Cadsuane was weer een heel ander probleem. De immens waardige Aes Sedai, die even grijs was als Sorilea wit, leek geen zier om Min of Rhand of beiden te geven, maar ze bracht wel veel tijd in het Zonnepaleis door. Haar helemaal ontlopen was onmogelijk. Ze leek overal rond te zwerven waar ze maar wilde. En wanneer Cadsuane naar Min keek, al was het nog zo kort, zag Min overduidelijk een vrouw die stieren kon leren dansen en beren zingen. Telkens dacht ze dat de vrouw haar zou aanwijzen en verkondigen dat het de hoogste tijd was dat ene Min Farsen leerde een bal op haar neus in evenwicht te houden. Vroeg of laat moest Rhand Cadsuane weer onder ogen komen en die gedachte legde knopen in Mins maag. Ze dwong zich weer naar het boek te buigen. Een van de deuren zwaaide open en Rhand stapte binnen met de drakenstaf genesteld in de kromming van zijn arm. Hij droeg een gouden kroon, een brede band van erebladeren. Dat moest de Kroon der Zwaarden zijn waar iedereen het over had. Hij had verder een mooie broek aan die zijn benen op z’n fraaist toonde en een groenzijden jas met goudbrokaat die hem prachtig stond. Hij was zo knap. Ze gaf de plek in het boek aan met het briefje dat meester Fels geschreven had, waarin stond dat zij ‘al te knap was’, deed het boek zorgvuldig dicht en zette het even zorgvuldig op de grond naast haar stoel. Toen sloeg ze de armen over elkaar en wachtte af. Als ze gestaan had, zou ze met haar voet hebben getikt, maar ze wilde niet dat hij dacht dat ze opsprong zodra hij eindelijk zijn neus om de deur stak.
Even stond hij daar en gaf hij haar een glimlach en trok om een of andere reden aan zijn oorlelletje – hij leek te neuriën – toen draaide hij zich opeens om en keek fronsend naar de deuren. ‘De Speervrouwen buiten zeiden niet eens dat je hier was. Ze zeiden amper een woord. Licht, het leek of ze zich wilden sluieren toen ze mij zagen.’
‘Ze zijn misschien van streek,’ zei ze kalm. ‘Misschien vroegen ze zich af waar jij zat. Net als ik. Misschien vroegen zij zich af of je gewond was, of ziek of koud.’ Zoals ik deed, dacht ze verbitterd. Hij leek zowaar in de war!?
‘Ik heb je geschreven,’ zei hij langzaam en ze snoof.
‘Tweemaal! Je hebt Asha’man bij je, Rhand Altor, en je hebt twee keer geschreven. Noem je dat schrijven?’
Hij deinsde achteruit of ze hem had geslagen – nee, alsof ze hem in de maag had geschopt! – en knipperde met zijn ogen. Ze staalde zich en liet haar rug tegen de leuning rusten. Als je op het verkeerde ogenblik een man je medeleven toonde, zou je het verloren gebied nooit herwinnen. Een deel in haar wilde haar armen om hem heen slaan, hem troosten, elke pijn wegkussen, al zijn gekwelde gevoelens troosten. Hij had er zoveel en weigerde er iets van toe te geven. Ze was niét van plan op te springen en naar hem toe te snellen en in een spraakwaterval te vragen wat er verkeerd was en... Licht, het moest in orde met hem zijn.
Iets nam haar zachtjes onder de ellebogen beet en tilde haar uit de stoel. Met bungelende blauwe laarzen dreef ze door de lucht naar hem toe. De drakenstaf zweefde van hem weg. Dus hij meende te kunnen glimlachen, nietwaar? Hij meende dat een aardige glimlach haar wel zou doen omzwaaien. Ze deed haar mond al open om hem van katoen te geven. Een heel stijf en hard stuk katoen! Hij sloeg zijn armen om haar heen en kuste haar.
Toen ze weer adem kon halen, keek ze hem door haar oogharen strak aan. ‘De eerste keer...’ Ze slikte om haar keel te schrapen. ‘Die eerste keer beende Jahar Narishma naar binnen. Hij probeerde zijn ogen in ieders schedel te boren zoals hij altijd doet en verdween na me een vodje perkament te hebben gegeven. Laat me nadenken. Er stond op: “Ik heb de kroon van Illian in mijn bezit. Vertrouw niemand tot ik terug ben. Rhand.” Voor een beetje liefdesbrief wat aan de korte kant, zou ik zo zeggen.’ Hij kuste haar weer.
Ditmaal duurde het wat langer voor ze weer op adem was gekomen. Dit ging in het geheel niet naar verwachting. Aan de andere kant ging het ook niet zo erg slecht. ‘De tweede keer leverde Jonan Adlie een vodje af waarop stond: “Ik kom terug wanneer ik hier klaar ben. Vertrouw niemand. Rhand.” En Adlie kwam toen ik in bad zat,’ voegde ze eraan toe, ‘en hij schaamde zich in het geheel niet om alles goed te bekijken.’ Rhand probeerde altijd net te doen of hij niet jaloers was – alsof er ook maar een man bestond die dat niet was -maar ze had zijn barse blikken op mannen die naar haar keken, gezien. En zijn heel aanzienlijke inzet was naderhand ook veel heftiger. Ze vroeg zich af waar deze kus op zou uitlopen. Zou ze hem wellicht een wenk geven om zich in de slaapkamer terug te trekken? Nee, zo uitgesproken wilde ze ook niet zijn, en het deed er... Rhand zette haar neer en zijn gezicht stond opeens somber. ‘Adlie is dood,’ zei hij. Ineens vloog de kroon van zijn hoofd en tolde de hele kamer door alsof hij was weggegooid. Net voor ze dacht dat hij tegen de rug van de drakentroon zou slaan, misschien erdoorheen zou schieten, bleef de brede gouden band stil hangen en zakte langzaam op de zitting neer.
