Выбрать главу

‘Rhand, ik denk niet,’ begon Min verontrust, maar Rhand onderbrak haar. Niet grof, maar heel vastbesloten.

‘Alsjeblieft, doe het, Min. Die vrouw is net een wolf die de omheining rond de schapen bekijkt. Ik ben van plan uit te zoeken wat ze wil.’

Min nam haar tijd om op te staan en traag naar de deuren te schuifelen. Ze was niet de enige die het een slecht idee vond. Of elders wilde zijn, wanneer de Herrezen Draak het tegen Cadsuane Melaidhrin opnam. Dobraine haalde haar voor de deur al in en maakte bijna zonder in te houden een haastige buiging en zelfs Merana en Rafela waren reeds voor haar in de gang, hoewel ze het deden voorkomen of ze geen haast hadden. Toen Min ten slotte de gang in kon kijken, hadden de twee zusters Dobraine ingehaald. Ze haastten zich snel verder en deden dat nog net niet op een holletje. Vreemd genoeg was het handvol Speervrouwen dat bij de binnenkomst van Min buiten had gestaan, nu in aantal toegenomen. Zover ze in beide richtingen de gang af kon kijken stonden ze langs de muren opgesteld. Lange vrouwen met harde gezichten in het grijsbruine grijs van de cadin’sor en met de sjoefa om hun hoofd geslagen, terwijl de lange zwarte sluier omlaag hing. Velen droegen hun speren en schilden van stierenhuid alsof ze een veldslag verwachtten. Sommigen speelden een vingerspelletje dat ‘mes, papier en steen’ heette, en de rest stond gespannen af te wachten. Maar ook niet zo gespannen dat ze haar niet zagen. Na het doorgeven van Rhands boodschap flitste overal hun handtaai op waarna twee slungelige Speervrouwen wegdraafden. De anderen keerden prompt naar hun eerdere bezigheden terug, zoals het spelletje of het afwachten.

Verbaasd haar hoofd krabbend ging Min weer naar binnen. De Speervrouwen maakten haar vaak zenuwachtig maar zeiden wel altijd iets tegen haar, soms vol achting als tegen een Wijze, soms een grapje, al was hun humor heel vreemd, om het voorzichtig te zeggen. Ze hadden haar nooit op deze manier genegeerd.

Rhand was in de slaapkamer. Dat eenvoudige gegeven deed haar hart overslaan. Hij had zijn jas uitgedaan, zijn sneeuwwitte hemd opengeknoopt bij de hals en polsen en zijn broek uitgetrokken. Zittend aan de voet van het bed steunde ze met de rug tegen een van de dikke zwarthoutstijlen, zwaaide haar voeten op het bed en kruiste haar enkels. Ze had nog niet de kans gekregen om toe te kijken wanneer Rhand zich uitkleedde en ze was van plan ervan te genieten. Hij ging echter niet door, maar keek haar aan. ‘Wat kan Cadsuane mij nou bijbrengen?’ vroeg hij opeens.

‘Jou en alle Asha’man,’ herhaalde ze. Zo waren haar beelden geweest. ‘Ik weet het niet, Rhand. Ik weet alleen dat je het moet leren. Jullie allemaal.’ Blijkbaar was hij niet van plan om verder te gaan en bleef hij bij zijn loshangende hemd steken. Zuchtend ging ze door: ‘Je hebt haar nodig, Rhand. Je kunt het je niet veroorloven kwaad te zijn. Je kunt het je niet veroorloven haar weg te jagen.’ Eigenlijk was ze van mening dat vijftig Myrddraal en duizend Trolloks Cadsuane nog niet konden wegjagen, maar het punt bleef. Een afwezige blik verscheen in Rhands ogen en even later schudde hij zijn hoofd. ‘Waarom zou ik luisteren naar een krankzinnige?’ mompelde hij bijna binnensmonds. Licht, geloofde hij echt dat Lews Therin Telamon in zijn hoofd sprak? ‘Als je iemand laat merken dat je hem nodig hebt, Min, hebben ze een greep op je. Een lijn om je hun kant op te trekken. Ik neem geen juk op mijn schouder. Van geen enkele Aes Sedai. Van niemand!’ Langzaam ontspanden zich de vingers van zijn gebalde vuisten. ‘Jou heb ik nodig, Min,’ zei hij eenvoudig. ‘Niet vanwege je visioenen. Ik heb je gewoon nodig.’ Bloedvuur, die man kon met slechts enkele woorden de benen onder haar vandaan trekken!

Met een glimlach die even vurig was als die van haar, greep hij de onderkant van zijn hemd met beide handen en begon het over zijn hoofd uit te trekken. Haar vingers voor haar maag vouwend maakte ze het zich gemakkelijk om toe te kijken.

