Выбрать главу

‘Ispan, denk ik, aangezien ze kennelijk het langst met haar bezig waren.’ De Groene zuster met de witte haren scheen bijna hardop na te denken, alsof ze een raadsel oploste. Een keel opensnijden kostte minder tijd dan een staak in iemands hart drijven. Haar kalmte bezorgde Elayne kippenvel. ‘Adeleas zou nooit drinken hebben aanvaard van een onbekende, niet hier bij Ispan. Die twee dingen geven de moordenaar een naam, min of meet Een Duistervriend, en uit onze groep. Een van ons.’ Elayne voelde zich tweemaal verkillen, van zichzelf en van Birgitte.

‘Een van ons,’ beaamde Nynaeve bedroefd. Aviendha bevoelde met haar duim de snede van bar mes, en ditmaal had Elayne er geen moeite mee.

Vandene vroeg een tijdje alleen te worden gelaten met haar zuster. Ze zat reeds op de vloer en wiegde Adeleas in haar armen voor ze de deur uit waren. Vandenes knoestige oude zwaardhand stond buiten met een bevende Kirstian te wachten.

Plotseling steeg een klaaglijke kreet op vanuit de hut, de hese kreet van een vrouw die rouwt om een ontzaglijk verlies. Uitgerekend Nynaeve wilde teruggaan, maar Lan legde een hand op haar arm, en Jaem plantte zich voor de deur met ogen die weinig warmer keken dan die van Lan. Men kon niet anders dan hen alleen laten. Vandene om haar pijn uit te schreeuwen, en Jaem om bij haar te waken en haar te beschermen. En haar verdriet te delen, besefte Elayne, die de maalstroom van Birgittes gevoelens mee beleefde. Ze huiverde en Birgitte legde een arm om haar schouders. Aviendha deed hetzelfde aan de andere kant, en gebaarde Nynaeve om zich bij hen te voegen, wat ze na enige aarzeling deed. De moord, waar Elayne zo luchthartig over had gedacht, was gekomen. Een van hun reisgezellen was een Duistervriend, en de dag voelde ineens koud genoeg om botten te versplinteren, maar de nabijheid van haar vriendinnen schonk haar warmte.

De laatste tien span naar Caemlin waren een en al rouw en kostten twee dagen in de sneeuw, waarbij zelfs de windvindsters zich inhielden. Niet dat ze Merilille minder hard opjoegen. De Kinne hield nog steeds op met praten wanneer een zuster of iemand van de Weefkring dichterbij kwam. Vandene, die in het met zilver versierde zadel van haar zuster reed, leek even kalm als bij Adeleas’ graf, maar in Jaems ogen was een stille belofte van dood te lezen, die zeker ook Vandenes hart in beslag nam. Elayne was heel gelukkig toen ze de muren en torens van Caemlin zag, alsof dat uitzicht haar de Rozenkroon had gegeven en Adeleas had teruggebracht.

Zelfs Caemlin, een van de grote wereldsteden, had nog nooit zo’n groep gezien. Eenmaal binnen de vijftig voet hoge muren van grijze stenen trokken ze veel aandacht in de brede bemodderde straten van de Nieuwe Stad, vol met mensen, karren en wagens. Winkeliers stonden met open mond in deuropeningen. Koetsiers hielden hun span in om te staren. Boomlange Aiel en Speervrouwen leken vanuit elke hoek naar hen te kijken. De stedelingen leken de Aiel niet op te merken, maar Elayne deed het wél. Ze hield van Aviendha als van zichzelf, meer nog, maar ze kon niet blij zijn met een leger gewapende Aiel in Caemlins straten.

De Binnenstad, die omringd was door met zilver doorschoten witte muren en torens, was nog even prachtig als ze zich herinnerde, en eindelijk begon Elayne zich thuis te voelen. De straten volgden de hellingen van de heuvels, en elke top bood een nieuw vergezicht van besneeuwde parken en standbeelden, die zo geplaatst waren dat ze zowel van boven af als van dichtbij bekeken konden worden. Boven dit alles rezen torens op met kleurrijke tegels die in honderden tinten in de late middagzon blonken. En toen stond ze opeens voor het koninklijk paleis zelf, een wirwar van spitsen, gouden koepels en sierlijk open steenwerk. Van bijna elke hoogte wapperde de banier van Andor, de Witte Leeuw op een veld van keel. En van de andere waaide de Drakenbanier of de Banier van het Licht. In haar eentje reed Elayne in haar door de reis bestofte kleren naar de hoge vergulde poorten. Het gebruik en de overlevering zeiden dat vrouwen die het paleis voor het eerst met pracht en praal benaderden, altijd faalden. Ze had duidelijk gemaakt dat ze het alleen moest klaren, maar had ze bijna liever gezien dat Aviendha en Birgitte hun zin hadden gekregen. De helft van het twintigtal wachters voor de poort waren Aiel-Speervrouwen, de anderen mannen met blauwe helmen en blauwe wambuizen met een rood gouden draak op de borst, ik ben Elayne Trakand,’ verkondigde ze met luide stem. Ze was verbaasd dat ze zo kalm kon klinken. Haar stem droeg ver, en aan de andere kant van het grote plein wendden mensen, die naar haar metgezellen hadden staan kijken, zich naar haar toe. De oude bewoordingen rolden van haar tong. in naam van Huis Trakand, rechtens mijn afkomst van Ishara, ben ik gekomen om de Leeuwentroon van Andor op te eisen, zo het Licht het wil.’ De poorten gingen wijd open.

