Выбрать главу

Voor hem liepen twintig damane aan weerszijden van de ruiterij. Ieder liep naast het rijdier van haar sul’dam. De sul’dam wipten in hun zadels op en neer, bogen zich opzij voor een klopje op het hoofd van de damane en richtten zich weer op, waarna ze eigenlijk meteen weer het haar gingen strelen. De damane leken zeker genoeg voor zover hij kon zien, maar de sul’dam verkeerden even aantoonbaar op het toppunt van hun zenuwen. En de uitbundige Lisaine reed zo spraakzaam als een steen naast hem.

Voor hen verscheen een torm die langs de stoet schoot. Een behoorlijk stuk opzij en aan de rand van de boomgaarden, maar paarden hinnikten en deinsden terug toen het beest met de bronskleurige schubben voorbijstormde. Een geoefende torm zou geen paarden aanvallen – tenminste niet zolang zijn moordlust het in de strijd overnam. Daarom was een torm niet geschikt in een veldslag, maar geoefende paarden die in de buurt van een torm kalm bleven, waren even zeldzaam als torm.

Miraj stuurde Varek, een magere sarzant, weg om het verslag van de morat’torm te halen. Te voet en het Licht mocht hem halen als Varek van mening was daardoor sei’taer te verliezen. Hij mocht geen tijd verspillen doordat Varek zijn in Altara verkregen rijdier niet kon beheersen. De man keerde nog sneller terug en maakte een afgepaste buiging. Hij begon al verslag te doen voor hij weer rechtop stond. ‘De vijand bevindt zich op minder dan vijf span naar het oosten, mijn heer kapitein-generaal. Ze komen onze kant op. Ze hebben vijf colonnes gevormd die op ongeveer een span onderlinge afstand van elkaar optrekken.’

Dus geluk was ook ver te zoeken. Maar Miraj had overwogen hoe hij veertigduizend man zou aanvallen terwijl hij er zelf maar vijf had en vijftig damane. Al snel reden mannen met bevelen uit om zich zo op te stellen dat een omsingeling beantwoord kon worden. De legerafdelingen achter hem verspreidden zich in de boomgaarden terwijl de sul’dam en hun damane met hen meereden. Miraj trok zijn mantel om zich heen bij een koude rukwind en merkte iets op wat hem nog kouder maakte. Lisaine keek ook hoe de sul’dam tussen de bomen verdwenen. Waarna ze begon te zweten.

Bertome reed ontspannen en liet de wind zijn mantel opzij wapperen. Het bosland voor zich nam hij echter op met een waakzaamheid die hij niet trachtte te verbergen. Van zijn vier landgenoten achter hem was alleen Doressin echt bekwaam in het Spel der Huizen. Die stomme Tyreense hond Weiramon was natuurlijk blind. Bertome wierp een woeste blik op de rug van de opgeblazen hansworst. Weiramon reed behoorlijk ver voor de anderen uit en was in diep gesprek met Gedwyn. Als Bertome meer bewijs nodig had dat de Tyrener nog zou glimlachen bij iets waarvan een geit stikte, was het wel de wijze waarop hij dat jonge monster met zijn brandende ogen behandelde. Hij merkte dat Kiril hem zat op te nemen en spoorde zijn grijze paard aan wat verder van de boomlange man weg te rijden. Hij had geen bijzondere afkeer van de Illianer, maar wel een hekel aan mensen die boven hem uitstaken. Hij wilde graag zo snel mogelijk terug naar Cairhien waar hij niet omringd werd door lompe reuzen. Kiril Drapeneos was echter niet blind, al was hij veel te lang. Hij had ook een tiental verkenners vooruit gestuurd. Weiramon een. ‘Doressin,’ zei Bertome zachtjes. Toen wat harder: ‘Doressin, knuppel!’

De botmagere man schrok op. Net als Bertome en de anderen had hij de voorkant van zijn hoofd gladgeschoren en gepoederd. De manier om jezelf het uiterlijk van een soldaat aan te meten werd algemeen gevolgd. Doressin had hem op zijn beurt een bruine pad moeten noemen, zoals ze dat vanaf hun kindertijd hadden gedaan. In plaats daarvan spoorde hij zijn ruin aan tot hij naast Bertome reed en boog zich naar hem toe. Hij was bezorgd, dat was te merken aan de diepe rimpels in zijn voorhoofd. ‘Je beseft dat de Drakenheer van plan is ons op te offeren?’ fluisterde hij met een blik op de colonne achter hen. ‘Bloedvuur! Ik heb alleen naar Colavaere geluisterd, maar ik wist dat mijn lot was bezegeld nadat hij haar had vermoord.’

