‘Het klinkt alsof je aan de waarheid van die woorden herinnerd moet worden,’ verzuchtte Alviarin opnieuw, ik denk dat ik je te lang alleen heb gelaten.’ Ze tikte met een gebiedende wijsvinger op het perkament. ‘Teken.’
Elaida tekende. Haar pen kraste traag over het perkament. Er was niets tegen te doen.
Alviarin wachtte nauwelijks tot de pen werd opgetild voor ze het bevel weggraaide. ik zegel dit zelf,’ zei ze terwijl ze naar de deur liep. ik had het zegel van de Amyrlin niet moeten achterlaten, waar je het kon vinden. Ik wil later met je praten. Ik heb je inderdaad te lang aan jezelf overgelaten. Zorg dat je hier bent als ik terugkom.’
‘Later?’ zei Elaida. ‘Wanneer? Alviarin? Alviarin?’ De deur ging dicht en liet Elaida ziedend achter. Er te zijn bij Alviarins terugkomst! Opgesloten in haar kwartier als een novice in een strafkamer.
Een tijdlang speelde ze met haar brievenkistje, waarop gouden haviken vochten tussen witte wolken onder een blauwe hemel, maar ze kon zich er niet toe brengen het te openen. Tijdens Alviarins afwezigheid waren er in het kistje weer brieven en verslagen van belang terechtgekomen, niet alleen de kruimels die Alviarin overliet, maar met haar terugkeer had het kistje net zo goed leeg kunnen zijn. Ze stond op en begon de rozen opnieuw te rangschikken in de witte vazen die elk op een witmarmeren voetstuk in een hoek stonden. Blauwe rozen, de zeldzaamste.
Opeens besefte ze dat ze naar een geknakte stengel in haar hand keek. Nog een handvol lag verspreid over de vloer. Ze maakte een geërgerd geluid. Het was de gedachte aan haar handen om Alviarins keel – niet de eerste keer dat ze overwoog de vrouw om te brengen. Maar Alviarin zou voorzorgen getroffen hebben. Er zouden verzegelde documenten bestaan, die, als haar iets overkwam, geopend moesten worden door zusters aan wie Elaida niet eens zou denken. Het was een van haar grote zorgen geweest tijdens Alviarins afwezigheid, dat iemand wellicht zou denken dat de vrouw dood was en het bewijs bekend zou maken dat haar de stola zou kosten. Maar vroeg of laat, op welke manier dan ook, zou het gedaan zijn met Alviarin, net zo goed als met de rozen die...
‘U beantwoordde mijn klopje niet, Moeder, dus ben ik binnengekomen,’ zei een barse vrouwenstem achter haar. Elaida draaide zich om en wilde reeds uitvallen, maar toen ze de stevige vrouw met het vierkante gezicht in de met rode franje versierde stola vlak voor de deur zag staan, trok het bloed uit haar wangen weg.
‘De Hoedster zei dat u me wenste te spreken,’ zei Silviana geërgerd. ‘Over een persoonlijke boetedoening.’ Zelfs tegenover de Amyrlin Zetel deed ze geen moeite om haar afkeer te verbergen. Silviana vond een persoonlijke boetedoening belachelijk. Boete hoorde openbaar te zijn; alleen een straf werd persoonlijk verwerkt. ‘Ze vroeg me ook te zeggen dat ik u ergens aan moest herinneren, maar ze was er al vandoor voordat ze kon zeggen wat.’ Ze snoof niet langer. Silviana zag alles wat haar afleidde van haar novices en Aanvaarden als tijdverspilling.
‘Ik geloof dat ik het me herinner,’ zei Elaida dof. Silviana vertrok volgens het slaan van Cemailes klok al na een halfuur, hoewel het een eindeloze eeuwigheid leek. Er was nog maar weinig dat Elaida ervan weerhield om de Zaal onmiddellijk in zitting bijeen te roepen, zodat zij kon eisen dat Alviarin van de stola van de Hoedster ontdaan kon worden. Dat weinige was de zekerheid van haar eigen Voorspelling en de zekerheid dat wanneer Seaine op zoek ging naar verraad, ze bij Alviarin terecht zou komen. Dat en haar eigen rotsvaste overtuiging dat zijzelf zeker het onderspit zou delven, of Alviarin nu wel of niet zou verliezen. Dus lag Elaida do Avriny a’Roihan, de Hoedster van de Zegels, de Vlam van Tar Valon, de Amyrlin Zetel, en toch zeker de machtigste heerseres in de wereld, met haar gezicht in het kussen op bed. Ze huilde en haar lichaam was te gevoelig om haar hemd aan te trekken dat in wanorde op de vloer lag. Ze wist zeker dat Alviarin er bij haar terugkeer op zou staan om het hele gesprek zittend te voeren. Ze huilde, en door haar tranen heen smeekte ze om Alviarins val.
