De goudblonde vrouw deinsde terug alsof het een gifslang was. ‘Het is laster om er zelfs maar naar te vragen. Erger dan laster!’ Er verscheen iets dierlijks in haar ogen. Een vreemde indruk, maar zo legde Seaine het uit. ‘Nou, opzij,’ eiste Talene met alle gezag van een Gezetene. ik vertrek.’
‘Dat denk ik niet,’ zei Pevara rustig, en Yukiri knikte traag en instemmend. Saerin speelde niet meer met het heft van haar mes; ze hield het vast tot haar knokkels wit waren.
Rijdend en ploeterend door de dikke sneeuw van Andor vervloekte Toveine Gazal de dag van haar geboorte. Ze was klein en ietwat gezet, met een gladde koperen huid en lang en glanzend donker haar. Voor velen had ze er al die jaren aardig uitgezien, maar niemand zou haar ooit knap genoemd hebben. En nu zou zeker niemand dat doen. Haar vroeger openhartige donkere ogen boorden zich nu in alles waar ze naar keek. Dat was wanneer ze niet kwaad was. En vandaag was ze kwaad. Als Toveine kwaad was, vluchtten slangen weg. Vier andere Roden reden, nee ploeterden, achter haar aan, gevolgd door twintig man van de Torenwacht in hun donkere wambuizen en mantels. Geen van de mannen vond het leuk dat hun wapenrusting weggeborgen was op de pakpaarden, en ze loerden naar het bos aan weerszijden van de weg alsof ze elk moment een aanval verwachtten. Hoe ze dachten om onopgemerkt driehonderd span lang door Andor te rijden in de wambuizen en mantels met de Vlam van Tar Valon, kon Toveine niet bevroeden. Maar de tocht zat er bijna op. Over een dag, misschien twee, met wegen waar de sneeuw tot aan de paardenknieën reikte, zou ze zich bij negen andere groepen voegen, die dezelfde samenstelling kenden. Niet alle zusters daarin waren Rood, helaas, maar daar had ie niet echt veel moeite mee. Toveine Gazal, eens een Gezetene voor de Roden, zou de geschiedenis ingaan als de vrouw die de Zwarte Toren had vernietigd. Ze wist zeker dat Elaida dacht dat ze dankbaar was voor deze kans, toen ze teruggeroepen werd uit verbanning en ongenade, en daarmee een mogelijkheid voor vergeving kreeg. Ze trok spottend haar neus op, en als een wolf onder de diepe kap van haar mantel kon kijken, zou hij verbleken. De daden van twintig jaar geleden waren noodzakelijk geweest, en het Licht mocht iedereen verbranden die mompelde dat de Zwarte Ajah erbij betrokken moest zijn geweest. Het was rechtvaardig en noodzakelijk geweest, maar Toveine Gazal was ontzeteld en gedwongen om onder de roede om genade te smeken, terwijl de verzamelde zusters toekeken. Zelfs novices en Aanvaarden waren er getuige van geweest dat de wet ook voor Gezetenen gold, al was hun niet verteld om welke wet het ging. En toen was ze weggezonden en had de afgelopen twintig jaar op de afgelegen boerderij gewerkt van vrouw Jara Doweel in de Zwarte Heuvels. De boerin zag in een verbannen boetelinge geen verschil met enige andere boerenmeid die in weer en wind op het land zwoegde. Toveines handen verschoven aan de teugels; ze kon het eelt voelen. Vrouw Doweel – zelfs nu kon ze niet aan haar denken zonder het afgedwongen ‘vrouw’ – geloofde in hard werken. En tucht, die net zo streng was als voor novices. Ze had geen enkel medelijden met iemand die onder hetzelfde slopende werk uit probeerde te komen dat zij zelf verrichtte. En al helemaal geen mededogen met een vrouw die wegsloop om zich met een leuke jongen te vermaken. Dat was de afgelopen twintig jaar Toveines bestaan geweest. En Elaida was niet gesnapt, had zich door kiertjes en spleetjes gewurmd en was dansend op de Amyrlin Zetel beland, waarvan Toveine ooit zelf had gedroomd. Nee, ze was niet dankbaar. Maar ze had geleerd om de gelegenheid af te wachten.
Ineens dreef voor haar op de weg een lange man in een zwarte mantel, wiens haar tot aan zijn schouders viel, zijn paard het bos uit. ‘Verzet heeft geen zin,’ verkondigde hij streng en hief een in een handschoen gehulde hand. ‘Geeft u zonder strijd op, en niemand zal gewond raken.’
Het was niet zijn verschijning, noch zijn woorden die Toveine de teugels deed inhouden en de andere zusters liet aansluiten. ‘Pak hem,’ zei ze kalm. ‘Je kunt beter koppelen. Hij heeft me afgeschermd.’ Blijkbaar was zo’n Asha’man naar haar toe gekomen. Heel aardig van hem.
