Выбрать главу

Saerin kwam kalm de kamer binnen lopen met een lantaarn in haar hand, en maakte plaats voor Talene, die gevolgd werd door de kleine Yukiri met een tweede licht, en de jongensachtig slanke Doesine, die groot was voor een Cairhiense. Zij sloot de deur stevig en ging er met haar rug tegenaan staan alsof ze wilde voorkomen dat iemand het vertrek verliet. Vier Gezetenen van de andere Ajahs in de Toren. Ze schenen te negeren dat Seaine en Pevara saidar vasthielden. Opeens leek het heel vol in het vertrek, bedacht Seaine. Verbeelding, ongerijmd, maar...

‘Vreemd om jullie tweeën hier samen aan te treffen,’ zei Saerin. Haar gezicht mocht rust uitstralen, maar ze streek met haar vingers over het heft van haar gekromde mes. Ze had haar zetel veertig jaar behouden, langer dan iemand anders van de Zaal, en iedereen had geleerd om rekening met haar luimen te houden. ‘Dat kunnen we ook van jullie zeggen,’ zei Pevara droog. Saerins luimen deden haar nimmer iets. ‘Of zijn jullie wellicht hier beneden om Doesine te helpen enigszins haar gram terug te halen?’ De plotselinge blos zorgde ervoor dat het gezicht van de Gele zuster, ondanks haar slanke lichaam, zelfs nog meer van een knappe jongen weg had. Het maakte Seaine ook duidelijk welke Gezetene te dicht bij de Rode woonvleugel was afgedwaald, met ongelukkige gevolgen. ‘Maar ik had nooit gedacht dat het jullie zou samenbrengen. Groenen die Gelen naar de keel vliegen, en Bruinen die met Grijzen vechten. Of heb je ze voor een aardig tweegevecht meegenomen, Saerin?’ Seaine zocht verwoed naar de reden waarom deze vier zo diep in de harde rotsbodem onder de Witte Toren waren afgedaald. Wat kon hen samenbinden? Hun Ajahs – alle Ajahs – vlogen elkaar inderdaad naar de keel. Alle vier hadden een boetedoening van Elaida gekregen. Geen enkele Gezetene vond schoonmaken leuk, vooral niet als iedereen heel goed wist waarom ze vloeren of pannen schrobde, maar dat kon hen toch nauwelijks samenbrengen. Wat nog meer? Geen van hen was van hoge komaf. Saerin en Yukiri waren herbergiersdochters, Talene de dochter van een boer, terwijl Doesines vader beenhouwer was geweest. Saerin was aanvankelijk opgeleid door de Dochters van de Stilte en de enige van die groep die de stola had verworven. Dit was allemaal gebeuzel. Opeens viel haar echter iets in en werd haar mond droog. Saerin kon haar drift vaak nauwelijks in toom houden. Doesine was als novice werkelijk driemaal weggelopen, hoewel ze het maar één keer tot aan de bruggen had gehaald. Talene had wellicht meer straffen opgelegd gekregen dan elke andere novice uit de geschiedenis van de Toren. En Yukiri was altijd de laatste Grijze die zich schikte in de eenstemmigheid van haar zusters, als ze iets anders wenste. Zij was feitelijk de laatste nieuweling in de Zaal. Alle vier werden min of meer als opstandig beschouwd, en Elaida had elk van hen vernederd. Vonden ze dat ze een fout hadden gemaakt door in te stemmen met Siuans afzetting en Elaida’s verheffing? Zouden zij het ontdekt hebben van Zerah en de anderen? En als dat zo was, wat waren ze dan van plan?

Seaine probeerde zich er geestelijk op voor te bereiden saidar te weven, hoewel ze niet veel hoop op ontsnapping had. Pevara was in vermogen gelijkwaardig aan Saerin en Yukiri, maar zelf was zij de zwakste hier, afgezien van Doesine. Ze bereidde zichzelf voor, en Talene deed een stap naar voren en sloeg haar hele redenering aan gruizels.

‘Yukiri zag hoe jullie samen rondsluipen, en we willen weten waarom.’ Er lag iets opgewondens in haar verrassend lage stem, ondanks het ijs dat op haar gezicht leek te zijn gepleisterd. ‘Hebben jullie Ajah-oversten je voor een geheime opdracht uitgestuurd? In het openbaar snauwen zij elkaar als viswijven af, maar blijkbaar verstoppen ze zich in allerlei hoekjes om met elkaar te praten. Wat ze ook bekonkelen, de Zaal heeft het recht om het te weten.’