‘Ik heb je niet opgedragen om Elaida te laten... slaan,’ zei die kristalheldere stem. ‘Probeer je boven jezelf te reiken?’ De geknielde Alviarin liet zich voorovervallen voor de vrouw die uit donkere schaduwen en zilverig licht leek te bestaan. Ze greep de zoom van Mesaana’s gewaad en bedekte die met kussen. Het moest een weving van Bedrieging zijn, al kon ze in de over haar heen gebogen vrouw evenmin een stroompje saidar ontwaren als het vermogen om te geleiden. De weving was niet volledig, merkte ze terwijl ze het gewaad vasthield. Er flikkerde bronskleurige zijde doorheen, met een zoom van ingewikkeld borduurwerk van zwarte krullen, ik leef om u te dienen en te gehoorzamen, hoge meesteresse,’ hijgde Alviarin tussen de kussen door. ik weet dat ik de laagste onder de laagsten ben, een worm in uw aanwezigheid, en ik smeek slechts om uw glimlach.’ Ze was al eens eerder gestraft voor ‘boven zichzelf reiken’, zij het niet voor ongehoorzaamheid, de Grote Heer van het Duister zij dank. Ze wist dat haar geschreeuw luider zou klinken dan elke kreet die Elaida op dit ogenblik slaakte.
Mesaana liet het gekus even begaan en maakte er ten slotte een eind aan door met de teen van haar muiltje Alviarins kin op te tillen. ‘Het bevel is uitgegaan.’ Het was geen vraag, maar Alviarin gaf haastig antwoord.
‘Ja, hoge meesteresse. De afschriften zijn naar Noordhaven en Zuidhaven gegaan, nog voordat ik Elaida heb laten tekenen. De eerste boden zijn vertrokken, en geen koopman zal zonder afschriften de stad verlaten om die te verspreiden.’ Natuurlijk wist Mesaana dat allemaal al. Ze wist alles. Alviarins nek verkrampte, maar ze bewoog niet. Mesaana zou haar vertellen wanneer ze kon bewegen. ‘Hoge meesteresse, Elaida is een lege dop. Mag ik u in alle nederigheid niet vragen of het niet beter zou zijn als de noodzaak om haar te gebruiken niet meer bestond?’ Ze hield haar adem in. Vragen aan een Uitverkorene konden gevaarlijk zijn.
Een zilveren vinger met een schaduwnagel tikte tegen vermaakte lippen. ‘Dus zou het beter zijn, wanneer jij de stola van de Amyrlin draagt, kind?’ zei Mesaana ten slotte. ‘Zo’n geringe eerzucht past je wel, maar alles op zijn tijd. Nu heb ik een kleine opdracht voor je. Ondanks alle muren die tussen de Ajahs zijn opgetrokken, lijken de oversten elkaar verrassend regelmatig te ontmoeten. Ze doen net of het toeval is. Allemaal, behalve de Rode tenminste. Het is jammer dat Galina zich heeft laten doden, anders had zij je kunnen vertellen waar ze het over hebben. Het is waarschijnlijk niet belangrijk, maar zorg dat je erachter komt waarom ze elkaar in het openbaar de strot afbijten, maar heimelijk fluisteren.’
‘Ik hoor en gehoorzaam, hoge meesteresse,’ antwoordde Alviarin onmiddellijk, dankbaar dat Mesaana het als onbelangrijk beschouwde. Zij kende ook het grote ‘geheim’ niet wie de oversten van de Ajahs waren. Van elke Zwarte zuster werd verlangd dat zij aan de Hoge Raad elk gefluister binnen haar eigen Ajah doorgaf, maar van de oversten was alleen Galina een Zwarte zuster. Dat betekende dat ze de Zwarte zusters onder de Gezetenen moest ondervragen, wat weer inhield dat ze alle tussenpersonen tussen haarzelf en de Gezetenen diende af te gaan. Dat kostte tijd, zonder enig zicht op antwoorden. Afgezien van Ferane Neheran en Suana Dragand, die zelf oversten waren, leken Gezetenen zelden te weten wat het hoofd van hun Ajah dacht, tot het hun verteld werd. ik zal het u zeggen, zodra ik erachter ben gekomen, hoge meesteresse.’
Maar ze verborg iets kleins, iets voor zichzelf. Onbelangrijk of niet, Mesaana wist niét alles wat er in de Witte Toren gebeurde. En Alviarin zou haar ogen openhouden voor een zuster in een bronskleurige rok, waarvan de zoom geborduurd was met zwarte krullen. Mesaana verborg zich in de Toren, en kennis was macht.
26
Dat beetje meer