‘Ik neem aan dat ik daar wel mee kan leven,’ mompelde hij. ‘Ten tweede,’ nam Rafela het over, terwijl ze haar dikke handen voor haar middel vouwde, ‘dient u de Atha’an Miere land te geven: een vierkante span in elke natie die u bestuurt of onder uw bestuur zal komen, bij elke stad met bevaarbaar water.’ Het klonk wat minder hoogdravend dan van haar medezuster, maar het scheelde weinig. Het klonk ook niet of ze volkomen tevreden was met wat ze weergaf. Ze was tenslotte een Tyreense en er waren weinig landen die hun havensteden zo streng beheerden als juist Tyr. ‘Binnen dat gebied staan de wetten van de Atha’an Miere boven elke andere wet. Deze instemming dient ook te komen van de regeerders van die havensteden zodat...’ Nu was het haar beurt om te haperen. Haar donkere wangen werden een tikkeltje grijs. ‘Zodat de overeenkomst mij zal overleven?’ merkte Rhand droogjes op. Hij lachte blaffend. ‘Daarmee kan ik ook leven.’
‘Elke stad aan het water?’ riep Dobraine uit. ‘Bedoelen ze dan ook hier, in Cairhien?’ Hij sprong overeind en begon te ijsberen waar door hij meer wijn morste dan Min had gedaan. Hij leek het niet te merken. ‘Een vierkante span? En het Licht alleen weet welke eigenaardige regels en wetten? Ik heb eens een reis gemaakt op een Zeevolkschip en het is eigenaardig. Ontblote benen horen niet bij dat soort wetten! En hoe staat het met de invoerrechten en de havengelden... En...’ Opeens bleef hij vlak voor Rhand staan. Hij keek grimmig naar de Aes Sedai die niet op hem letten, maar maakte de opmerking tegen Rhand op een toon die bijna onbeleefd was: ‘Binnen een jaar hebben ze Cairhien naar de ondergang gevoerd, mijn heer Draak! Elke havenstad, wanneer u dit toestaat.’ Min beaamde het zwijgend, maar Rhand wuifde slechts met z’n hand en lachte opnieuw. ‘Dat denken ze wellicht, maar ik weet er wel iets van, Dobraine. Ze hebben niet gezegd wie het land daarvoor uitkiest, dus het hoeft zeer zeker niet aan het water te liggen. Ze zullen hun voedselvoorraden van jou moeten kopen en leven volgens jouw wetten wanneer ze eruit komen, dus al te hooghartig kunnen ze ook weer niet zijn. In het ergste geval kun je je invoerrechten innen wanneer de goederen uit hun... grondgebied komen. Verder... als ik de voorwaarden kan aanvaarden, kun jij het ook.’ Er klonk geen lach meer in zijn stem en Dobraine knikte.
Min vroeg zich af waar hij dat alles had opgepikt. Hij klonk als een koning en nog wel een koning die wist wat hij deed. Misschien had Elayne hem dat geleerd.
‘Volgens mij houdt “ten tweede” in dat er meer is,’ merkte Rhand op tegen de twee Aes Sedai.
Merana en Rafela keken elkaar kort aan en voelden onbewust aan rokken en stola’s. Merana nam het woord en het klonk helemaal niet overdreven. Integendeel, het was al te ijl. ‘Ten derde stemt de Herrezen Draak in met een gezant, gekozen door de Atha’an Miere, die ten allen tijde bij hem blijft. Harine din Togara heeft zichzelf voorgedragen. Ze zal worden vergezeld van haar windvindster, zwaardmeester en gevolg.’
‘Wat?!’ brulde Rhand, opspringend.
Rafela kwam snel tussenbeide, en sprak vlug door alsof ze bang was dat hij haar de mond zou snoeren. ‘En ten vierde stemt de Herrezen Draak ermee in prompt een oproep van de Vrouwe der Schepen te beantwoorden, maar niet meer dan tweemaal in willekeurig drie opeenvolgende jaren.’ Ze besloot het wat hijgend en probeerde het laatste vergoelijkend te laten klinken.
