Выбрать главу

‘Toram Riatin schijnt verdwenen te zijn,’ zei Dobraine, ‘hoewel de geruchten er jammer genoeg wel op duiden dat hij nog in leven is. De geruchten zeggen ook dat Daved Hanlon en Jeraal Mordeth – Padan Fajin, zoals u de man noemt – hem in de steek hebben gelaten. Tussen twee haakjes, ik heb Torams zuster, vrouwe Ailil, ondergebracht in ruime vertrekken met bedienden die... betrouwbaar zijn.’ Aan zijn stem te horen bedoelde hij trouw aan hemzelf. De vrouw zou zich nog niet kunnen omkleden zonder dat hij het wist. ik kan begrijpen dat u haar hierheen heeft gebracht en ook heer Bertome en de anderen, maar waarom Hoogheer Weiramon of Hoogvrouwe Anaiyella? Het spreekt uiteraard vanzelf dat hun bedienden even betrouwbaar zijn.’

‘Hoe weet je wanneer een vrouw je wil vermoorden?’ peinsde Rhand. ‘Wanneer ze je bij naam kent?’ Het klonk niet of Dobraine het als grapje bedoelde. Rhand hield nadenkend zijn hoofd scheef en knikte toen. Knikte! Ze hoopte dat hij geen stemmen meer hoorde. Rhand maakte een gebaar of hij de vrouwen die hem wilden doden, opzij schoof. Gevaarlijk zoiets, met haar in de kamer. Ze wilde hem zeker niet doden maar ze zou het niet erg vinden als Sorilea eens met dat rietje op hem af kwam! Een kniebroek bood niet zoveel bescherming.

‘Weiramon is een dwaas die te veel fouten maakt,’ zei Rhand tegen Dobraine die dit met een nuchter knikje beaamde. ‘Het was mijn fout te denken dat ik hem kon gebruiken. Hij lijkt in elk geval redelijk blij als hij in de buurt van de Herrezen Draak kan blijven. Wat nog meer?’ Min gaf hem een roemer en hij schonk haar een glimlach ondanks de wijn die over zijn pols golfde. Misschien dacht hij dat het een ongelukje was.

‘Weinig meer en ook al te veel,’ begon Dobraine en schoot achteruit in zijn stoel vanwege de rondspattende wijn toen Min de tweede zilveren roemer naar hem uitstak. Ze had haar korte dienst als taveernemeid niet echt leuk gevonden. ‘Mijn dank, mijn vrouwe Min,’ mompelde hij keurig, maar nam haar nauwgezet op toen hij de roemer aanpakte. Ze liep kalmpjes terug voor haar eigen wijn. Kalmpjes.

‘Ik vrees dat vrouwe Caraline en Hoogheer Darlin zich in het paleis van vrouwe Arilyn hier in de stad bevinden,’ vervolgde de Cairhiener. ‘Onder de hoede van Cadsuane Sedai. Mogelijk is hoede niet het juiste woord. Mij is de toegang geweigerd toen ik hen wilde spreken, maar ik hoor dat ze gepoogd hebben de stad te verlaten en als zakken zijn teruggebracht. In een zak, volgens een verhaal. Nu ik Cadsuane heb ontmoet, kan ik het bijna geloven.’

‘Cadsuane,’ mompelde Rhand en Min voelde een rilling over haar rug glijden. Hij klonk eigenlijk niet echt bang, maar hij voelde zich ook niet helemaal op zijn gemak. ‘Wat moet ik volgens jou aan Caraline en Darlin doen, Min?’

Min was in een stoel verderop gaan zitten en schoot recht overeind nu ze er opeens werd bijgehaald. Spijtig staarde ze naar de wijn die haar mooiste roomkleurige zijden hemd en broek doorweekte. ‘Caraline zal Elayne voor de Zonnetroon steunen,’ zei ze somber. Voor warme wijn voelde het koud aan en ze betwijfelde of die vlek er ooit uit zou gaan. ‘Geen visioen, maar ik geloof haar.’ Ze keek niet eenmaal naar Dobraine al knikte hij wel. Iedereen wist nu van haar beelden. Het enige gevolg was een onafgebroken stroom edelvrouwes geweest die hun toekomst wilden weten en behoorlijk stonden te pruilen als ze zei dat ze die niet kon zeggen. De meesten zouden het weinige dat ze had gezien niet erg prettig vinden. Niets indrukwekkends maar zeer zeker niet de blije wonderen die een fortuinzegger op een kermis zou voorspellen. ‘Wat Darlin betreft, afgezien van het feit dat hij met Caraline zal trouwen, nadat ze hem heeft uitgewrongen en te drogen heeft gehangen, kan ik alleen zeggen dat hij op een dag koning zal worden. Ik heb de kroon op zijn hoofd gezien. Een ding met een zwaard voorop, maar ik weet niet van welk land. O ja, en hij sterft gewoon in bed en zij zal hem overleven.’ Dobraine verslikte zich in zijn wijn, proestte en depte zijn lippen met een eenvoudig linnen doekje. De meeste mensen die het wisten, geloofden het niet. Heel tevreden met zichzelf dronk Min het beetje wijn dat in haar roemer was achtergebleven. Waarna zij zich verslikte en naar adem hapte en haar doekje uit de mouw rukte om haar mond af te vegen. Licht, ze had zichzelf de droesem van de fles gegeven!

