Elaida voelde haar glimlach verstarren en van haar gezicht verdwijnen. Alviarin had een stuk perkament in een hand. Vreemd, wat je op zo’n ogenblik opviel. De vrouw was bijna twee weken zonder een woord of bericht uit de Toren verdwenen, en niemand had haar zelfs zien vertrekken. Elaida was al plezierige gedachten gaan koesteren over Alviarin in een sneeuwhoop of onder het ijs in een woeste rivier.
De zes Gezetenen bleven staan, onzeker of Alviarin opzij zou gaan. Zelfs een Hoedster met Alviarins invloed stapte opzij voor een Gezetene. Maar Velina, gewoonlijk de zelfverzekerdste zuster; kromp ineen. Alviarin keek even koel naar Elaida, nam de Gezetenen op, en begreep alles.
‘Ik geloof dat je dat maar even bij mij moet achterlaten,’ zei ze tegen Sedore op een toon die amper warmer was dan de sneeuw buiten. ‘Moeder wil haar besluiten graag zorgvuldig overwegen, zoals jullie weten. Dit zou niet de eerste keer zijn dat ze na ondertekening van mening veranderde.’ Ze hield haar hand op. Sedore, wier hooghartigheid voor een Gele opmerkelijk was, aarzelde nauwelijks voor ze haar de leren map gaf.
Elaida knarsetandde van woede. Sedore had de vijf dagen gehaat waarop ze tot haar ellebogen in heet water boven de wasborden had gestaan. De volgende keer zou Elaida iets minder geriefelijks voor haar vinden. Misschien toch maar Silviana. Misschien de beerput schoonmaken.
Alviarin stapte zonder een woord opzij en de Gezetenen vertrokken, waarbij ze onderling mompelend hun stola’s verschikten en de waardigheid van de Zaal herstelden. Alviarin sloot snel de deur en liep naar Elaida toe terwijl ze door de papieren in de map bladerde. De bevelen die ze had getekend in de hoop dat Alviarin dood was. Natuurlijk had ze niet op hoop alleen gesteund. Ze had niet met Seaine gesproken, voor het geval iemand dat mocht zien en het na Alviarins terugkeer zou doorvertellen, maar Seaine was beslist aan het werk zoals haar was opgedragen, en volgde het pad van verraad dat zeker naar Alviarin Freidhen zou leiden. Maar Elaida had gehoopt. O, wat had ze gehoopt.
Alviarin mompelde in zichzelf terwijl ze door de map bladerde. ‘Dit kan doorgaan, neem ik aan. Maar dit niet. Of dit. En dit zeker niet!’ Ze verkreukelde een papier dat door de Amyrlin Zetel getekend en gezegeld was, en wierp de prop verachtelijk op de grond. Ze bleef naast Elaida’s vergulde stoel stilstaan, met de Vlam van Tar Valon in maanstenen op de hoge rug, en wierp de map en haar eigen perkament op de tafel. En sloeg toen Elaida zo hard in haar gezicht dat ze zwarte vlekken zag.
‘Ik dacht dat we dit geregeld hadden, Elaida.’ De stem van het monster deed de sneeuwstorm buiten op een buitje lijken, ik weet hoe ik de Toren van jouw stommiteiten kan redden, en ik sta je geen nieuwe blunders achter mijn rug om toe. Als je zo doorgaat, kun je er zeker van zijn dat ik zal toezien op jouw afzetting en sussing, waarna je onder de roede voor iedere ingewijde en zelfs dienaren mag gaan krijsen!’
Met moeite hield Elaida haar hand weg van haar wang. Ze had geen spiegel nodig om te weten dat die rood was. Ze moest voorzichtig zijn. Seaine had nog niets gevonden, of ze zou al langs zijn gekomen. Alviarin kon in de Zaal haar mond opendoen en die hele afschuwelijk mislukte ontvoering van dat Altor-joch onthullen. Ze kon afgezet worden, gesust en gekastijd, maar ze had nog een tweede pijl op haar boog. Toveine Gazal leidde een aanval op de Zwarte Toren met vijftig zusters en tweehonderd gardisten van de Torenwacht. Toen ze dat bevel had gegeven, had ze zeker geweten dat er hoogstens twee of drie geleiders waren. Maar zelfs met enkele honderden – en terwijl Alviarin kil op haar neerkeek, een gedachte die haar maag nog steeds deed omdraaien – zelfs met honderden Asha’man had ze haar hoop gevestigd op Toveine. De Zwarte Toren zal worden verscheurd door bloed en vuur, had ze voorspeld, en zusters zullen over zijn gebieden lopen. Dat betekende toch zeker dat Toveine zou overwinnen. Meer nog, de rest van de Voorspelling had haar gezegd dat de Toren tijdens haar bewind haar voormalige heerlijkheid zou herwinnen en dat Altor zelf zou sidderen onder haar woede. Alviarin had uit Elaida’s mond de woorden gehoord toen de Voorspelling haar in zijn greep had. En dat was ze later vergeten toen ze haar begon af te persen. Ze had haar eigen doem niet begrepen. Elaida wachtte geduldig. Ze zou het haar drievoudig betaald zetten! Maar ze kon geduldig zijn. Althans nu.
