Seaine liep door de gangen van de Toren met een gevoel van verwarring dat groeide bij elke hoek van de gang. De Witte Toren was behoorlijk groot, maar ze liep nu al uren. Ze wilde het zich zo graag behaaglijk maken in haar eigen warme kamers. Ondanks de raamluiken tochtte het in de brede, met wandkleden behangen gangen, waardoor de lampen flakkerden. Vlagen kou, die je niet kon vergeten als ze onder je rokken doortrokken. Haar kamers waren warm, gerieflijk en veilig.
Dienstmeisjes maakten een knix en dienaren een buiging als ze langskwam. Ze zag hen slechts half en sloeg helemaal geen acht op hen. De meeste zusters zaten in de vleugel van hun eigen Ajah, en de paar die nog buiten waren, bewogen zich met een omzichtige trots, altijd getweeën en altijd van dezelfde Ajah. De stola’s lagen keurig netjes over hun armen geschikt en werden als banieren tentoongespreid. Ze glimlachte en knikte vriendelijk naar Talene, maar de statige, goudblonde Gezetene met een schoonheid die uit ijs gekerfd scheen, wierp een harde blik terug en schreed weg terwijl ze aan haar stola trok.
Het was nu te laat om Talene te vragen deel uit te maken van de zoektocht, zelfs al zou Pevara ermee ingestemd hebben. Pevara raadde voorzichtigheid en nog eens voorzichtigheid aan en Seaine was, eerlijk gezegd, meer dan bereid om onder deze omstandigheden te luisteren. Alleen... Talene was een vriendin. Was een vriendin geweest.
Talene was niet de ergste. Een paar gewone zusters haalden openlijk hun neus op voor haar. Voor een Gezetene! Geen enkele was natuurlijk een Witte maar dat had geen verschil mogen maken. Het maakte niet uit wat er in de Toren omging, de juiste omgangsvormen behoorden in acht genomen te worden. Juilaine Madome, een grote aantrekkelijke vrouw met kortgeknipt zwart haar, die nu een klein jaar voor de Bruinen een zetel bezette, gleed haar rakelings voorbij met geen enkele gemompelde verontschuldiging, en liep door met die mannelijke pas van haar. Saerin Asnobar, ook een Bruine Gezetene, keek Seaine dreigend aan en speelde met haar kromme mes dat ze altijd in haar riem meedroeg, voor ze in een zijgang verdween. Saerin was een Altaraanse, wier met wit doorschoten donkere haar bij de slapen een dun, door de tijd vervaagd wit litteken op een olijfkleurige wang sterker deed afsteken, en alleen een zwaardhand kon haar dreigende blik evenaren.
Misschien moest je al dit soort dingen verwachten. Onlangs waren er een paar ongelukkige voorvallen geweest, en geen zuster vergat hoe ze zonder plichtplegingen uit de gangen van een andere Ajah-vleugel was gegooid. En dan nog al het andere wat gebeurd was. Geruchten zeiden dat de Roden een Gezetene – een Gezetene! – hadden verwijderd waarbij meer dan alleen haar waardigheid was gehavend. Er werd echter niet bij gezegd wie het was. Het was heel erg jammer dat de Zaal Elaida’s krankzinnige bevel niet kon dwarsbomen, maar toen de eerste Ajah, en daarna een volgende, de nieuwe voorrechten hadden omhelsd, waren weinig Gezetenen bereid om over opheffen na te denken nu ze van kracht waren, en het gevolg was een Toren die bijna helemaal in gewapende kampen was verdeeld. Ooit had Seaine gedacht dat de lucht in de Toren aanvoelde als een trillende opgewonden massa van achterdocht en laster; nu was het een trillende opgewonden massa van scherpe bitterheid.
Ze klikte geërgerd met haar tong en verschikte haar eigen stola nadat Saerin verdwenen was. Het was niet vanzelfsprekend om terug te deinzen, omdat een Altaraanse dreigend keek. Zelfs Saerin zou toch zeker niet zo ver durven gaan. Het was evenmin vanzelfsprekend je zorgen te maken over iets wat je niet kon veranderen, terwijl ze nog wel iets te doen had.
