Hij wist niet hoe de ruin nog zoveel kracht behield. Hij was vervuld van saidin, het borrelde in hem op, maar zijn afstandelijke lichaam wilde uitgeput in elkaar zakken. Een deel daarvan kwam door de enorme hoeveelheid Kracht die hij vandaag had gebruikt. Gedeeltelijk kwam het door de inspanning van het bevechten van saidin om gedaan te krijgen wat hij wilde. Saidin moest altijd worden veroverd en gedwongen maar nooit zoals vandaag was gebeurd. De half geheelde, nooit genezende wonden in zijn linkerzij deden gruwelijk pijn. De oudste was een boor die in de Leegte probeerde door te dringen, de nieuwe wond een storm van ruwe vlammen. ‘Het ging per ongeluk, mijn heer Draak,’ zei Adlie opeens, ik zweer het.’
‘Hou je bek en kijk,’ gaf Rhand hem ruw te verstaan. Adlies ogen gleden even naar de handen aan zijn eigen teugels, waarna hij het vochtige haar uit zijn gezicht veegde en gehoorzaam zijn hoofd hief. Vandaag was het beheersen van saidin moeilijker dan ooit, maar als je het zomaar losliet kon het je doden. Adlie had het laten gaan en mannen waren gestorven in onbeheerste vurige uitbarstingen. Niet alleen de Amadicianen waarop het gericht was, maar bijna dertig wapenknechten van Ailil en bijna evenveel man van Anaiyella. Afgezien van die fout had Adlie bij Mor moeten zijn, bij de Gezellen in de bossen een halve span naar het zuiden. Narishma en Hopwil waren bij de Verdedigers in het noorden. Rhand wilde Adlie in het oog houden. Waren er buiten zijn bereik nog meer ongelukken gebeurd? Hij kon niet iedereen voortdurend in de gaten houden. Flins gezicht stond even grimmig als dat van een stokoude dode en Dashiva leek helemaal niet vaag maar juist van alle oplettendheid in zweet uit te barsten. Nog steeds mompelde hij binnensmonds, maar zo zacht dat Rhand hem zelfs met de Kracht in hem niet kon verstaan. De man depte voortdurend de regen van zijn gezicht met een doorweekte linnen doek met kant dat in de loop van de dag steeds smoezeliger was geworden. Rhand dacht niet dat ze fouten hadden gemaakt. In elk geval hielden Adlie noch zij nu vast aan de Ene Kracht. Dat zouden ze ook niet doen tenzij hij ze daartoe opdracht gaf. is het gedaan?’ vroeg Anaiyella achter hem.
Zonder te letten op wie daarginds op de uitkijk stond, draaide Rhand Tai’daishar rond om haar aan te kijken. De Tyreense schoot naar achteren en de kap van haar fraai bewerkte regenmantel viel op haar schouders. In haar wang bewoog een spiertje. Haar ogen waren wellicht een en al vrees, of haat. Naast haar voelde Ailil met haar in rood leer gestoken handen kalm aan haar teugels. ‘Wat wilt u eigenlijk nog meer?’ vroeg de kleinere vrouw koel. Een vrouwe die beleefd een huisknecht aansprak. Nog net. ‘Als de grootte van een overwinning door dode vijanden wordt bepaald, denk ik dat deze dag alleen al uw naam in de archieven zal bijschrijven.’ ik ben van plan de Seanchanen de zee in te drijven!’ snauwde Rhand. Licht, hij moest vandaag een eind aan ze maken, nu hij de kans had! Hij kon niet tegelijk de Seanchanen, de Verzakers en het Licht mocht weten wie en wat nog meer bevechten! ik heb het eerder gedaan en ik ga het weer doen.’
Heb je ditmaal de Hoorn van Valere in je jaszak verborgen? vroeg Lews Therin sluw. Rhand snauwde hem zwijgend weg. ‘Daar beneden is iemand,’ zei Flin opeens. ‘Rijdt deze kant op. Vanuit het westen.’
Rhand stuurde zijn paard weer terug. Rond de hellingen stonden legioenmannen opgesteld, hoewel ze zich zo goed verborgen hielden dat hij zelden het blauw van hun jas had gezien. Geen van hen had een paard. Wie kon er nu te paard...
Basheres vos draafde de helling op alsof het vlakke grond was. Zijn helm hing aan het zadel en de man zelf leek vermoeid. Zonder enige inleiding zei hij vlak: ‘Hier zijn we klaar. Een deel van de strijd is weten wanneer je moet gaan en het is de hoogste tijd. Ik heb zowat vijfhonderd doden en twee Soldaten van jou achtergelaten voor de moeder. Nog drie heb ik er weggestuurd om Semaradrid, Gregorin en Weiramon te zoeken en hun te zeggen hier te verzamelen. Ik betwijfel of ze er lichamelijk beter aan toe zijn dan ik. Hoe hoog staat jouw rekening van de beenhouwer?’
Rhand negeerde de vraag. Zijn eigen doden stegen met ruim tweehonderd boven die van Bashere uit. ‘Je had niet het recht de anderen een bevel te sturen. Zolang er nog een handvol Asha’man over zijn – zolang ik er ben – is het genoeg! Ik ben van plan de rest van het Seanchaanse leger op te zoeken en te vernietigen. Ik laat ze niet Altara aan Tarabon en Amadicia toevoegen.’
