‘Mijn heer Bertome,’ hijgde de man met een haastige buiging. ‘Zo’n tweeduizend Taraboners zitten me vlak op de hielen. En ze hebben vrouwen bij zich. Met bliksems op hun rok!’
‘Vlak op de hielen,’ mompelde Weiramon kleinerend. ‘We zullen zien wat mijn man bij zijn terugkomst te vertellen heeft. Ik zie in elk geval geen...’
Plotseling stegen vlakbij kreten op waardoor hij tot zwijgen werd gebracht. Er klonken donderende hoeven, waarna als een vloedgolf snel galopperende lansiers verschenen die zich tussen de bomen verspreidden. Recht op Bertome en de anderen af. Weiramon lachte. ‘Dood maar wie en waar je wilt, Gedwyn,’ zei hij terwijl hij zijn zwaard trok met een zwierige zwaai, ik gebruik de manier die ik ken en dat is dat.’ Hij snelde terug naar zijn wapenknechten en zwaaide met de kling boven zijn hoofd, al schreeuwend: ‘Saniago! Saniago en roem!’ Het was geen verrassing dat hij er geen kreet aan toevoegde voor zijn land, voor de leden van zijn Huis of voor zijn geliefde.
Bertome draafde dezelfde kant op en verhief eveneens zijn stem. ‘Saighan en Cairhien.’ Het had geen zin nu al met zijn zwaard te wuiven. ‘Saighan en Cairhien!’ Wat had de man willen bereiken? Onweer rommelde en Bertome keek stomverbaasd omhoog. Er waren weinig meer wolken dan eerst. Nee, Doile – of was het Dalyn? – had die vrouwen genoemd. Waarna hij alles over de bedoelingen van die dwaze Tyrener vergat toen met staal gesluierde Taraboners over de beboste heuvels op hem afstormden, de aarde in vlammen opbloeide en de hemel bliksems liet neerregenen. ‘Saighan en Cairhien!’ schreeuwde hij. De wind stak op.
Ruiters botsten op elkaar tussen de dikke boomstammen en het dichte struikgewas, waar diepe schaduwen hingen. De wolken boven hen pakten samen en het licht leek af te nemen. Het viel echter moeilijk te zeggen door het dichte gebladerte dat een dak boven hun hoofden vormde. Donderend gebrul maakte het gekletter van staal op staal, de schreeuwende mannen en gillende paarden bijna onhoorbaar. Een enkele keer beefde de aarde. Soms hief de vijand geschreeuw aan.
‘Den Lushenos! Den Lushenos en de Bijen!’
‘Annallin! Vooruit met Annallin!’
‘Haellin! Haellin! Voor de Hoogheer Sunamon.’
De laatste kreet was de enige waar Varek tenminste iets van begreep, al vermoedde hij dat elke plaatselijke heer die zich Hoogheer of Hoogvrouwe noemde wellicht niet de kans zou krijgen de Eed af te leggen.
Hij trok zijn zwaard los uit de oksel van zijn regenstander, vlak boven de borstkuras, en liet de bleke kleine man vallen. Een gevaarlijke vechter, tot hij de fout had gemaakt zijn wapen te hoog te heffen. Het vospaard van de man draafde door de struiken weg en Varek had een ogenblik tijd voor spijt. Dat dier zag er beter uit dan zijn vaalgrijze paard met witte enkels, dat hij gedwongen was te berijden. Slechts een ogenblik. Daarna keek hij weer tussen de dicht bij elkaar groeiende bomen door. Het leek of van de helft van de takken klimop omlaag hing en bossen grijze veerachtige planten van bijna alle bomen.
Van alle kanten klonken geluiden, maar aanvankelijk zag hij niets bewegen. Toen verscheen zo’n vijftig pas verder een tiental Altaraanse lansiers. Ze liepen naast de paarden en gluurden omzichtig rond, hoewel de manier waarop ze hardop met elkaar praatten de rode strepen dwars over hun borstplaat meer dan rechtvaardigde. Varek pakte de teugels op en wilde hen mee terugnemen. Een groep begeleiders, zelfs dit ongeordende gajes, kon het verschil betekenen of het dringende bericht dat hij bij zich had baandergeneraal Chianmai bereikte of niet.
Zwarte schichten flitsten tussen de bomen door en maakten alle Altaraanse zadels leeg. De paarden schoten na de val van hun berijders alle kanten op, waarna slechts een tiental lijken plat op het vochtige bladerdek achterbleef. Uit elke man stak minstens één kruisboogpijl omhoog. Niets bewoog. Ondanks alles huiverde Varek. Dat voetvolk in de blauwe jassen leek aanvankelijk gemakkelijk, omdat ze niet door piekeniers beschermd werden, maar ze kwamen nooit het open veld op en verborgen zich achter bomen en in kommen. Die waren niet de ergsten. Hij had na de wanordelijke terugtocht uit Falme het ergste gezien wat maar mogelijk was. Een verjaagd Eeuwig Zegevierend Leger. Zojuist had hij echter honderd Taraboners tegenover één man in het zwart zien staan. Honderd lansiers tegen één, en de Taraboners waren in stukken geslagen. Letterlijk in stukken. Mannen en paarden ontploften zo snel als hij ze kon tellen. De slachting was doorgegaan nadat de Taraboners op de vlucht waren geslagen, en ging zelfs door tot er niemand meer te zien was. Misschien was het niet erger dan dat de grond onder je voeten ontplofte, maar damane lieten meestal nog wat over dat begraven kon worden. De laatste man die hij in dit bos had aangeschoten, had hem verteld dat Chianmai zich ergens in deze richting bevond. Het was een grijze oudgediende van thuis geweest die honderd Amadiciaanse piekeniers leidde. Voor zich uit bespeurde hij vastgebonden paarden zonder ruiters en mannen eromheen. Misschien konden die hem verder wijzen. En kon hij hen de mantel uitvegen dat ze daar gewoon bleven staan terwijl de veldslag voortduurde.