Ineens besefte ze dat er niets gebeurde. Haar ogen gleden van de man naar Jenare en keken haar vragend aan. Het bleke, vierkante gezicht van de vrouw leek volkomen bloedeloos. ‘Toveine,’ zei ze haperend, ‘ik ben ook afgeschermd.’
‘Ik ook,’ hijgde Lemai ongelovig, en de anderen bevestigden het met groeiende angst. Allemaal afgeschermd.
Overal om hen heen kwamen andere mannen in het zwart op traag stappende paarden tussen de bomen te voorschijn. Toveine hield bij vijftien op met tellen. De Torenwachters gromden boos en wachtten op het bevel van de zuster. Ze wisten van niets, behalve dat een bende schurken hun de weg versperde. Toveine klakte geërgerd met haar tong. Die mannen konden uiteraard niet allemaal geleiden, maar kennelijk was iedere geleider tegen haar uitgereden. Ze raakte niet in paniek. Anders dan bij sommige zusters van het gezelschap, waren dit niet de eerste geleiders die ze ontmoet had. De lange man reed glimlachend op haar af. Kennelijk dacht hij dat ze aan zijn belachelijke bevel had gehoorzaamd.
‘Op mijn bevel,’ zei ze zacht, ‘breken we naar alle kanten uit. Zodra je zo ver bent dat de man het schild verliest’ – mannen dachten altijd dat ze het voorwerp van hun weving moesten zien om die vast te houden, wat betekende dat ze dat nu ook moesten – ‘keer je je om en help je de Torenwacht. Hou je klaar.’ Ze verhief haar stem tot een schreeuw: ‘Wachters, val aan!’
Brullend stormden de Torenwachters met zwaaiende zwaarden naar voren, waarbij ze ongetwijfeld de zusters wilden omringen en beschermen. Toveine trok de teugels naar rechts en begroef haar hielen in de flanken van haar merrie. Ze boog zich diep over de hals van Mus, ontweek haar geschrokken Wachters en dook tussen twee heel jonge mannen door, die haar verbijsterd aanstaarden. Toen was ze tussen de bomen en zette haar paard tot meer snelheid aan, waarbij de sneeuw in het rond stoof. Ze gaf er niet om als het dier een been zou breken. Ze hield van het beest, maar er zou vandaag meer sterven dan een paard. Achter haar klonk geschreeuw. Een stem die dwars door het lawaai heen brulde. De stem van de lange man. ‘Op bevel van de Herrezen Draak: neem hen levend gevangen! Verwond een Aes Sedai, en je zult je tegen mij moeten verantwoorden!’ Op bevel van de Herrezen Draak. Voor het eerst voelde Toveine hoe een ijspegel in haar binnenste bewoog. De Herrezen Draak. Ze sloeg met de teugels tegen de hals van Mus. Ze was nog steeds afgeschermd! Er waren toch zeker al genoeg bomen tussen hen en haar, ze was toch zeker al uit het zicht van die vervloekte mannen! O Licht, de Herrezen Draak!
Ze gromde toen iets als een tak om haar middel sloeg. Iets wat geen tak was trok haar uit het zadel. Daar hing ze, en ze zag Mus in galop doorploeteren, voor zover de sneeuw dat toestond. Daar hing ze. Midden in de lucht, armen tegen haar zijden gedrukt en haar voeten een pas of twee boven de grond. Ze slikte. Het moest het mannelijk deel van de Kracht zijn die haar omhooghield. Nooit eerder was ze door saidin aangeraakt. Ze meende de smet van de Duistere te voelen. Ze huiverde en vocht verwoed om het niet uit te schreeuwen. De lange man hield zijn paard voor haar in, en ze zweefde omlaag tot ze zijdelings voor hem op het zadel zat. Maar hij leek geen bijzondere belangstelling voor zijn gevangen Aes Sedai te hebben. ‘Hardlin!’ schreeuwde hij. ‘Norlei! Kajima! Een van jullie jonge lummels hierheen. Nu!’
Hij was heel lang, met schouders zo breed als de steel van een bijl. Zo zou vrouw Doweel het gezegd hebben. Nog net niet van middelbare leeftijd en knap op een sombere, verweerde manier. Helemaal geen mooie jongen zoals Toveine ze verkoos; geestdriftig en sierlijk en zo gemakkelijk te overheersen. Aan een kant was de hoge kraag van zijn zwart wollen mantel versierd met een zilveren zwaard, en aan de andere kant met een eigenaardig schepsel in goud en rood email. Hij was een geleider. En hij had haar afgeschermd en gevangengenomen.