Min snakte naar adem terwijl ze naar hem opkeek. Bloed glinsterde in de donkerrode krullen boven zijn linkeroor. Ze trok een met kant afgezet doekje uit haar mouw en stak haar hand uit naar zijn slaap, maar hij greep haar pols beet. ‘Ik heb hem gedood,’ zei hij stil.
Ze rilde bij het horen van zijn stem. Stil, zoals een graf stil was. Misschien was de slaapkamer toch een heel goed plan. En enige opzettelijkheid deed er niet toe. Ze dwong zich te glimlachen en bloosde bij het besef hoe gemakkelijk ze kon glimlachen als ze aan dat grote bed dacht. Ze greep zijn hemd beet en wilde ter plekke zijn kleren van z’n lijf scheuren. Er werd geklopt.
Mins handen schoten weg van zijn hemd. Ze sprong zelf ook van hem vandaan. Wie kon dat zijn? vroeg ze zich vol ergernis af. De Speervrouwen kondigden een bezoeker aan wanneer Rhand er was, of stuurden die gewoon door.
‘Binnen,’ zei hij hard en keek haar berouwvol aan. Opnieuw bloosde ze.
Dobraine stak zijn hoofd om de deur, kwam binnen en sloot de deur achter zich toen hij hen bij elkaar zag staan. De Cairhiense heer was een kleine man, iets groter dan zijzelf. Hij had de voorkant van zijn hoofd geschoren en de rest van zijn voornamelijk grijze haren viel tot op zijn schouders. Blauwe en witte linten tooiden de voorkant van de bijna zwarte jas tot onder zijn middel. Zelfs voor hij Rhands gunst verwierf was hij in dit land reeds een machtig man. Nu regeerde hij hier, tenminste tot Elayne de Zonnetroon kon opeisen. ‘Mijn heer Draak,’ mompelde hij met een buiging. ‘Mijn vrouwe Ta’veren.’
‘Een grapje,’ mompelde Min toen Rhand een wenkbrauw optrok. ‘Wellicht,’ zei Dobraine met een licht schouderophalen, ‘niettemin is de helft van de edelvrouwes in de stad nu in net zulke felle kleuren gekleed als vrouwe Min. Kniebroeken die de benen tonen, en velen in jassen die niet eens hun...’ Hij kuchte beschaafd toen hij besefte dat Mins jas haar heupen ook niet volledig bedekte. Ze dacht erover hem te zeggen dat hij heel mooie benen had, al waren ze wat knobbelig, maar achtte het toch maar beter van niet. Rhands jaloersheid kon een heerlijk vuurtje ontsteken wanneer ze alleen waren, maar ze wilde niet dat hij het op Dobraine afreageerde. Ze was bang dat hij daartoe in staat was. Bovendien dacht ze dat het echt een vergissing was. Heer Dobraine Taborwin was geen man die zelfs maar ondeugende grapjes maakte.
‘Dus jij verandert de wereld ook, Min.’ Grijnzend tikte Rhand met zijn wijsvinger op het puntje van haar neus. Tikte op haar neus. Als een kind waarmee hij zich vermaakte! Nog erger, ze voelde hoe ze als een zottin naar hem teruggrijnsde. ‘Op een betere manier dan ik, blijkbaar,’ vervolgde hij en die korte jongensachtige grijns verdween als mist.
‘Is alles goed in Tyr en Illian, mijn heer Draak?’ vroeg Dobraine nieuwsgierig, in Tyr en Illian is alles goed,’ antwoordde Rhand grimmig. ‘Wat voor nieuws heb je voor me, Dobraine? Ga zitten man, ga zitten.’ Hij gebaarde naar de rij stoelen en nam er zelf ook een. ik heb gehandeld op al uw brieven,’ zei Dobraine, tegenover Rhand plaatsnemend. ‘Er is echter maar weinig goeds te melden, vrees ik.’ ik zal wat te drinken voor ons pakken,’ zei Min strak. Brieven? Het was niet gemakkelijk weg te benen in laarzen met hoge hakken. Ze was eraan gewend geraakt, maar de dingen zorgden ervoor dat je wiegde, wat je ook deed. Wegbenen was niet gemakkelijk maar als je kwaad genoeg was, was alles mogelijk. Ze beende naar het kleine vergulde tafeltje onder een reusachtige spiegel waar een zilveren kan en roemers stonden. Ze gaf het inschenken van de kruidenwijn alle aandacht waarbij ze de wijn woest liet rondspatten. De bedienden brachten altijd wat meer roemers voor mogelijke gasten, al schonk ze zelden wat in en alleen voor Sorilea of dat dwaze stel edelvrouwes. De wijn was amper warm, maar heet genoeg voor dat stel mannen achter haar. Zij had twee briefjes gekregen maar ze durfde er wat om te verwedden dat Dobraine er wel tien had ontvangen! Twintig! Ze zette kletterend de kan en de roemers neer en luisterde toen goed. Wat hadden ze achter haar rug uitgespookt met die handen vol brieven?