Berome nam kort de colonne wapenknechten op die als een slang door de heuvels achter hem gleed. De bomen stonden hier verder uiteen dan verderop, maar waren nog dicht genoeg om een krijgsmacht te verbergen tot die je aanpakte. De laatste olijfgaarde lag bijna een span achter hen. Weiramons mannen reden natuurlijk in de spits en droegen die belachelijke jassen met brede witgestreepte mouwen. Daarop volgden de Illianers van Kiril die zoveel rood en groen toonden dat een ketellapper zich ervoor zou schamen. Zijn eigen mannen zagen er behoorlijk uit, in het donkerblauw onder hun kurassen. Ze waren net als Doressins mannen en die van de anderen niet te zien en werden alleen nog gevolgd door een afdeling van het Legioen. Weiramon was verbaasd geweest dat het voetvolk hen bijhield, al had hij nauwelijks enige snelheid ontwikkeld.

Bertome keek eigenlijk helemaal niet naar de wapenknechten. Zelfs voor Weiramon uit reden nog zeven man. Zeven mannen met harde gezichten en doodkille ogen in zwarte jasen. Een ervan droeg een speld in de vorm van een zilveren zwaard op zijn hoge kraag. ‘Een ingewikkelde manier om dat te bereiken,’ gaf hij Doressin droogjes ten antwoord, ik betwijfel of Altor die kerels voor ons mee zou sturen als we alleen maar goed genoeg zijn voor de gehaktmolen.’ Nog steeds fronsend wilde Doressin wat zeggen maar Bertome zei: ‘Ik moet met de Tyrener praten.’ Hij verafschuwde het zijn oude vriend zo weg te sturen. Altor had hem van zijn stuk gebracht. Weiramon en Gedwyn gingen zo in hun gesprek op dat ze hem niet hoorden aankomen. Gedwyn speelde wat verstrooid met de teugels en zijn gezicht stond koud en verachtelijk. De Tyrener was rood aangelopen. ‘Het kan me niet schelen wie je bent,’ spuugde hij tegen de man in het zwart met een zachte maar rotsvaste stem. ik ga niet meer riskeren zonder rechtstreeks bevel uit de mond van...’ Opeens merkte het tweetal Bertomes aanwezigheid op en klapte Weiramons mond dicht. Hij keek woest, alsof hij Bertome wilde doden. De altijd aanwezige glimlach van de Asha’man smolt weg. Hij voelde koude snijdende windvlagen onder de wolken die voor de zon langsdreven maar die waren niet killer dan de ogen van Gedwyn. Bertome schrok even en besefte dat de man hem ook ter plekke wilde doden.

Gedwyns ijzige moordlustige blik veranderde niet maar opmerkelijk snel verscheen er op Weiramons gezicht een andere uitdrukking. Het rood trok langzaam weg terwijl hij heel gauw een glimlach wist op te brengen. Een vettige glimlach met slechts een spoortje spottende minachting, ik heb over jou zitten denken, Bertome,’ zei hij hartelijk. ‘Het is jammer dat Altor je nicht heeft gewurgd. Met zijn eigen handen heb ik gehoord. Eerlijk gezegd verbaasde het me dat je op zijn oproep bent afgekomen. Ik heb gezien hoe hij naar je keek. Ik vrees dat hij wat... interessanter plannetjes met jou heeft dan wat wild hielengetrommel op de vloer, wanneer zijn vingers zich om je keel samenknijpen.’

Bertome onderdrukte een zucht en niet alleen om de lompheid van de stommeling. Veel mensen wilden hem manipuleren met Colavaeres dood. Zij was zijn lievelingsnicht geweest, maar onzinnig op macht belust. Saighan had een rechtmatige aanspraak op de Zonnetroon maar zij had die nooit kunnen waarmaken tegen een sterk Huis als Riatin of Damodred, laat staan tegen de verenigde Huizen. Niet zonder de uitgesproken zegen van de Witte Toren of van de Herrezen Draak. Maar ze was wel zijn nicht geweest. Wat wilde Weiramon bereiken? Zeker niet iets wat oppervlakkig zo leek. Zelfs deze Tyreense kluns was niet zó eenvoudig.

Voor hij een antwoord kon vormen, kwam tussen de bomen voor hen een ruiter aangalopperen. Een Cairhiener, en terwijl hij met een schok vlak voor hen stilhield, waardoor zijn paard bijna op de schoften gleed, herkende Bertone een van zijn eigen wapenknechten. Een kerel met gaten in zijn gebit en ruwe littekens op beide wangen. Doile, dacht hij. Van het Colchaine-landgoed.