Rhand dwong zijn hand de drakenstaf wat losser vast te houden. Hij was er altijd zeker van geweest dat Dashiva even gek was als Lews Therin zelf. Gewoonlijk behield de man echter een steviger greep op zichzelf, al was het vaak op het randje. ‘Ik geleid al langer dan jij, Dashiva. Je voelt enkel de smet meer.’ Hij kon de hardheid in zijn stem niet verminderen. Licht, hij kon nog niet krankzinnig worden en zij evenmin! ‘Ga naar je plaats. We vertrekken gauw.’ De verkenners zouden snel terug zijn. Zelfs in dit vlakkere gebied, zelfs nu ze beperkt waren om niet verder te gaan dan ze konden zien, zou tien span Reizen niet veel tijd kosten.
Dashiva maakte geen aanstalten te gehoorzamen. In plaats daarvan wilde hij kwaad iets terugzeggen, maar hij klemde opeens zijn lippen weer op elkaar. Zichtbaar bevend haalde hij diep adem. ik ben me er terdege van bewust hoe lang u al hebt geleid,’ zei hij met een ijzige, bijna verachtelijke stem, ‘maar u kunt het zeker net zo goed voelen. Voel dan, man! Ik vind het niet leuk om saidin “vreemd” te noemen en ik wil niet sterven of... opbranden omdat jij blind bent. Kijk naar mijn ban. Kijk ernaar!’
Rhand keek hem strak aan. Dashiva die uit zichzelf naar voren kwam, was al merkwaardig, maar een woedende Dashiva? Waarna hij echt goed naar de ban keek. Echt keek. De stromen zouden even vast moeten liggen als de draden in heel strak geweven zeil. Ze trilden. De ban stond even stevig als die hoorde te zijn, maar de losse draden van de Ene Kracht flikkerden zacht trillend. Mor had al gezegd dat saidin in Ebo Dar en zo’n honderd span in de omtrek vreemd was. Ze waren nu veel dichterbij dan die honderd span. Rhand liet zichzelf saidin voelen. Hij besefte altijd de aanwezigheid van de Ene Kracht – al het andere hield de dood of nog erger in -maar hij was het nu gewend erom te vechten. Hij vocht om leven maar het gevecht was even natuurlijk geworden als het leven zelf. De strijd was leven. Hij liet zich door die strijd zijn leven voelen. Kou die steen tot stof kon verbrijzelen. Vuur om rots in damp weg te flitsen. Vuil waarbij een stinkende beerput leek te geuren als een bloeiende lentetuin. En... het trilde en bonsde als iets wat in zijn vuist huiverde. Dit was niet het soort kloppen dat hij in Shadar Logoth had gevoeld, toen de smet op saidin hetzelfde had getrild met het kwaad van die stad en toen saidin ook had meegetrild. De vuiligheid was hier sterk én gestaag. Het was saidin zelf die een en al kolken en woelingen leek. Gretig had Dashiva het genoemd en Rhand kon zien waarom.
Achter Flin, onder aan de helling haalde Mor zijn hand door zijn haren en keek verontrust rond. Flin verschoof nu eens in het zadel, dan weer verschikte hij zijn zwaard in de schede. Narishma hield de lucht in het oog vanwege de vliegende beesten en knipperde te vaak met zijn ogen. In Adlies kaak trilde een spiertje. Van de eerste tot de laatste vertoonden ze ergens iets van zenuwen en verbazing. In Rhand welde opluchting op. Gelukkig, geen krankzinnigheid. Dashiva glimlachte, een verwrongen, voldane glimlach, ik kan niet geloven dat het u niet eerder is opgevallen.’ Het klonk bijna als spot. ‘U heb zowat dag en nacht saidin vastgehouden nadat we met deze waanzinnige veldtocht zijn begonnen. Dit is een eenvoudige ban, maar hij wilde zich niet vormen tot hij plotseling in elkaar klikte alsof hij uit mijn handen werd getrokken.’
De zilverblauwe sleuf van een poort wentelde rond boven op een kale heuvel, een halve span naar het westen. Een Soldaat trok zijn paard erdoorheen, waarna hij haastig in het zadel sprong. De eerste verkenner. Zelfs op die afstand kon Rhand de zwakke glinstering van de wevingen rond de poort zien voor die verdween. De ruiter was nog niet aan de voet van de heuvel of een tweede poort opende zich, gevolgd door een derde, vierde, en nog meer. De een na de ander, bijna zo snel als mogelijk was nadat de vorige verkenner was weggereden.
