‘Waar kwam je oorspronkelijk vandaan?’ vroeg Seaine langzaam, ‘en waarom...’ Ze wilde vragen waarom Zerah zo overduidelijk een omweg had gemaakt, zodat ze de richting had kunnen verbergen vanwaar ze gekomen was, maar het antwoord rolde reeds uit Zerahs mond.
‘Uit Salidar,’ piepte ze. Er was geen ander woord voor. Ze hield nog steeds de eedstaf vast en schoof heen en weer op de bank. Tranen sprongen uit haar ogen, ogen die onmogelijk groot stonden en strak op Pevara waren gericht. De woorden rolden stamelend naar buiten, hoewel haar tanden nu inderdaad klapperden, ik b-ben hier gek-ko-men om erv-voor te z-zorgen dat de zusters hier allemaal zouden w-weten van de R-Roden en Logain, zodat ze Elaida z-zouden afzetten en de T-toren weer één geheel kan worden.’ Ze stortte ineen en staarde de Rode Gezetene snikkend aan.
‘Wel,’ zei Pevara. En toen nog eens, grimmiger: ‘Wel!’ Haar gezicht stond beheerst maar haar glinsterende donkere ogen leken in het geheel niet op de kattenkwaadogen die Seaine zich herinnerde als novice en Aanvaarde. ‘Zo, dus jij bent de bron van dat... gerucht. Je zult voor de Zaal terechtstaan en die leugen onthullen! Geef de leugen toe!’
Zerahs grote ogen puilden uit. De staf rolde uit haar handen over tafel en ze greep naar haar keel. Haar mond sperde zich plotseling open met een verstikkend geluid. Pevara staarde haar verbijsterd aan, maar plotseling begreep Seaine het.
‘Het Licht zij genadig,’ hijgde ze. ‘Je hoeft niet te liegen, Zerah.’ Onder de tafel schopten Zerahs benen wild alsof ze probeerde op te staan maar niet overeind kon komen. ‘Zeg het haar, Pevara. Ze gelooft dat het waar is! Je hebt haar bevolen om te liegen én de waarheid te spreken. Kijk me niet zo aan! Ze gelooft erin!’ Zerahs lippen werden blauwig. Haar oogleden trilden. Seaine verzamelde kalmte met haar beide handen. ‘Pevara, je gaf het bevel, dus moet jij haar er ook van verlossen, of ze zal onder onze ogen stikken.’
‘Ze is een opstandelinge.’ Pevara’s gegrom gaf het woord alle minachting die ze erin kon leggen. Maar toen zuchtte ze. ‘Ze staat nog niet terecht. Je hoeft niet te... liegen.’ Zerah viel voorover, lag met haar wang op het tafelblad gedrukt en haalde gierend adem tussen haar gesnik door.
Seaine schudde verwonderd haar hoofd. Ze hadden de mogelijkheid van elkaar tegensprekende eden niet onderkend. En als de Zwarte Ajah niet alleen de Gelofte tegen het liegen verbrak, maar die verving door een eigen gelofte? Als ze alle drie de Geloften vervingen door hun eigen eden? Zij en Pevara zouden bij een Zwarte zuster heel voorzichtig moeten zijn, of ze konden haar dood veroorzaken voor ze wisten wat de tegenstrijdigheid was. Wellicht door eerst alle eden af te zweren? Ze wist geen manier om er nog voorzichtiger omheen te tasten zonder te weten welke eden Zwarte zusters aflegden. En dan vervolgens de drie Geloften opnieuw afleggen? Licht, van alles tegelijk ontheven worden zou weinig meer pijn veroorzaken dan een verhoor. Misschien verschilde het helemaal niet. Maar een Duistervriend verdiende dat beslist, en meer. Als ze er ooit een vonden.
Pevara keek boos en zonder enig medelijden naar de naar adem snakkende vrouw. ‘Als ze terechtstaat voor opstandigheid, wil ik in de rechtbank zitten.’
‘Als ze terecht zal staan, Pevara,’ zei Seaine nadenkend. ‘Het zou jammer zijn de hulp te verliezen van iemand van wie we weten dat ze geen Duistervriend is. En aangezien ze een opstandelinge is hoeven we het er niet moeilijk mee te hebben dat we haar gebruiken.’ Ze hadden verschillende gesprekken gevoerd over die andere reden om de nieuwe eed niet in te trekken, maar die waren niet afgerond. Een zuster die gehoorzaamheid had gezworen, kon gedwongen worden. Seaine voelde zich wat ongemakkelijk. Het klonk veel te veel als het verboden kwaad van Wilsdwang. Zo’n zuster kon overgehaald worden om mee te helpen met de jacht, zolang je het niet erg vond om haar te dwingen het gevaar te aanvaarden, of ze nu wilde of niet. ‘Ik kan niet geloven dat ze er slechts ééntje zouden sturen,’ ging ze door. ‘Zerah, met hoevelen kwamen jullie dit verhaal verspreiden?’