Zo gemakkelijk zou het uiteraard niet gaan. Zelfs het bezit van het paleis was niet genoeg om de troon van Andor te behouden. Ze liet haar metgezellen achter in de zorg van een zwerm dienaren in rood-wit livrei en een verbijsterde Reene Harfor. Het deed haar genoegen dat de vergrijsde Huisvrouwe, gezet maar even koninklijk als een vorstin, nog steeds het paleis bestierde. Elayne haastte zich naar de Grote Zaal, de troonzaal van Andor. Opnieuw alleen. Dit hoorde niet bij de plechtigheid, nog niet. Ze moest zich eigenlijk verkleden in haar roodzijden gewaad met het met parels doorstikte lijfje en de witte leeuwen op de mouwen, maar ze voelde zich gedwongen dit meteen te doen. Ditmaal maakte zelfs Nynaeve geen tegenwerpingen.

Witte, zestig voet hoge zuilen vormden een rij aan weerskanten van de Grote Zaal. De troonzaal was nog leeg. Dat zou niet lang zo blijven. Het heldere middaglicht dat door het glas van de hoge ramen in de muren viel, vermengde zich met het gekleurde licht van de grote glas-in-loodvensters in de zoldering, waar de Witte Leeuw van Andor werd afgewisseld met voorstellingen van Andoraanse overwinningen en de gezichten van ’s lands vroegste koninginnen, te beginnen met Ishara zelf, zo donkerhuidig als de Atha’an Miere, zo gezaghebbend als de Aes Sedai. Geen vorstin van Andor zou hier kunnen vergeten dat haar voorgangsters die dit rijk hadden gemaakt tot wat het was, op haar neerkeken.

Eén ding dat ze gevreesd had – de monsterlijke troon van vergulde draken, die in Tel’aran’rhiod op de verhoging aan het andere eind van de zaal had gestaan – ontbrak, het Licht zij gedankt. De Leeuwentroon stond ook niet meer als een soort zegeteken op een plankier, maar op zijn eigen verhoging. Het was een massieve, uit hout gesneden en vergulde zetel, maar gemaakt voor een vrouw. De Witte Leeuw van maanstenen op een veld van robijnen, zou boven het hoofd van elke zittende vrouw uitsteken. Volgens de overlevering kon geen man zich op die troon op zijn gemak voelen, omdat hij zou weten dat hij zijn noodlot had bezegeld. Elayne achtte het waarschijnlijker dat de makers er gewoon voor hadden gezorgd dat geen enkele man er ooit makkelijk in zou kunnen zitten. Ze beklom de witmarmeren treden naar de verhoging en legde een hand op een armleuning van de troon. Ze had niet het recht om erop plaats te nemen, nog niet. Pas als ze erkend was als koningin. Maar het afleggen van een eed op de Leeuwentroon was een gewoonte die zo oud was als Andor zelf. Ze moest het verlangen bedwangen om eenvoudigweg op haar knieën te vallen en in huilen uit te barsten. Ze mocht zich dan verzoend hebben met de dood van haar moeder, maar dit alles haalde de pijn weer naar boven. Ze mocht nu niet bezwijken.

‘Onder het Licht, ik zal uw herinnering in ere houden, moeder,’ zei ze zacht, ik zal de naam van Morgase Trakand eer aandoen, en proberen niets dan eer aan het Huis Trakand te brengen.’ ik heb de wacht bevolen nieuwsgierigen en baantjesjagers weg te houden. Ik vermoedde al dat je hier een tijdje alleen zou willen zijn.’ Elayne draaide zich langzaam om en keek Dyelin Taravin aan. De vrouw met de gouden haren kwam door de Grote Zaal aanlopen. Dyelin was een van de eersten geweest die haar moeders aanspraak op de troon hadden gesteund. Er waren meer grijze haren dan Elayne zich herinnerde, en meer rimpels bij haar ooghoeken. Ze was nog steeds een schoonheid. Een sterke vrouw. En een machtige vriend of vijand.