‘De ban is echter wel gevormd,’ zei Rhand. Evenals de poorten van de verkenners. ‘Als saidin moeilijk te beheersen valt... Nou ja, het is altijd moeilijk en het doet nog steeds wat je wilt.’ Maar waarom was het hier moeilijker? Een vraag voor een andere tijd. Licht, hij wou dat Herid Fel nog leefde. De oude wijsgeer had misschien een antwoord geweten. ‘Ga terug naar de anderen, Dashiva,’ beval hij. De man staarde hem verbijsterd aan. Hij moest het bevel herhalen voor de ban verdween en Dashiva zijn paard zonder groet wendde en het dier de sporen gaf om de helling af te rijden.
‘Moeilijkheden, mijn heer Draak?’ vroeg Anaiyella. Ailil keek Rhand slechts vlak aan.
Toen ze zagen dat de eerste verkenner al naar Rhand onderweg was, waaierden de anderen naar het zuiden en het noorden uit waar ze zich bij een andere colonne zouden voegen. Op de ouderwetse manier zoeken ging sneller dan her en der met poorten Reizen. Nalaam trok de teugels aan vlak voor Rhand en sloeg met zijn vuist tegen de borst. Leek hij wat wild uit zijn ogen te kijken? Maakte niet uit. Saidin deed nog steeds wat de geleider wilde. Nalaam groette en gaf zijn verslag. De Seanchanen hadden niet tien span verderop een kamp, maar slechts vijf of zes span verder en trokken nu op naar het oosten. En ze hadden een hele reeks sul’dam en damane bij zich. Rhand gaf zijn bevelen zodra Nalaam wegreed en zijn colonne trok op naar het westen. De Verdedigers en de Gezellen reden aan weerszijden. Achteraan stapte het Legioen, vlak achter Denharad. Een herinnering aan de vrouwes en hun wapenknechten als ze er een nodig hadden. Anaiyella keek in elk geval vaak genoeg over haar schouder en dat Ailil dat weigerde te doen was veelzeggend. Rhand vormde met Flin en de anderen de speerpunt van zijn colonne, net als bij de andere groepen. Asha’man dienden toe te slaan en mannen met staal dienden hen in de rug te beschermen, terwijl ze doodden. Het zou nog lang duren voor de zon zijn hoogste punt had bereikt. Er was niets veranderd om het plan te wijzigen.
Bij sommigen wacht de krankzinnigheid, fluisterde Lews Therin. Bij anderen kruipt die langzaam omhoog.
Miraj reed bijna vooraan in zijn leger dat over een modderige weg optrok naar het oosten. De weg slingerde tussen heuvelachtige olijfgaarden en kleine bossen door. Bijna vooraan, niet voorop. Een volledige legerafdeling van voornamelijk Seanchanen reed tussen hem en de voorste verkenners. Hij had generaals gekend die juist voorop wilden rijden. De meesten waren nu dood. De meesten hadden de veldslag waarin ze stierven, verloren. Modder hield de stof vast, maar het bericht van een optrekkend leger trok als een lopend vuurtje over de Sa’lasvlakte, stof of geen stof. Hier en daar zag hij tussen de olijfbomen een omgevallen kruiwagen of een achtergelaten boomsnoeimes, maar de werkers waren allang verdwenen. Gelukkig zouden die zijn vijand evenzeer schuwen als hem. Als hij geluk had, zouden zijn tegenstanders zonder raken veel te laat weten dat hij in de aanval was. Kennar Miraj hield er niet van op geluk te vertrouwen. Afgezien van onderofficieren die kaarten zouden openvouwen en bevelen zouden overschrijven en boodschappers om die weg te brengen, werd hij alleen vergezeld door Abaldar Yulan en Lisaine Jarath. De eerste was zo klein dat zijn heel gewone bruine ruin een ontzettend groot paard leek. Het was een heetgebakerde man die de nagels van zijn pink groen verfde en een zwarte pruik droeg om zijn kaalheid te verbergen. De tweede was een grijze vrouw uit de hoofdstad Seandar en haar bleke volle gezicht en blauwe ogen waren een toonbeeld van waardige ernst. Yulan, de koolzwarte Kapitein van de Lucht, was niet kalm. Vaak keek hij afkeurend vanwege de voorschriften waardoor hij nog maar zelden de raken-teugels op mocht pakken, maar vandaag kwam de dreigende blik uit het diepst van zijn hart. De hemel was helder; volmaakt weer voor een raken, maar op bevel van Suroth zou vandaag geen enkele vlieger op deze plek in het zadel zitten. De Hailene beschikte over te weinig raken om ze onnodig te riskeren. Miraj had meer moeite met Lisaines kalmte. Ze was niet alleen de oudste der sul’dam in zijn krijgsmacht, maar ook een vriendin met wie hij vele koppen kaf had gedronken en vaak steen had gespeeld. Een levendige vrouw die altijd overliep van geestdrift en vermaak. Nu was ze echter ijzig kalm, even stil als elke andere sul’dam die hij had willen ondervragen.