De drie Speervrouwen die de kamer binnen stapten, droegen niet meer de sjoefa die in de gang hun korte haren had verborgen. Ze hadden niets in de hand en droegen evenmin hun mes met het zware lemmet. Alleen dat kon Min nog opmerken. Rhands hoofd en armen zaten nog in het hemd en Somara, met haar vlassige witte haar en zelfs voor een Aielvrouw heel lang, greep het witte linnen en draaide er een knoop in, waardoor Rhand zijn armen niet los kon krijgen. Bijna in dezelfde beweging gaf ze hem een schop tussen zijn benen. Met een gesmoord gekreun boog hij zich wankelend voorover.

Nesair, met vuurrood haar en heel knap ondanks de witte littekens op beide zongebruinde wangen, plaatste een vuist in zijn rechterzij die zo hard was dat hij opzijvloog.

Met een schreeuw schoot Min van het bed af. Ze wist niet welke waanzin hier plaatsvond en had niet het flauwste vermoeden. Uit elke mouw verscheen een mes en ze wierp zich op de Speervrouwen onder het roepen van: ‘Help! O, Rhand! Iemand! Help!’ Dat probeerde ze tenminste.

De derde Speervrouw, Nandera, keerde zich als een slang om en Min voelde haar voet keihard haar buik treffen. De adem gierde uit haar mond. Haar messen vlogen uit de verdoofde handen en ze tolde over de voet van de grijze Speervrouw rond, waarna ze met een klap op haar rug belandde en elk laatste zuchtje lucht kwijtraakte. Ze probeerde te bewegen, adem te halen, het te begrijpen, maar ze kon alleen doodstil liggend toekijken.

De drie vrouwen waren heel grondig. Nesair en Nandera stompten Rhand terwijl Somara hem voorover trok en in zijn eigen hemd vasthield. Telkens en telkens raakten ze hem nauwgezet in zijn harde buik, aan de rechterkant. Min zou overspannen hebben gelachen als ze nog over adem had beschikt.

Ze probeerden hem dood te slaan en vermeden daarbij uiterst zorgvuldig hem ergens te raken in de buurt van het kwetsbare ronde litteken in zijn linkerzij met de half geheelde snee er dwars overheen. Ze wist heel goed hoe hard en sterk Rhands lichaam was, maar dit kon niemand verdragen. Langzaam knikten zijn knieën en toen ze de vloertegels raakten, deden Nandera en Nesair een stapje achteruit. Beiden knikten en Somara liet haar greep op Rhands hemd los. Hij viel plat voorover. Ze kon horen hoe hij naar adem snakte en gekreun onderdrukte, dat ondanks zijn inspanning eruit werd geperst. Geknield trok Somara haast teder zijn hemd weer goed. Hij lag met uitpuilende ogen stil op de vloer; nog steeds naar adem happend.

Nesair bukte zich, greep een handvol haren en trok zijn hoofd omhoog. ‘Wij hebben het recht verworven dit te doen,’ snauwde ze, ‘maar elke Speervrouw had jou te pakken willen nemen. Ik heb mijn stam voor jou verlaten, Rhand Altor. Ik laat niet toe dat je op mij spuwt!’

Somara’s hand gleed naar zijn hoofd alsof ze zijn haren uit zijn gezicht wilde strijken, maar trok die met een ruk terug. ‘Op deze manier pakken we een eerstebroeder aan die ons oneer brengt, Rhand Altor,’ zei ze vastberaden. ‘De eerste keer. De tweede keer gebruiken we leren riemen.’

Nandera stond over Rhand gebogen met haar vuisten in de heup en een gezicht als van rots. ‘Jij draagt de eer van de Far Dareis Mai, zoon van een Speervrouw,’ zei ze grimmig. ‘Je hebt beloofd ons te roepen om de speren voor je te dansen en vervolgens knijp je ertussenuit naar een veldslag en laat ons achter. Dat doe je geen tweede keer.’

Ze stapte over hem heen om naar buiten te benen en de andere twee volgden. Alleen Somara keek even om en indien er enig medeleven in haar blauwe ogen zichtbaar was, dan klonk dat niet door in haar stem. ‘Zorg ervoor dat dit niet meer nodig zal zijn, zoon van een Speervrouw.’

Rhand had zich op handen en knieën geduwd tegen de tijd dat Min hem kruipend had weten te bereiken. ‘Ze moeten gek zijn,’ kraste ze. Licht wat deed haar middel pijn! ‘Rhuarc zal vast...’ Ze wist niet wat Rhuarc zou doen. Niet genoeg, wat het ook was. ‘Sorilea!’ Sorilea zou hen aan palen in de zon leggen! Om mee te beginnen! ‘Als we haar vertellen...’