Met een bittere lach streek Bashere met de knokkels langs zijn dikke snor. ‘Wil je ze zoeken? Kijk daar maar.’ Hij gaf een zwaai naar de heuvels in het westen, ik kan geen bepaald stuk aanwijzen, maar daar zitten er tienduizend, misschien ongeveer vijftienduizend. Je zou ze kunnen zien als die bomen het zicht niet belemmerden. Ik heb met de Duistere gedanst om ongezien tussen hen door te komen en jou te bereiken. Misschien zo’n honderd damane daarginds. Misschien meer. Er komen er zeker meer aan en meer mannen. Blijkbaar heeft hun generaal besloten alles op jou te richten. Ik neem aan dat het niet altijd kaas en bier betekent om ta’veren te zijn.’
‘Als zij daarginds zijn...’ Rhand zocht de heuvels af. De regen werd heviger. Waar had hij beweging gezien? Licht, wat was hij moe. Saidin hamerde op hem neer. Onbewust voelde hij aan de ingepakte rol onder zijn stijgbeugel. Ongewild schoot zijn hand ervan vandaan. Tienduizend... Zelfs vijftienduizend... Als Semaradrid eindelijk hier was en Gregorin en Weiramon... Nog belangrijker, als de andere Asha’man er waren... ‘Als ze daarginds zijn, dan ga ik ze daarginds vernietigen, Bashere. Ik ga ze van alle kanten ervan langs geven, zoals we vanaf het begin gewild hebben.’
Fronsend trok Bashere zijn paard dichterbij tot zijn knie die van Rhand bijna raakte. Flin stuurde zijn paard weg maar Adlie ging zo volledig op in het turen door de regen dat hij iets van zo nabij niet opmerkte. Dashiva die nog steeds onophoudelijk zijn gezicht afveegde, staarde openlijk belangstellend toe. Bashere begon zachtjes te mompelen. ‘Je hebt je gedachten niet meer op een rij. Dat was aanvankelijk een goed plan, maar hun generaal is een snelle denker. Hij heeft zijn troepen verspreid om onze aanval minder gericht te maken, voordat we ons op hem stortten en hij zich niet meer kon verspreiden. Blijkbaar hebben we hem desondanks toch nog een zware slag toegebracht en nu trekt hij alles bijeen. Je kunt hem niet bij verrassing overvallen. Hij wil dat wij op hem afstormen. Hij wacht ons daarginds op. Asha’man of geen Asha’man, als we neus aan neus staan met die kerel, zullen de aasgieren volgens mij dik worden en rijdt er niemand meer weg.’
‘Niemand staat neus aan neus met de Herrezen Draak,’ grauwde Rhand. ‘Enkele Verzakers kunnen die onbekende generaal dat vertellen. Nietwaar, Flin? Dashiva?’ Flin knikte onzeker, Dashiva kromp ineen. ‘Denk je dat ik hem niet kan verrassen, Bashere? Kijk maar!’ Hij trok de lange rol open, haalde de stof eraf en Rhand hoorde mensen naar adem snakken, toen regendruppels glinsterden op een zwaard dat van kristal leek te zijn gemaakt. Het Zwaard dat geen zwaard is. ‘Laten we eens kijken of hij verrast wordt als Callandor door de Herrezen Draak gevoerd wordt, Bashere.’ Met de doorschijnende kling liggend in zijn armen reed Rhand op Tai’daishar enkele stappen naar voren. Dat hoefde eigenlijk niet. Vanaf die plek had hij geen beter zicht. Behalve... Er kriebelde iets spinnigs over de buitenkant van de Leegte, een wriemelend zwart web. Hij was bang. De laatste keer dat hij Callandor had gebruikt, echt had gebruikt, had hij geprobeerd een dode tot leven te wekken. Hij was er op dat ogenblik zo zeker van geweest dat hij alles, letterlijk alles kon. Als een dwaas die meende te vliegen. Maar hij was de Herrezen Draak. Hij kón alles. Had hij dat niet herhaaldelijk bewezen? Hij reikte naar de Bron door het Zwaard dat geen zwaard is. Saidin scheen in Callandor op te springen voor hij de Ware Bron erdoorheen had aangeraakt. Van gevest tot de punt glansde het kristallen zwaard met een wit licht. Eerder had hij slechts gedacht van de Ene Kracht vervuld te zijn. Nu hield hij meer vast dan tien man zonder hulp konden bevatten, honderd man, hij wist niet hoeveel. De vlammen van de zon schuurden door zijn hoofd. De kilte van alle winters van alle Eeuwen vraten aan zijn hart. In die maalstroom was de smet alle vuil en mest van de wereld die zich in zijn ziel ledigden. Saidin probeerde hem nog steeds te doden, probeerde hem te verzengen, op te branden, kapot te vriezen, tot het kleinste vezeltje aan toe, maar hij vocht en leefde wat langer en nog een tel langer en nog langer. Hij wilde lachen. Hij kón alles!