De drakenstaf schoot van de vloer achter Rhand omhoog en hij griste hem zonder te kijken uit de lucht. Zijn ogen waren geen ijs meer, maar blauw vuur. ‘Een gezant van het Zeevolk aan mijn jaspanden?’ schreeuwde hij. ‘Braaf een oproep opvolgen?’ Hij schudde de speerpunt vlak voor hen heen en weer waardoor de groen-witte kwasten rondzwiepten. ‘Hierbuiten zijn mensen die alles willen veroveren en wellicht in staat zijn dat te doen! De Verzakers zijn ergens daarginds! De Duistere ligt op de loer! Waarom hebben jullie er niet mee ingestemd dat ik hun scheepsrompen wit zal kalken, als je toch bezig was?’ Gewoonlijk probeerde Min zijn boze bui te verdrijven wanneer die opvlamde, maar ditmaal zat ze op het puntje van haar stoel en keek de Aes Sedai woest aan. Ze was het volkomen met hem eens. Ze hadden de schuur verpatst om het paard te winnen! Rafela deed een klein wankelend stapje naar achter bij Rhands uitbarsting, maar Merana richtte zich in haar volle lengte op. Ze speelde het klaar haar eigen ogen met bruin vuur, doorschoten met gouden puntjes, te laten vonken. ‘Lees jij ons de les?’ snauwde ze op een toon die even vrieskoud was als haar ogen verhit. Ze was nu een Aes Sedai zoals het kind Min die had gezien, koninklijker dan elke koningin, machtiger dan de machtigsten. ‘Je was er in het begin bij, ta’veren, en je liet ze naar jouw believen elke hoek van het dek zien. Je had ze bijna op de knieën. Maar je ging weg! Ze vonden het niet echt fijn te weten dat ze speelpoppen waren geweest van een ta’veren. Ze hebben ergens geleerd hoe ze schermen moeten weven en voor je goed en wel van het schip was, waren Rafela en ik afgeschermd. Zodat we geen voordeel konden putten uit de Ene Kracht, zeiden ze. Meerdere malen heeft Harine gedreigd ons aan de hoogste ra vast te ketenen tot we ons gezond verstand zouden gebruiken en ik geloof dat ze het meende! Prijs je gelukkig dat je je verlangde schepen hebt, Rhand Altor. Harine was van plan je behoorlijk... af te schepen met een handvol! Prijs je gelukkig dat ze niet je nieuwe laarzen wilde en die afschuwelijke troon van jou erbij! O, trouwens, nog wat, ze heeft je volgens alle vormen en normen erkend als de Coramoor, dus daar mag je dan nu buikpijn over krijgen!’
Min keek haar met grote ogen aan. Rhand en Dobraine staarden haar ook aan en de kaak van de Cairhiener hing open. Rafela keek met wijd open ogen toe en haar mond bewoog zonder iets te zeggen. Het vuur doofde nu trouwens ook in Merana’s ogen die groter en groter werden alsof nu pas tot haar doordrong wat ze er zojuist had uitgeflapt.
De drakenstaf beefde in Rhands vuist. Min had zijn woede al om veel nietiger dingen tot uitbarsting zien komen. Ze smeekte het Licht een uitweg te vinden om die te voorkomen, en vond er geen enkele. ‘Blijkbaar,’ zei hij eindelijk, ‘zijn de woorden die ene ta’veren iemand ontlokt niet altijd de woorden die hij wenst te horen.’ Het klonk... kalm en – Min durfde er zo niet eens aan te denken – verstandig. ‘Je hebt het goed gedaan, Merana. Met de restjes die ik achterliet hebben jij en Rafela het goed gedaan.’
De twee Aes Sedai zwaaiden licht heen en weer en heel even meende Min dat ze van louter opluchting tot plasjes water op de vloer zouden smelten.
‘Gelukkig is het ons gelukt de bijzonderheden voor Cadsuane te verzwijgen,’ zei Rafela, die haar rok wat beverig goed streek. ‘Er bestond geen manier om te voorkomen dat iedereen vernam dat we een of ander verdrag hadden gesloten, maar dit alles hebben we tenminste voor ons kunnen houden.’
‘Ja,’ stootte Merana er ademloos uit. ‘Ze liet ons hier in een paleisgang niet eens door. Het is moeilijk iets voor haar geheim te houden, maar dat hebben we gedaan. We dachten niet dat u wilde dat zij...’ De woorden stierven weg bij de rotsharde blik in Rhands ogen. ‘Weer Cadsuane,’ zei hij effen. Hij keek fronsend naar de met de hand gesneden gebroken lansschacht en gooide die toen op een stoel alsof hij zichzelf er niet mee vertrouwde. ‘Ze is in het Zonnepaleis, nietwaar? Min, zeg de Speervrouwen buiten dat ze een bericht aan Cadsuane moeten doorgeven. Ze dient met de grootste spoed haar opwachting te maken bij de Herrezen Draak.’