Выбрать главу

‘Wij vertellen dit niemand,’ zei hij. Het klonk bijna alsof hij weer op adem was gekomen, al stonden zijn ogen nog steeds wat glazig. Hoe speelde hij dat klaar? ‘Ze hebben het recht. Ze hebben het recht verdiénd!’

Min herkende die toon maar al te goed. Wanneer een man besloot eigenwijs te zijn, zou hij desnoods naakt in een brandnetelbos gaan zitten en je recht in je gezicht ontkennen dat zijn billen prikten en jeukten! Ze verkneukelde zich bijna dat ze hem hoorde kreunen toen ze hem overeind hielp. Nou ja, toen ze elkaar overeind hielpen. Als hij een doorgedraaide wolkoppige idioot wilde zijn, dan verdiende hij wel wat blauwe plekken!

Hij maakte het zich op het bed gemakkelijk en ging op de opeengestapelde kussens liggen, terwijl zij behaaglijk tegen hem aan schoof. Hierop had ze niet echt gehoopt, maar meer zou er volgens haar niet gebeuren.

‘Ik had gehoopt het bed ergens anders voor te gebruiken,’ mopperde hij. Ze wist niet zeker of dat voor haar oren was bestemd. Ze lachte, ik geniet al van jou vast te houden, net zoveel als van... de rest.’ Vreemd genoeg glimlachte hij haar toe, alsof hij wist dat ze lag te liegen. Haar tante Miren beweerde dat het een van de drie leugens was die elke man van een vrouw zou geloven. ‘Als ik stoor,’ klonk de koele stem van een vrouw in de deuropening, ‘kan ik wellicht beter terugkomen wanneer het schikt.’ Min schoot bij Rhand weg alsof ze zich brandde maar toen hij haar terugtrok, schurkte ze zich weer tegen hem aan. Ze herkende de Aes Sedai die in de deur stond. Een gezette kleine Cairhiense met vier smalle kleurbanen over haar volle borsten en witte plooien in de donkere rok. Daigian Moseneillin was een van de zusters die bij Cadsuane hoorde. En volgens Min was ze bijna even overweldigend als Cadsuane.

‘Een vondeling in de schuur?’ zei Rhand lui. ‘Wie je ook bent, heeft niemand je ooit geleerd te kloppen?’ Min voelde echter dat elke spier in de arm om haar heen zo hard was als rots. De maansteen aan het dunne zilveren kettinkje op Daigians voorhoofd zwaaide heen en weer, toen ze langzaam haar hoofd schudde. Ze was overduidelijk niet blij. ‘Cadsuane Sedai heeft uw verzoek ontvangen,’ zei ze zelfs nog killer dan eerst, ‘en vroeg me haar spijt over te brengen. Ze wil heel graag haar borduursel afkrijgen. Wellicht is het op een andere dag mogelijk u te spreken. Als ze nog ergens tijd kan vinden.’

‘Dat zei ze?’ vroeg Rhand gevaarlijk.

Daigian snoof minachtend, ik zal weggaan zodat u verder kunt gaan met... wat u aan het doen was.’ Min vroeg zich af of ze een Aes Sedai ongestraft een draai om de oren kon geven. Daigian nam haar ijzig koud op, alsof ze de gedachte opving en draaide zich om om de kamer uit de glijden.

Rhand kwam met een gesmoorde vloek overeind. ‘Zeg Cadsuane dat ze naar de Doemkrocht mag kruipen,’ schreeuwde hij de vertrekkende zuster achterna. ‘Zeg haar maar daar weg te rotten.’

‘Dat helpt allemaal niets, Rhand,’ verzuchtte Min. Dit zou moeilijker worden dan ze had gedacht. ‘Jij hebt Cadsuane nodig. En zij jou niet.’

‘O nee?’ vroeg hij zachtjes en ze huiverde. Ze had zich vergist toen ze dacht dat zijn stem eerder gevaarlijk had geklonken.

