De schreeuw uit haar keel maakte zelfs hem aan het schrikken. Ze zou die zo mogelijk tegengehouden hebben, maar er kwam er nog een, hoger, en nog een, die zelfs nog hoger was, en weer een en nog een. Ze sloeg wild om zich heen en wierp zich alle kanten op. Het was zinloos tegen de Ene Kracht. Dat wist ze ook, maar slechts in een klein hoekje van haar geest. Al het andere in haar krijste en jankte in woordeloos gesmeek om gered te worden van de Schaduw. Ze krijste en worstelde als een wild beest.
Vaag was ze zich bewust van zijn paard dat vooruit sprong en danste, terwijl haar hielen tegen zijn schouder trommelden. Vaag hoorde ze de man praten. ‘Rustig, kolenzak met ezelsoren! Kalmeer, zuster. Ik ga niet... Kalm, kreupele muilezel! Licht! Mijn verontschuldigingen, zuster, maar dit is de manier waarop we het geleerd hebben.’ En toen kuste hij haar.
Slechts een hartenklop lang besefte ze dat zijn lippen de hare raakten, toen verdween haar gezichtsvermogen en vloeide er warmte door haar heen. Meer dan warmte. Vanbinnen was ze gesmolten honing, honing die opborrelde en ging koken. Ze was een harpsnaar die steeds sneller trilde, tot die niet meer zichtbaar was, en almaar sneller trilde. Ze was een dunne, kristallen vaas, die trilde op de rand van uiteenspatten. De harpsnaar brak; de vaas spatte uiteen. ‘Aaaaaaaaaaaahh!’
Eerst besefte ze nog niet dat dat geluid uit haar eigen mond was gekomen. Even kon ze helemaal niet samenhangend denken. Hijgend staarde ze naar het gezicht boven haar en vroeg zich af tot wie dat behoorde. Ja, de lange man. De man die kon -ik had het best kunnen stellen zonder het extra werk,’ zuchtte hij, en klopte op de hals van zijn paard; het dier snoof, maar sprong niet langer wild rond. ‘Maar ja, het is nodig, neem ik aan. Je bent nauwelijks een gehuwde vrouw te noemen. Wees kalm. Probeer niet te ontsnappen, val niemand in een zwarte mantel aan, en raak de Bron niet aan, tenzij ik je toestemming geef. Goed, wat is je naam?’ Tot hij toestemming gaf? De onbeschaamde vent! ‘Toveine Gazal,’ zei ze, en knipperde met haar ogen. Wat, waarom had ze hem antwoord gegeven?
‘Daar ben je,’ zei een andere man in een zwarte mantel, die met zijn paard door de sneeuw naar hen toe ploeterde. Deze man was veel meer naar haar smaak – als hij geen geleider was geweest. Ze betwijfelde of de jongen met zijn roze wangen zich meer dan twee keer in de week schoor. ‘Licht, Logain!’ riep de jongen. ‘Heb je er nóg een te pakken gekregen? De M’Hael zal dat niet leuk vinden! Ik geloof dat hij het helemaal niet leuk vindt als wij iemand gevangennemen. Maar ja, misschien maakt het voor vriendjes allemaal niets uit.’
‘Vrienden, Vinchova?’ zei Logain droog. ‘Als de M’Hael het voor het zeggen had, zou ik knollen schoffelen met de nieuwe jongens. Of in de akker begraven worden,’ voegde hij er mompelend aan toe. Ze dacht dat hij dit niet wilde laten horen.
Ze wist niet wat de knappe jongen had opgevangen, maar hij lachte ongelovig. Toveine hoorde hem nauwelijks. Ze staarde naar de man die boven haar uit torende. Logain. De valse Draak. Maar hij was dood! Gestild en dood! En hij hield haar met een achteloze hand in het zadel voor zich. Waarom schreeuwde ze niet, sloeg ze niet naar hem? Zelfs haar mes zou genoeg zijn, op deze afstand. Maar ze had helemaal geen wens om naar het ivoren heft te tasten. Ze kon het wel, besefte ze. De band om haar middel was weg. Ze kon ten minste van het paard glippen en proberen om... Maar ook daar had ze geen verlangen naar.
‘Wat heb je met me gedaan?’ wilde ze weten. Kalm. Ze had in ieder geval haar kalmte kunnen bewaren.
Logain wendde zijn paard om naar de weg terug te rijden en zei haar wat hij gedaan had. Ze legde haar hoofd tegen zijn brede borst en maalde er niet om hoe groot hij was, en ze huilde. Ze zwoer dat Elaida hiervoor zou boeten. Als Logain haar dat ooit zou toestaan. Vooral dat laatste was een bittere gedachte.
