig gal aan het spuien omdat Semaradrid boven hen was geplaatst. Wat dit betrof bleef Ershin Netari telkens naar Jeordwyn kijken. En staande in zijn stijgbeugels naar Gregorin en Kiril omzien, hoewel hij ze waarschijnlijk achter de heuvels niet eens meer in zicht had. Semaradrid, met zijn rug als een zwarte ijzeren staaf, leek even onverstoorbaar als Bashere.
Het was hetzelfde uitgangspunt dat Rhand voortdurend had gebruikt. Hij vertrouwde Bashere en hij meende Gregorin te kunnen vertrouwen en niemand van de anderen zou het wagen zich tegen hem te keren, terwijl er zoveel buitenlanders om hem waren, onder wie zoveel vijanden van weleer en zo weinig vrienden. Rhand lachte zachtjes en zag hen allen van zijn helling wegrijden. Ze zouden voor hem strijden en goed strijden, omdat ze geen andere keus hadden. Evenmin als hij dat had.
Waanzin, siste Lews Therin. Rhand schoof de stem boos opzij. Hij was natuurlijk nauwelijks alleen. Tihera en Marcolin hadden de meeste Verdedigers en Gezellen te paard in rijen tussen de olijfbomen gezet op de heuvels naast die waar hij te paard zat. De overigen waren uitgezet als een scherm tegen verrassingen. Een groep legioenmannen in blauwe jassen wachtte geduldig in het dal onder het toeziend oog van Mason. Hun achterhoede werd gevormd door evenveel mannen in de kleren die ze aanhadden bij hun overgave op de hei daarginds in Illian. Ze probeerden de kalmte van de legioenmannen over te nemen – van de anderen nu, maar het had weinig resultaat.
Rhand keek kort naar Ailil en Anaiyella. De Tyreense schonk hem een onnozele glimlach, maar die schoot ver en ver tekort. Het gezicht van de Cairhiense was bevroren. Hij kon hen niet vergeten en Denharad met zijn wapenknechten evenmin. Zijn colonne in het midden zou verreweg de grootste en sterkste zijn. Een heel grote ruimte.
Flin en de mannen die Rhand na Dumais Bron had gekozen, reden de heuvel op, naar hem toe. De kalende oude man ging altijd voorop, al droegen allen met uitzondering van Adlie en Narishma nu zowel de draak als het zwaard en had Dashiva die het eerst ontvangen. Gedeeltelijk kwam het doordat de jongere mannen steun zochten bij Flin, die veel ervaring had als vaandrager in de koninginnegarde van Andor. Gedeeltelijk kwam het omdat het Dashiva niets leek uit te maken. Hij leek slechts vermaakt door de anderen. Wanneer hij tijd kon vrijmaken van het eeuwige gepraat met zichzelf wel te verstaan. Meestal leek hij zich amper bewust van iets of iemand die verder weg was dan zijn neus.
Om die reden kwam het als iets van een schok toen Dashiva onhandig zijn dikke rijdier aanspoorde tot hij voor de anderen reed. Zijn eenvoudige gezicht, zo vaak vaag of vermaakt door zijn eigen gedachten, stond star van een zorgelijke frons. Het werd nog erger toen hij saidin aangreep, zodra hij bij Rhand was gekomen en een ban tegen afluisteren rond hen weefde. Lews Therin verspilde er geen zuchtje lucht aan – als een stem zonder lichaam adem heeft – en mompelde dingen over doden. Hij klauwde snauwend en zwijgend naar de Ware Bron en probeerde de Ene Kracht van Rhand weg te graaien. Waarna hij even plotseling zweeg en verdween. ‘Er is iets vreemds met saidin hier. Er is iets wat ontbreekt,’ merkte Dashiva op en ditmaai klonk hij zeker niet vaag. Feitelijk was het heel... precies. En knorrig. Een leraar die een bijzonder domme leerling iets bijbrengt. Hij stak zelfs een vinger op tegen Rhand. ‘Ik weet niet wat het is. Er is niets wat saidin kan verwringen en als het verwrongen kan worden, hadden we het in de bergen al gevoeld. Nou ja, er was gisteren wel iets daar, maar het was zo klein... Hier voel ik het echter duidelijk. Saidin voelt... gretig aan. Ja, ik weet het, ik weet het. Saidin is niet levend. Maar het... klopt en bonst hier. Heel moeilijk te beheersen.’