Opnieuw gekleed in de groene jas bereidde Rhand zich zorgvuldig voor, waarna hij Min met boodschappen naar de Speervrouwen stuurde. Die wilden ze tenminste nog wel doorgeven. Zijn ribben deden rechts bijna net zo zeer als de wonden links en zijn buik voelde aan of ze er met een balk op hadden geslagen. Hij had het hun beloofd. Alleen in zijn slaapkamer greep hij saidin aan omdat hij zelfs Min niet wilde laten zien hoe hij weer wankelde. Hij kon haar nog wel beschermen, maar hoe kon ze zich veilig voelen als ze zag hoe hij bijna omviel? Terwille van haar moest hij sterk zijn. Hij moest sterk zijn voor de wereld. De knoop van Alanna’s gevoelens in zijn achterhoofd herinnerde hem aan de prijs van zorgeloosheid. Op dit ogenblik zat Alanna te pruilen. Ze moest een Wijze heel erg hebben getergd want ze ging zeer behoedzaam zitten. ‘Ik vind het nog steeds waanzin, Rhand Altor,’ zei Min terwijl hij de Kroon van Zwaarden voorzichtig op zijn hoofd plaatste. Hij wilde niet dat die kleine klingen hem weer lieten bloeden. ‘Luister je wel? Nou, als je van plan bent ermee door te gaan, ga ik met je mee. Je hebt toegegeven dat je me nodig hebt en nu heb je me meer nodig dan ooit.’ Ze leek klaar voor de strijd, de vuisten in de zij, haar ene voet tikte vervaarlijk op de vloer en haar ogen stonden laaiend. ‘Jij blijft hier,’ gaf hij haar ferm te kennen. Hij wist nog steeds niet goed wat hij van plan was. Niet helemaal, en hij wilde niet dat zij hem een misstap zag begaan. Hij was heel bang voor zo’n misstap. Hij rekende echter wel op ruzie.

Ze keek hem fronsend aan en haar voet tikte niet langer. Het boze lichtje in haar ogen doofde bezorgd en ging vervolgens over in een vrolijke vonk. ‘Nou ja, ik neem aan, schaapherder, dat je oud genoeg bent om het erf over te lopen zonder dat iemand je hand vasthoudt. Bovendien ben ik echt achter met lezen.’

Ze liet zich in een hoge stoel vallen, trok haar benen onder zich en pakte het boek op dat ze bij zijn komst had gelezen. Binnen enkele tellen leek ze helemaal op te gaan in de tekst. Rhand knikte. Zo wilde hij het zien: zij moest veilig hier blijven. Niettemin hoefde ze hem ook weer niet volkomen te negeren. Er zaten zes Speervrouwen in de gang voor de deur gehurkt. Ze staarden hem vlak aan en zeiden niets. Nandera’s blik was het meest uitdrukkingsloos. Hoewel die van Somara en Nesair er dichtbij kwamen. Hij meende dat Nesair een Shaido was. Hij zou haar goed in de gaten moeten houden.

In Rhands hoofd mompelde Lews Therin weer iets duisters over doden, vanwege de Asha’man die eveneens stonden te wachten. Met uitzondering van Narishma hadden allen zowel de draak als het zwaard op de kraag. Kortaf beval hij Narishma zijn vertrekken te bewaken en de man gaf een afgemeten groet waarbij zijn donkere, al te grote ogen te veel leken te zien en een tikkeltje beschuldigend stonden. Rhand dacht niet dat de Speervrouwen hun ongenoegen op Min zouden botvieren, maar hij wilde elk gevaar voorkomen. Licht, hij had Narishma alles over de vallen in de Steen verteld voor hij de man Callandor liet halen. De man verbeeldde zich te veel. Bloedvuur, het was heel dom geweest zoveel te riskeren.

Alleen gekken vertrouwen nooit iemand. Lews Therin klonk vermaakt. En volkomen gek. De wonden in Rhands zij klopten. Ze leken elkaar te spiegelen in verre pijn.

‘Breng me naar Cadsuane,’ beval hij. Nandera kwam lenig overeind en liep weg zonder eenmaal om te kijken. Hij volgde en de anderen sloten zich achter hem aan. Dashiva en Flin, Mor en Hopwil. Hij verstrekte onder het lopen snel wat aanwijzingen. Het was merkwaardig dat juist Flin bezwaren wilde uiten maar Rhand snoerde hem de mond. Ze mochten nu niet meer terugschrikken. De grijze oudgardist was wel de laatste van wie Rhand het verwacht had. Van Mor of Hopwil misschien. Ze hadden wel geen dauw meer achter de oren, maar waren nog zo jong dat ze vele dagen van de week hun scheermes droog konden houden. Flin echter niet. Nandera’s zachte laarzen maakten geen geluid. Hun voetstappen weerkaatsten van de hoge vierkante zoldering en verjoegen iedereen die ook maar enige reden voor vrees bezat. Zijn wonden klopten fel.

Iedereen in het Zonnepaleis, tot en met de jongste dienaar, kende de Herrezen Draak van gezicht en dat gold ook voor de mannen in het zwart. Bedienden in zwart livrei maakten een diepe buiging of knix en haastten zich vervolgens rap weg. De meeste edelen schiepen bijna even snel afstand tussen henzelf en de vijf geleiders en begaven zich met vastberaden trekken naar elders. Ailil zag hem voorbijgaan, maar op haar gezicht stond niets te lezen. Anaiyella glimlachte uiterst onnozel, maar toen Rhand omkeek, stond ze hem na te staren met een gezicht dat evenveel zei als dat van Nandera. Bertome glimlachte bij het buigen, een duistere glimlach, waar weinig vrolijkheid en nog minder genoegen in lag.