27
De overeenkomst
In kleermakerszit probeerde Min zich in een zwaar vergulde stoel met een hoge rugleuning te ontspannen met Rede en drogrede, een in leer gebonden boek van Herid Fel, dat open op haar knieën lag. Geen gemakkelijk boek. O, het boek was begeesterend. De woorden van baas Fel zogen haar steeds weer een wereld van denken binnen waar ze tijdens haar werk in stallen en herbergen nooit aan had gedacht. Ze vond de dood van de lieve oude man heel verdrietig. Ze hoopte in zijn boeken een reden te vinden waarom hij gedood was. Haar donkere krulletjes zwaaiden heen en weer, toen ze zich hoofdschuddend weer aan het boek probeerde te wijden. Het boeide haar maar in het vertrek was het drukkend. Rhands kleine troonvertrek in het Zonnepaleis was overdadig verguld vanaf de brede kroonlijsten tot de grote muurspiegels, die het stel vervingen dat Rhand vernield had, en van de twee rijen stoelen zoals de stoel waarop ze zat, tot aan de verhoging aan het eind van de stoelen en de drakentroon daarbovenop. Het was een monster van een meubel, gemaakt in de stijl van Tyr zoals de ambachtslieden van Cairhien zich die voorstelden. Het geval rustte op de ruggen van twee draken, had als armleuningen nog eens twee draken, en op de rug zaten er nog meer die omhoogklommen. Ze hadden allemaal ogen van zonnestenen en het geheel glansde en glinsterde van verguldsel en rood email. Een geweldige gouden Rijzende Zon met golvende stralen in de gladde stenen vloer maakte het gevoel van zwaarte nog drukkender. Gelukkig gaf het vuur dat fel brandde in twee grote haarden, voor haar groot genoeg om erin rond te lopen, een aangename warmte, vooral nu het buiten maar niet ophield met sneeuwen. En dit waren Rhands vertrekken; alleen al die vertroosting deed elk drukkend gevoel teniet. Een ergerlijke gedachte. Dit was Rhands kamer als hij zich ooit nog verwaardigde terug te komen. Een heel ergerlijke gedachte. Een man liefhebben leek voor het merendeel te bestaan uit ontzettend vaak aan jezelf toegeven dat je je ergerde!
Ze verschoof iets in een vergeefse poging om de harde stoel wat gemakkelijker te maken en probeerde te lezen, maar haar ogen bleven naar de grote deuren glijden die hoog oprezen met hun twee rijen vergulde rijzende zonnen. Ze hoopte dat ze Rhand zou zien en vreesde dat het Sorilea of Cadsuane zou zijn. Onbewust schikte ze haar lichtblauwe jas goed en streek over de kleine sneeuwbloempjes die op kraag geborduurd waren. Nog meer bloemen vervlochten zich op de mouwen en op haar broekspijpen, die zo nauw waren dat ze zich er maar net in kon wringen. Niet zo gek veel anders dan wat ze altijd had gedragen. Niet echt. Tot nog toe had ze rokken en gewaden weten te vermijden, al droeg ze nu veel meer borduursel, maar ze was eigenlijk heel bang dat Sorilea van plan was haar in een gewaad te kleden, al zou de oude Wijze haar daarvoor eigenhandig uit haar kleding moeten pellen.
De vrouw wist alles van haar en Rhand. Alles en alles. Ze voelde zich rood worden. Sorilea leek te willen besluiten of Min Farsen een geschikte... minnares voor Rhand Altor was. Het woord maakte haar waanzinnig draaierig. Ze was toch geen meisje die op wolkjes liep? Dat woord deed haar bijna schichtig over haar schouder kijken naar de tantes die haar hadden opgevoed. Nee, dacht ze droog, je loopt niet op wolkjes. In vergelijking met jou kunnen wolken nadenken! Of wilde Sorilea misschien weten of Rhand de geschikte man voor Min was? Zo leek het bij tijd en wijle ook te zijn. De Wijzen hadden Min als een van hen aanvaard, bijna tenminste, maar de afgelopen weken had Sorilea haar uitgewrongen als door de wringer van een wasvrouw. De tanige Wijze met het witte haar vroeg elk rafeltje van Mins lijf en elk draadje van Rhands hemd. Ze wilde de stof in de zomen van zijn zakken kennen. Tweemaal had Min geprobeerd in opstand te komen tegen die onophoudelijke ondervraging en tweemaal had Sorilea een strafrietje gepakt! Die verschrikkelijke oude vrouw had haar gewoon over de rand van een nabije tafel gegooid en haar daarna gezegd dat zoiets wellicht weer wat meer draadjes in haar hoofd zou los tornen. En geen enkele andere Wijze had ook maar enig medelijden. Licht, de dingen die je door een man te verduren had. En bloedvuur, ze kon hem niet eens voor zichzelf alleen hebben.