En opeens, na een hele ochtend zoeken, zette ze een volgende stap en zag ze de lang gezochte naar zich toe lopen. Zerah Dacan was een slank meisje met zwarte haren dat zich trots gedroeg, gepast zelfverzekerd was, en van buiten gezien niet werd aangeraakt door de verhitte stromingen die deze dagen door de Toren dreven. Nou ja, niet echt een meisje, maar Seaine was er zeker van dat ze die stola met witte franjes nog geen vijftig jaar had gedragen. Ze had weinig ervaring. Betrekkelijk weinig ervaring. Dat kon helpen. Zerah maakte geen beweging om een Gezetene van haar eigen Ajah te ontwijken. Ze neeg haar hoofd eerbiedig toen Seaine naast haar ging lopen. Er glom nogal wat fraai goudbrokaat op de mouwen en langs de brede zomen van haar sneeuwwitte gewaad. Het was ongebruikelijk veel voor een zuster van de Witte Ajah. ‘Gezetene,’ mompelde ze. Lag er in haar blauwe ogen iets van zorg? ik heb je voor iets nodig,’ zei Seaine, kalmer dan ze zich voelde. Waarschijnlijk zag ze haar eigen gevoelens in Zerahs grote ogen weerspiegeld. ‘Kom mee.’ Er was niets te vrezen, niet in het hart van de Witte Toren, maar het kostte haar verrassend veel inspanning om de handen, die ze voor haar middel gevouwen had, ontspannen te houden.
Zoals ze had verwacht – en gehoopt -, stemde Zerah er mompelend mee in en liep ze mee. Ze bewoog heel sierlijk aan Seaines zijde, terwijl ze brede marmeren trappen en hellingen af wandelden. Ze vertrok slechts even haar wenkbrauwen toen Seaine een deur op de begane grond opende, naar een smalle wenteltrap omlaag, het duister in.
‘Na jou, zuster,’ zei Seaine, die een kleine lichtbol geleidde. Volgens de voorschriften moest zij voorgaan, maar ze kon het niet opbrengen dat te doen.
Zerah aarzelde niet toen ze naar beneden ging. Vanzelfsprekend had ze niets te vrezen van een Gezetene, een Witte Gezetene. Even vanzelf zou Seaine haar op het juiste tijdstip vertellen wat ze te zeggen had, en het zou niets onmogelijks zijn. Niet zo vanzelfsprekend was dat Seaines maag fladderde als een hele grote mot. Licht, ze omhelsde saidar terwijl de ander dat niet deed. Zerah was, hoe dan ook, de zwakkere. Ze hoefde nergens bang voor te zijn. Maar het hielp niets om die fladderende vleugels in haar maag tot bedaren te brengen.
Ze gingen naar beneden, en lager nog. Langs deuren die uitkwamen op kelders en onderkelders, tot ze de allerlaagste kelder bereikten, zelfs nog beneden de ruimte waar de Aanvaarden werden beproefd. De donkere gang werd slechts verlicht door Seaines kleine licht. Ze hielden hun rok op, maar hun muilen deden stofwolken opwaaien, al zetten ze nog zo zorgvuldig hun voeten neer. De gladde stenen muren werden onderbroken door gewone houten deuren, waarvan vele grote roestbrokken hadden waar scharnieren en sloten hadden gezeten.
‘Gezetene,’ vroeg Zerah, die eindelijk enige twijfel vertoonde, ‘waarvoor komen we hier beneden? Ik geloof niet dat er al die jaren iemand zo diep is gegaan.’
Seaine wist dat haar eigen bezoek aan deze verdieping, een paar dagen eerder, het eerste na minstens honderd jaar was geweest. Dat was een van de redenen waarom zij en Pevara de plek gekozen hadden. ‘Gewoon hierin,’ zei ze, en ze zwaaide een deur open die maar een beetje piepte. Geen enkele hoeveelheid olie had alle roest kunnen loswerken, en pogingen met de Ene Kracht waren op niets uitgelopen. Haar kundigheid in Aarde was groter dan die van Pevara, maar dat zei niet veel.
Zerah stapte naar binnen en knipperde verrast met haar ogen. In een overigens gewone kamer zat Pevara achter een stevige, zij het nogal versleten tafel waar drie bankjes omheen stonden. Het was moeilijk geweest om die paar meubels ongezien naar beneden te krijgen -vooral omdat ze dit niet aan dienaren wilden toevertrouwen. Het stof verwijderen was veel eenvoudiger geweest, zij het niet plezieriger, en om na elk bezoek het stof in de gang buiten er weer glad en onbetreden uit te laten zien, was gewoon heel zwaar geweest, ik stond op het punt om het op te geven hier in het donker te blijven zitten,’ mopperde Pevara. Ze werd omringd door de gloed van saidar, toen ze onder de tafel een lantaarn pakte en die met geleiding aanstak, waarbij net zoveel licht werd verspreid als in de vroegere opslagruimte met de ruwe muren nodig was. De Rode Gezetene, die er gewoonlijk wat gezet en aardig uitzag, leek nu op een beer met kiespijn. ‘We willen een paar vragen stellen, Zerah.’ En ze schermde haar af terwijl Seaine de deur sloot.
Zerahs gezicht in de schaduwen bleef geheel kalm, maar ze slikte hoorbaar. ‘Waarover, Gezetenen?’ Er trilde ook iets in de stem van de jongere vrouw. Maar dat kon gewoon door de sfeer in de Toren komen.