Rhand knikte slechts en tuurde in zijn roemer. ‘Dus blijven ze in leven om het me lastig te maken,’ mompelde hij. Een heel zachte opmerking voor zulke staalharde woorden. Hij was zo hard als een zwaard, haar schaapherder. ‘En wat zal ik doen aan...’ Opeens draaide hij zich in zijn stoel om naar de deur, die prompt openging. Hij had heel scherpe oren. Min had niets opgevangen. Geen van de twee Aes Sedai die binnenkwamen, was Cadsuane en Min voelde hoe haar schouders zich ontspanden terwijl ze het doekje wegstopte. Terwijl Rafela de deur sloot, maakte Merana een diepe knix voor Rhand hoewel de nootbruine ogen van de Grijze zuster zowel Min als Dobraine opnamen en ze alles opborg wat ze waarnam. Daarna spreidde ook Rafela haar donkerblauwe rokken. Geen van beiden kwam omhoog voor Rhand zijn hand bewoog. Ze zweefden naar hem toe terwijl ze hun koele waardigheid als een kledingstuk droegen. Al voelde de gezette Blauwe zuster nog even aan haar stola alsof ze zeker wilde zijn dat ze die droeg. Min had het gebaar eerder gezien bij andere zusters die trouw aan Rhand hadden gezworen. Het kon niet gemakkelijk voor hen zijn. Aes Sedai werden alleen door de Witte Toren geleid, maar als Rhand wenkte, kwamen en gingen ze. Aes Sedai spraken als gelijken met koningen en koninginnen, of zelfs enigszins alsof die hun ondergeschikten waren, maar de Wijzen noemden de zusters hun leerlingen en rekenden erop dat ze tweemaal zo snel gehoorzaamden als ze bij Rhand deden. Op Merana’s gladde gezicht was daar niets van te bespeuren. ‘Mijn heer Draak,’ zei ze eerbiedig. ‘We hebben zojuist vernomen dat u terug was en we meenden dat u heel graag zou willen vernemen hoe de zaken er met de Atha’an Miere voorstaan.’ Ze wierp een korte blik op Dobraine en hij stond meteen op. Cairhienin waren eraan gewend dat mensen onder vier ogen met elkaar wilden spreken. ‘Dobraine kan blijven,’ merkte Rhand kortaf op. Had hij geaarzeld? Hij kwam niet overeind. Zijn ogen leken blauw ijs en hij straalde in alles uit dat hij de Herrezen Draak was, wat dat ook inhield. Min had hem gezegd dat deze vrouwen hem feitelijk toehoorden en dat alle vijf zusters die hem naar het schip van het Zeevolk hadden begeleid, de zijne waren, volledig trouw volgens hun eed en daardoor al zijn wensen vervullend. Niettemin leek hij het moeilijk te vinden een Aes Sedai te vertrouwen. Dat begreep ze, maar hij moest dit toch zien te leren.

‘Zoals u wenst,’ antwoordde Merana en boog kort haar hoofd. ‘Rafela en ik hebben een overeenkomst met het Zeevolk bereikt. De Overeenkomst noemen ze het.’ Het verschil was goed te horen. Terwijl ze haar handen stil hield op de groene rok met grijze banen haalde ze diep adem. Ze had het nodig. ‘Harine din Togara Tweewinden, golfvrouwe van de Shodein-clan, sprekend voor Nesta din Reas Tweemanen, Vrouwe der Schepen van de Atha’an Miere, en daardoor allen van de Atha’an Miere hiertoe bindend, heeft de door de Herrezen Draak verlangde schepen toegezegd, om uit te zeilen wanneer, waar en waartoe hij ze ook nodig heeft.’ Merana leek een tikkeltje plechtstatig te worden wanneer er geen Wijzen aanwezig waren, want die stonden zoiets niet toe. in ruil daarvoor hebben Rafela en ik, sprekend namens u, beloofd dat de Herrezen Draak geen enkele wet van de Atha’an Miere zal wijzigen, zoals hij heeft gedaan in...’ Ze haperde even. ‘Vergeef me. Ik ben gewend verdragen naar de letter weer te geven. Het woord dat zij gebruikten was aan de kust gebonden, maar ze bedoelden wat u in Tyr en Cairhien hebt gedaan.’ Er vonkte opeens een vraag in haar ogen op, maar die verdween even snel. Misschien vroeg ze zich af of hij in Illian hetzelfde had gedaan. Ze had haar opluchting laten merken dat hij in haar geboorteland Andor niets had veranderd.