Toen hij naar hen toe reed, vergat hij echter elk boos woord. Hij had de gezochte gevonden, al was het niet in de toestand die hij wenste aan te treffen. Een tiental zwaar verbrande lichamen lagen naast elkaar. Een was aan zijn honingbruine gezicht te zien Chianmai. De mannen om hem heen waren allemaal Taraboners. Amadicianen en Altaranen. Sommigen van hen waren ook gewond. De enige Seanchaanse was een sul’dam met een strak gezicht die een huilende damane troostte.
‘Wat is hier gebeurd?’ wilde Varek weten. Hij dacht niet dat die Asha’man de gewoonte hadden overlevenden achter te laten. Misschien had de sul’dam ze bevochten.
‘Waanzin, mijn heer.’ Een logge Taraboner schudde de man van zich af die zalf op zijn verbrande linkerarm streek. De mouw leek tot aan de borstplaat van de man te zijn weggebrand. Ondanks zijn brandwonden vertrok hij zijn gezicht niet. Zijn sluier van stalen maliën hing aan een hoekje van zijn roodgepluimde kegelvormige helm. Daarachter was een hard gezicht zichtbaar met een dikke grijze snor die zijn mond bijna verborg. Zijn ogen keken hem beledigend recht aan. ‘Een groep Illianers overviel ons onverwachts. Eerst ging alles goed. Ze hadden geen zwartjas bij zich. Heer Chianmai leidde ons dapper en de... de vrouw geleidde bliksems. Maar net toen de Illianers uiteenvielen, sloegen die bliksems ook op ons neer.’ Hij zweeg met een veelbetekenende blik op de sul’dam.
Ze veerde overeind, hief haar gebalde vuist en stapte op de Taraboner af, zo ver als de lijn aan haar andere pols het toeliet. Haar damane lag in een hoopje te huilen, ik wil er niet van horen. Een hond hoeft niets te zeggen van mijn Zakai. Ze is een goede damane! Een goede damane!’
Varek maakte geruststellende gebaren naar de vrouw. Hij had meegemaakt hoe sul’dam hun damane lieten janken voor iets wat ze hadden misdaan en enkelen hadden zelfs een koppige damane mishandeld, maar de meesten zouden zelfs uitvaren tegen iemand van het Bloed als die haar lieveling belasterde. Deze Taraboner was zeker niet van het Bloed en aan de huiverende sul’dam te zien was ze bereid een moord te doen. Als de man zijn belachelijke, onuitgesproken beschuldiging echt had verwoord, zou ze volgens Varek de man ter plekke hebben gedood.
‘Gebeden voor de doden moeten wachten,’ zei Varek bot. Wat hij van plan was te doen zou hem mogelijk bij falen uiteindelijk in de handen van de Waarheidszoekers doen belanden, maar hier was behalve de sul’dam geen enkele Seanchaan meer in leven, ik neem het bevel over. We onttrekken ons aan de strijd en gaan richting het zuiden.’
‘Terugtrekken,’ blafte de breedgeschouderde Taraboner. ‘Het kost dagen voor we ons aan de strijd kunnen onttrekken. Die Illianer vechten als in een hoek gedreven dassen en de Cairhienin als fretten in een kist. De Tyreners zijn niet zo sterk als wordt beweerd, maar ze hebben wel tien Asha’man, ja? In deze pretzak weet ik niet eens waar driekwart van mijn manschappen zitten.’ Moed vattend door zijn voorbeeld begonnen de anderen ook te mopperen. Varek negeerde hen. En ging maar voorbij aan de vraag wat een ‘pretzak’ was. Hij keek naar het dichte woud om hen heen, luisterde naar het strijdrumoer, de ontploffingen, uitbarstingen en bliksems en kon het zich wel voorstellen. ‘Haal je mannen bij elkaar en begin aan de terugtocht,’ zei hij luid, dwars door hun gekwebbel heen. ‘Niet te snel, jullie dienen als één man te handelen.’ Mirajs bevelen aan Chianmai luidden ‘met de grootst mogelijke spoed’ en ‘zo snel mogelijk’. Hij had ze vanbuiten geleerd voor het geval er iets met het afschrift in zijn zadeltas gebeurde. Als hij echter nu te snel handelde, zou de helft van deze mannen achtergelaten worden en door de vijand op hun gemak in mootjes worden gehakt. ‘Nu, vooruit! Jullie vechten voor de keizerin, moge ze eeuwig leven.’