Alviarin deed geen moeite haar minachting te verbergen, toen ze de map opzij schoof en haar eigen perkament voor Elaida neerlegde. Ze sloeg het groen-gouden schrijfkistje open, doopte Elaida’s pen in de inktpot en stak haar die bevelend toe. ‘Teken.’ Elaida nam de pen aan en vroeg zich af onder welke waanzin ze nu weer haar naam moest zetten. Weer uitbreiding van de Torenwacht, terwijl er met de opstandelingen afgerekend werd zonder dat er soldaten bij gebruikt konden worden? Een nieuwe poging om de Ajahs in het openbaar te laten onthullen wie hun oversten waren? Daarmee was ze flink op haar neus gevallen! Ze las snel en voelde hoe een laag ijs zich in haar buik afzette en groeide. Elke Ajah in haar eigen vleugel gezag geven over elke aanwezige zuster, ook die van andere Ajahs, was tot nu toe de grootste waanzin geweest – hoe kon de Toren gered worden als ze zelf verscheurd werd? – maar dit...!
De wereld weet nu dat Rhand Altor de Herrezen Draak is. De wereld weet dat hij een man is die de Ware Bron kan aanraken. Zulke mannen hebben sinds onheuglijke tijden onder het gezag van de Witte Toren gestaan. De Herrezen Draak heeft de bescherming van de Witte Toren gekregen, maar wie hem tracht te benaderen, behalve door de Witte Toren, zal worden aangeklaagd wegens hoogverraad tegen het Licht, en een banvloek zal voor nu en alle eeuwigheid over hen worden uitgesproken. De wereld moge gerust zijn, wetende dat de Witte Toren de Herrezen Draak veilig naar de Laatste Slag en de onvermijdelijke zege zal begeleiden.
Als verdoofd voegde ze zonder nadenken ‘van het Licht’ toe na ‘zege’, maar toen verstarde haar hand. Altor openlijk erkennen als de Herrezen Draak viel te verdragen. Dat was hij immers, en dit kon velen ertoe overhalen het gerucht te geloven dat hij al voor haar was neergeknield. Dat kon goed gebruikt worden, maar voor de rest kon ze niet geloven dat zo weinig woorden zoveel schade konden veroorzaken.
‘Het Licht zij barmhartig,’ hijgde ze. ‘Als dit uitgevaardigd wordt, zullen we Altor er nooit van kunnen overtuigen dat zijn ontvoering niet was goedgekeurd.’ Ook zonder zo’n bekendmaking zou het al moeilijk genoeg zijn, maar ze had eerder meegemaakt hoe mensen ervan overtuigd werden dat een gebeurtenis niet had plaatsgevonden, hoewel ze die zelf hadden meegemaakt. ‘En hij zal tien keer meer op zijn hoede zijn voor een nieuwe poging. Alviarin, dit schrikt op z’n hoogst een paar van zijn volgelingen af. Op z’n hoogst!’ Velen zouden er zo diep bij betrokken zijn dat ze het niet zouden wagen om terug te krabbelen. Zeker niet als ze deze banvloek boven hun hoofd voelden hangen! ik kan de Toren net zo goed eigenhandig in brand steken als dit ondertekenen!’
Alviarin zuchtte ongeduldig. ‘Je hebt je geloofsovertuiging niet vergeten, toch? Spreek hem uit, zoals ik je die geleerd heb.’ Elaida’s lippen knepen zich onwillekeurig samen. Een van de prettigste dingen van Alviarins afwezigheid – niet het beste maar wel een waarachtig plezier – was geweest dat ze die smerige opsomming niet elke dag had hoeven te herhalen, ik zal doen wat mij wordt opgedragen,’ zei ze ten slotte vlak. Ze was de Amyrlin Zetel! ik zal de woorden spreken die je me opdraagt te spreken, en niet meer.’ Haar Voorspelling gaf haar de overwinning, maar Licht, die kon niet gauw genoeg komen! ik zal tekenen wat je me opdraagt te tekenen, en niet anders. Ik...’ Ze stikte bijna in het laatste, ik ben gehoorzaam aan jouw wil.’