‘De Zwarte Ajah,’ antwoordde Pevara kortaf. ‘We willen weten of je een Duistervriend bent.’
Verbazing en woede verbraken Zerahs kalmte. De meesten zouden dat ook zonder haar gesnauwde antwoord als voldoende ontkenning hebben beschouwd. ‘Dit hoef ik van u niet te nemen! Jullie Roden scheppen al jarenlang eigenhandig valse Draken. Als u het mij vraagt, hoeft u voor Zwarte zusters niet verder te zoeken dan de vleugel van de Rode Ajah!’
Pevara’s gezicht werd donker van woede. Haar trouw aan haar Ajah was vanzelfsprekend heel groot, maar erger was dat ze haar hele familie aan Duistervrienden had verloren. Seaine besloot in te grijpen voordat Pevara tot bruut geweld zou vervallen. Ze hadden geen bewijs. Nog niet.
‘Ga zitten, Zerah,’ zei ze zo warm als ze kon opbrengen. ‘Ga zitten, zuster.’
Zerah wendde zich naar de deur alsof ze overwoog om een bevel van een Gezetene – en van haar eigen Ajah – niet te gehoorzamen, maar uiteindelijk ging ze strak en stijf op een van de bankjes zitten. Voordat Seaine haar plaats had ingenomen, zodat Zerah tussen hen in zat, had Pevara de ivoorwitte eedstaf al op het gehavende tafelblad gelegd. Seaine zuchtte. Als Gezetenen hadden ze desgewenst elk recht om iedere ter’angreaal te gebruiken, maar zij was het geweest die de staf gegapt had. Ze kon het niet anders zien dan gappen, omdat ze niet een van de passende handelwijzen had gevolgd. De hele tijd had in haar achterhoofd gespeeld dat zij ongetwijfeld, als ze zich omdraaide, de reeds lang gestorven Sereille Bagand zou zien en dat deze Amyrlin Zetel van de Witte Ajah haar aan een oor naar de werkkamer van de Meesteres der Novices zou willen sleuren. Ongerijmd, maar niet minder echt.
‘Wij willen er zeker van zijn dat je de waarheid vertelt,’ zei Pevara, die nog steeds klonk als een vergramde beer, ‘dus ga jij hiermee een eed zweren, en dan zal ik het nog eens vragen.’ ik hoor hier niet aan onderworpen te worden,’ zei Zerah met een beschuldigende blik op Seaine, ‘maar ik zal opnieuw alle Geloften afleggen, als dat nodig is om u te overtuigen. En ik wil van u beiden daarna een verontschuldiging.’ Ze klonk helemaal niet als een afgeschermde vrouw die zo’n vraag te horen kreeg. Bijna minachtend reikte ze naar de dunne, bijna voetlange staaf die glom in het vale licht van de lantaarn.
‘Je zweert dat je ons tweeën onvoorwaardelijk zult gehoorzamen,’ zei Pevara, en Zerahs hand werd met een ruk teruggetrokken alsof de staf een toeslaande adder was. Pevara ging door en schoof de eedstaf zelfs met twee vingers naar Zerah toe. ‘Op die manier kunnen we je opdragen om naar waarheid te antwoorden en weten wij dat je dat doet. Bij een verkeerd antwoord kunnen we erop vertrouwen dat je gehoorzaam bent en ons behulpzaam zult zijn bij de jacht op jouw Zwarte zusters. De staf kan gebruikt worden om je te bevrijden van de eed, als je het juiste antwoord geeft.’
‘Te bevrijden...?’ riep Zerah uit. ik heb nog nooit gehoord van iemand die ontslagen is van een eed op de eedstaf.’
‘Dat is de reden waarom we al die voorzorgsmaatregelen nemen,’ zei Seaine. ‘Het spreekt vanzelf dat een Zwarte zuster moet kunnen liegen, wat betekent dat ze minstens van de eerste gelofte bevrijd is, en waarschijnlijk van alle drie. Pevara en ik hebben het uitgeprobeerd en zijn erachter gekomen dat het veel lijkt op het afleggen van een eed.’ Maar ze zei er niet bij hoe pijnlijk het geweest was, en dat ze daarna nog lang hadden moeten schreien. Ze zei er ook niet bij dat Zerah ongeacht haar antwoord niet van haar eed zou worden ontslagen. Mogelijk pas nadat de zoektocht naar de Zwarte Ajah afgerond was. Ze konden haar onmogelijk toestaan om na dit verhoor met haar klacht erover weg te rennen, wat ze beslist zou doen, en terecht, als ze niet van de Zwarte Ajah was. Als. Licht, wat had Seaine graag een zuster van een andere Ajah hier willen hebben, die beantwoordde aan hun eerder afgesproken maatstaven. Een Groene of een Gele zuster zou heel goed geweest zijn. Dat stel was in betere tijden al verwaand genoeg, en nu...! Nee, ze wilde niet toegeven aan de ziekte die zich in de Toren verspreidde. Maar onwillekeurig flitste een aantal namen door haar geest, een tiental Groenen, tweemaal zoveel Gelen, en ieder ervan moest hoognodig eens van haar hoge stoel afkomen. De neus ophalen voor een Gezetene?