‘Tien,’ mompelde de ander tegen het tafelblad, en schoot toen met een uitdagende blik overeind, ik verraad mijn zusters niet! Ik ga niet...!’ Ineens hield ze op, en haar mond vertrok verbitterd toen ze besefte dat ze dat zojuist gedaan had.
‘Namen!’ blafte Pevara. ‘Geef me hun namen of ik vil je hier nu meteen!’
Namen tuimelden van Zerahs onwillige lippen. Beslist meer door het bevel dan door de bedreiging. Seaine keek naar Pevara’s grimmige gezicht en was ervan overtuigd dat het geen haartje scheelde of ze zou Zerah kastijden als een novice die betrapt werd op stelen. Vreemd genoeg voelde zij niet dezelfde vijandigheid. Afkeer zeker, maar beslist niet zo sterk. De vrouw was een opstandelinge die had geholpen de Witte Toren te doen breken, in een tijd dat een zuster er alles aan had moeten doen om de Toren heel te houden, en toch... Heel vreemd.
‘Je stemt ermee in, Pevara?’ zei ze, toen de laatste naam gevallen was. Het koppige mens beaamde het slechts met een bruuske knik. ‘Goed, Zerah. Je brengt Bernaile vanmiddag naar mijn kamer.’ Blijkbaar waren er twee van elke Ajah, behalve van de Blauwe en de Rode, maar het was het beste om met de andere Witte te beginnen. ‘Je zegt haar alleen dat ik haar over iets persoonlijks wil spreken. Je zult haar geen enkele waarschuwing geven, niet door een woord, een daad of door iets te verzwijgen. Dan hou jij je er verder buiten en laat je Pevara en mij doen wat nodig is. Je bent aangeworven voor een betere zaak dan die van de misleide opstandelingen.’ Natuurlijk waren die misleid. Al was Elaida nog zo’n machtswellusteling geworden. ‘Je gaat ons helpen bij de jacht op de Zwarte Ajah.’
Zerah knikte onwillig en bij iedere opdracht betrok haar gezicht wat meer, maar bij het noemen van de jacht op de Zwarte Ajah haalde ze hoorbaar adem. Licht, haar verstand moest wel helemaal in de war zijn door haar onvermogen om het te zien! ‘En je... verspreidt niet meer van die verhalen,’ voegde Pevara er streng aan toe. ‘Vanaf dit moment noem je de Rode Ajah en valse Draken niet meer in één adem. Begrepen?’
Over Zerahs gezicht gleed een masker van gemelijke koppigheid, maar haar mond zei: ik begrijp het, Gezetene.’ Ze leek uit louter teleurstelling elk ogenblik weer te gaan huilen.
‘Ga uit mijn ogen,’ zei Pevara, en liet schild en saidar tegelijk los. ‘En knap jezelf op! Was je gezicht en doe je haar!’ Dat laatste was tegen de rug van Zerah, die reeds van de tafel was weggeschoten. Ze moest haar handen uit haar haren halen om de deur te kunnen openen. Toen die achter haar dichtpiepte, snoof Pevara: ‘Het zou me niets verbazen als ze met dat uiterlijk naar die Bernaile was gegaan in de hoop haar op die manier te waarschuwen.’
‘Een goed punt,’ gaf Seaine toe. ‘Maar wie zullen wij waarschuwen als we in elke zaal of gang naar die vrouwen gaan kijken? We trekken op z’n minst enige aandacht.’
‘Zoals de zaken nu staan, Seaine, trekken we nog geen aandacht, al zouden we ze over het hele terrein van de Toren rondschoppen.’ Pevara’s stem klonk alsof ze dat een heel aantrekkelijk denkbeeld vond. ‘Het zijn opstandelingen, en ik ben van plan ze zó hard aan te pakken dat ze al piepen als er eentje maar zoiets als een verkeerde gedachte heeft!’
Ze bekeken het eindeloos van alle kanten. Seaine hield vol dat heel zorgvuldige opdrachten die geen ontsnappingsmogelijkheden mochten bieden, genoeg hoorden te zijn. Pevara wees erop dat ze tien opstandelingen – tien! – ongestraft in de Toren lieten rondlopen. Seaine merkte op dat ze ten slotte een bestraffing tegemoet zouden zien, en Pevara mopperde dat zoiets uiteindelijk niet snel genoeg was. Seaine had de wilskracht van de ander altijd bewonderd, maar soms was het echt zuivere koppigheid.
Een licht piepend scharnier was alle waarschuwing die Seaine kreeg om de eedstaf weg te grissen en in haar schoot in een rokplooi te verstoppen, toen de deur openging. Pevara en zij omhelsden de Bron bijna tegelijk.