‘Ach, laat mij maar, Talene.’ Yukiri’s stem was zoals altijd een nog grotere verrassing dan die van Talene. De vrouw zag eruit als een kleine koningin in het zilvergrijze zijde met ivoorwit kantwerk, maar haar stem klonk als van een gemoedelijke boerin. Ze beweerde dat die tegenstelling hielp bij onderhandelingen. Ze glimlachte Seaine en Pevara toe als een vorstin die misschien niet helemaal wist hoe voorkomend ze moest zijn. ik zag jullie twee rondsnuffelen als fretten om de kippenren,’ zei ze, ‘maar ik hield mijn mond. Misschien zijn jullie wel boezemvriendinnen, wie weet, en dat is toch alleen jullie zaak? Ik hield mijn mond tot Talene hier begon te kleppen over wie er zich in stille hoekjes verborg. Ik heb zelf in wat hoekjes geneusd en ik vermoed dat sommigen weleens de oversten van hun Ajahs kunnen zijn, dus... Soms is vijf en vijf twee handen vol, en soms maken ze er een rommeltje van. Vertel het ons nu, als je kan. De Zaal heeft er recht op.’

‘We gaan pas weg als je het ons vertelt,’ voegde Talene er zelfs nog vuriger aan toe.

Pevara snoof en sloeg haar armen over elkaar. ‘Als de overste van mijn Ajah twee woorden tot me sprak, zie ik nog geen reden om die aan jou te vertellen. Toevallig heeft mijn gesprek met Seaine niets te maken met de Roden of de Witten. Steek je neus maar ergens anders in.’ Maar ze liet saidar niet los en Seaine evenmin. ‘Allemaal goed waardeloos, en bloedvuur, ik wist het,’ mopperde Doesine bij de deur. ‘Waarom ik me hiervoor liet opjutten... Bloed en as, het is maar goed dat niemand hiervan weet, anders hadden we allemaal in onze broek gepist en had iedereen in deze hele Toren het gezien.’ Soms sprak ze als een jongen, eentje die nodig zijn mond moest spoelen.

Seaine was graag opgestaan om te vertrekken, als ze niet bang was geweest dat haar knieën haar zouden verraden. Pevara stond echter al en trok een ongeduldige wenkbrauw op naar de vrouwen tussen haar en de deur.

Saerin speelde weer met het gevest van haar mes en keek hen onderzoekend aan, maar deed geen stap opzij. ‘Een raadsel,’ mompelde ze. Plotseling schoot ze naar voren en haar vrije hand greep zo snel in Seaines schoot dat Seaine een geschrokken zucht slaakte. Ze probeerde de eedstaf bedekt te houden, maar het enige gevolg was dat Saerin aan een kant de eedstaf omhoogtrok, terwijl zij het andere eind en een vuist vol stof vasthield, ik ben dol op raadsels,’ zei Saerin.

Seaine liet de staf los en schikte haar rok goed. Ze leek niets anders te kunnen doen.

Het zien van de eedstaf ontketende veel herrie waarbij iedereen tegelijk sprak.

‘Bloedvuur,’ gromde Doesine. ‘Zijn jullie hier voor de verheffing van een nieuw stel zusters?’

‘Ach, geef terug, Saerin,’ lachte Yukiri boven haar uit. ‘Wat ze ook van plan zijn, het is hun eigen zaak.’

Tegelijk blafte Talene: ‘Waarom sluipen ze anders samen rond, als het niet iets te maken heeft met de oversten van de Ajahs?’ Saerin wuifde met een hand en wist iedereen na enkele tellen stil te krijgen. Alle aanwezigen waren Gezetenen, maar zij had het recht om als eerste in de Zaal te spreken, en haar veertig jaren telden ook mee. ‘Dit is de sleutel tot het raadsel, denk ik,’ zei ze, en streek met haar duim over de eedstaf. ‘Toch alleen hiervoor?’ Opeens was ze eveneens gehuld in de saidargloed en geleidde ze Geest in de eedstaf. ‘In het Licht beloof ik geen onwaar woord te spreken. Ik ben geen Duistervriend.’

In de daarop volgende stilte zou het niezen van een muis oorverdovend hebben geklonken.

‘Heb ik gelijk?’ zei Saerin en liet de Kracht los. Ze hield Seaine de eedstaf voor.

Voor de derde keer legde Seaine de Gelofte tegen liegen af, en voor de tweede keer herhaalde ze dat ze niet van de Zwarte Ajah was. Pevara deed hetzelfde met een bijna bevroren waardigheid. Haar ogen waren zo scherp als die van een arend. ‘Dit is belachelijk,’ zei Talene. ‘Er is geen Zwarte Ajah.’ Yukiri nam de eedstaf van Pevara over en geleidde, in het Licht beloof ik geen onwaar woord te spreken. Ik ben geen Duistervriend.’ De gloed van saidar om haar heen verdween en ze gaf de staf over aan Doesine.

Talenes gezicht vertrok van afkeer. ‘Ga opzij, Doesine. Ik laat me niet in met die smerige veronderstelling.’

‘In het Licht beloof ik geen onwaar woord te spreken,’ zei Doesine bijna eerbiedig. De gloed om haar heen was bijna een stralenkrans, ik ben geen Duistervriend.’ In ernstige omstandigheden was haar woordkeus even netjes als de Meesteres der Novices had kunnen wensen. Ze hield Talene de staf voor.