‘U hebt zich van een van de Geloften bevrijd?’ Zerah klonk geschrokken, afkerig, verontrust, en dat allemaal tegelijk. Volkomen redelijke reacties.
‘En die opnieuw afgelegd,’ mompelde Pevara ongeduldig. Ze greep de dunne staf en geleidde wat Geest in de punt, terwijl ze Zerahs schild vasthield, in het Licht beloof ik geen onwaar woord te spreken. In het Licht beloof ik geen wapen te maken waarmee iemand een ander kan doden. In het Licht beloof ik nooit de Ene Kracht als wapen te gebruiken, dan tegen het Schaduwgebroed, of als laatste middel om mijn leven te redden, dat van mijn zvvaardhand of een andere Aes Sedai.’ Haar gezicht betrok niet bij de woorden over een zwaardhand. Nieuwe zusters die zich met de Rode Ajah wilden verbinden, deden dat vaak. ik ben geen Duistervriend. Ik hoop dat het je bevredigt.’ Het wit van haar tanden was te zien, maar of dat een glimlach of een snauw was viel moeilijk te zeggen. Seaine legde op haar beurt opnieuw de Geloften af, waarbij elke eventjes voor een lichte druk van haar hoofdhuid tot haar voetzolen zorgde. Feitelijk merkte je die druk amper, omdat de huid nog veel te strak voelde van haar gelofte om niet te liegen. Het was voor een tijdje heel vreemd en uitbundig geweest om te kunnen beweren dat Pevara een baard had, of dat de straten van Tar Valon waren geplaveid met kaas. Zelfs Pevara had gegiecheld, maar dat was het nare gevoel nu niet meer waard. Ze had zelf het beproeven niet meer echt nodig gevonden. De uitspraak dat ze geen Zwarte Ajah was, had haar tong doen krullen, omdat ze gedwongen was zoiets smerigs te ontkennen. Niettemin overhandigde ze de eedstaf met een beslist knikje aan Zerah.
Die verschoof op haar bankje en draaide de staf in haar vingers om en om en slikte onwillekeurig. Het vale lantaarnlicht deed haar ziek lijken. Ze keek met grote ogen van de een naar de ander, verstevigde toen haar greep op de staf en knikte.
‘Met precies dezelfde woorden als ik heb uitgesproken,’ gromde Pevara, en geleidde opnieuw Geest in de staf, ‘of je blijft net zo lang zweren tot je het goed hebt.’
‘Ik zweer dat ik u beiden onvoorwaardelijk zal gehoorzamen,’ zei Zerah gespannen. Ze huiverde toen de eed grip op haar kreeg. De eerste keer was het altijd meer gespannen. ‘Stel me de vraag over de Zwarte Ajah,’ eiste ze. Haar handen met de staf trilden. ‘Vraag me over de Zwarte Ajah!’ Haar felheid gaf Seaine al antwoord, nog voordat Pevara Geest liet stromen en de vraag stelde, waarbij ze zuivere waarheid eiste. ‘Nee!’ schreeuwde Zerah bijna. ‘Nee, ik ben niet van de Zwarte Ajah! Ontsla me nu van die eed! Bevrijd me!’ Seaine zakte ontmoedigd ineen en liet haar ellebogen op de tafel steunen. Ze had van Zerah niet werkelijk een ‘ja’ willen horen, maar ze was er zo zeker van geweest dat ze haar op een leugen hadden betrapt. Een enkele leugen. Na weken luisteren en zoeken hadden ze eindelijk die ene leugen gevonden. Hoeveel weken moesten ze nu weer verder zoeken? Hoeveel weken van vroeg in de morgen tot laat in de avond schichtig omkijken? Als het haar ’s avonds al lukte in slaap te vallen.
Pevara wees Zerah beschuldigend aan. ‘Je hebt mensen gezegd dat je uit het noorden kwam.’
Zerahs ogen werden weer groot. ‘Dat heb ik gedaan,’ zei ze langzaam. ‘Ik ben langs de oevers van de Erinin naar Jualdhe gereden. Ontsla me nu van die eed!’ Ze likte haar lippen. Seaine keek haar vorsend aan. ‘Er werden goudsdoornzaden en rode roestdistel op je zadeldeken gevonden, Zerah. Goudsdoorn en roestdistel vind je niet binnen honderd span ten zuiden van Tar Valon.’
Zerah sprong overeind, en Pevara snauwde: ‘Zit!’ Zerah plofte neer op het bankje, maar ze kromp niet eens ineen. Ze trilde. Nee, ze beefde. Ze hield haar kaken strak op elkaar, anders hadden die volgens Seaine vast en zeker geklapperd. Licht, de vraag over het noorden of zuiden joeg haar meer vrees aan dan de beschuldiging dat ze een Duistervriend was.