Выбрать главу

Ze bleef onder aan de verhoging staan. ‘Ik hoor al twee dagen dat je nog zou leven, maar ik geloof het nu pas. Ben je gekomen om de troon van de Herrezen Draak te aanvaarden?’

‘Ik maak rechtens mijzelf aanspraak op de troon, Dyelin, met mijn eigen hand. De Leeuwentroon is geen speeltje dat een man kan vergeven.’ Dyelin knikte, alsof het een vanzelfsprekende waarheid was. Wat het ook was, voor elke Andoraan. ‘Waar sta jij, Dyelin? Vóór Trakand, of tegen? Ik heb je naam onderweg vaak horen noemen.’

‘Aangezien je rechtens jezelf aanspraak op de troon maakt, ben ik voor je.’ Er waren maar weinig mensen die het zo droog konden laten klinken als Dyelin. Elayne ging op de bovenste trede zitten en beduidde de oudere vrouw zich bij haar te voegen. ‘Er zijn uiteraard wat hindernissen,’ ging Dyelin door toen ze haar blauwe rok opnam om plaats te nemen. ‘Er zijn verschillende gegadigden, zoals je misschien al weet. Naean en Elenia heb ik veilig opgeborgen. De aanklacht is verraad en de meeste mensen lijken dat te aanvaarden. Voorlopig. Elenia’s man is nog steeds onopvallend voor haar in de weer en Arymilla heeft openlijk aanspraak op de troon gemaakt, de domme gans. Ze heeft wat aanhang, maar niets zorgwekkends. Je echte zorgen zijn – naast de Aiel die overal in de stad op de terugkeer van de Herrezen Draak wachten – Aemlin, Aratheile en Pelivar. Op dit moment zullen Luan en Ellorien achter je staan, maar ze zouden weleens kunnen overlopen naar die drie.’

Een zeer beknopte lijst, afgeleverd op een toon die bij de koop van een paard paste. Ze wist van Naean en Elenia, maar niet dat Jarid nog steeds meende dat zijn vrouw kans op de troon maakte. Arymilla was inderdaad een domme gans als ze nog steeds geloofde dat ze aanvaard zou worden, hoeveel aanhang ze ook mocht hebben. Maar de laatste vijf namen baarden haar zorgen. Elk van hen was net als Dyelin een grote steun voor haar moeder geweest, en elk was de Hoogzetel van een sterk Huis.

‘Dus Aratheile en Aemlin willen de troon,’ mompelde Elayne. ‘Van Ellorien kan ik het niet geloven, niet voor haarzelf.’ Pelivar kon voor een van zijn dochters optreden, maar Luan had slechts kleindochters, en geen van hen was zelfs maar bij benadering oud genoeg. ‘Je sprak alsof de vijf Huizen zich zouden kunnen verenigen. Achter wie?’ Dat zou een ernstige bedreiging zijn.

Dyelin glimlachte en steunde haar kin op haar hand. ‘Ze schijnen te denken dat ik de troon zou moeten krijgen. Wel, wat ben je van plan aan de Herrezen Draak te doen? Hij is hier al een tijdje niet meer geweest, maar hij kan blijkbaar zo uit de lucht vallen.’ Elayne kneep haar ogen even dicht, maar toen ze die weer opendeed zat ze nog steeds op de trappen van de verhoging in de Grote Zaal, en glimlachte Dyelin nog steeds. Haar broer vocht voor Elaida, en haar halfbroer was een Witmantel. Ze had het paleis volgestopt met vrouwen die zich elk ogenblik tegen elkaar konden keren, om nog maar te zwijgen van het feit dat een van hen een Duistervriend was, misschien wel een lid van de Zwarte Ajah. En de grootste en zwaarste bedreiging voor haar aanspraak op de troon steunde een vrouw die beweerde dat zij achter Elayne stond. De wereld was beslist gek. Ze kon net zo goed haar eigen steentje bijdragen, ik ben van plan om hem als zwaardhand te binden,’ zei ze, en ze ging door voordat Dyelin meer kon doen dan verbaasd met haar ogen knipperen, ik hoop ook met hem te kunnen trouwen. Maar die zaken hebben niets met de Leeuwentroon te maken. Om te beginnen wil ik...’

Toen ze doorging begon Dyelin te lachen. Elayne had graag willen weten of het van verrukking was, of omdat Dyelin hoorde hoe haar eigen weg naar de Leeuwentroon werd geplaveid. Maar ze wist nu tenminste wat ze tegenover zich had.

Toen Daved Hanlon Caemlin binnenreed, bedacht hij onwillekeurig dat deze stad een rijke oorlogsbuit zou zijn. In zijn soldatenjaren had hij vele geplunderde dorpen en stadjes gezien, en twintig jaar geleden een grote stad, Cairhien, nadat de Aiel vertrokken waren. Het was vreemd dat deze Aiel Caemlin ongemoeid hadden gelaten. Maar ja, als de hoogste torens van Cairhien niet in brand hadden gestaan, had je ook niet geweten dat ze er geweest waren; naast allerlei andere zaken was er genoeg goud voor het oprapen geweest, en genoeg mannen om dat te doen. Hij zag de brede straten vol ruiters en vluchtelingen al voor zich. Vette kooplui die nog voor ze een mes voelden goud boden in de hoop dat ze gespaard zouden worden; magere meisjes en mollige vrouwen die zo doodsbang waren als ze in een hoekje werden gesleurd dat ze nauwelijks konden schreeuwen, laat staan tegenstand bieden. Hij had die dingen meegemaakt en hoopte dat weer te doen. Maar niet in Caemlin, moest hij zuchtend erkennen. Als hij ongehoorzaam had kunnen zijn aan de bevelen die hem hierheen hadden gestuurd, zou hij naar elders zijn gegaan, waar de buit kleiner maar gemakkelijker te halen was.

Zijn instructies waren duidelijk geweest. Hij stalde zijn paard bij De Rode Stier in de Nieuwe Stad en liep een span verder, naar een groot stenen huis in een zijstraat. Het huis behoorde toe aan een rijke koopvrouw die niet met haar goud te koop liep. Op de voordeur stond een klein wapen geschilderd, een rood hart op een gouden hand. De logge kerel met de platgeslagen knokkels en de gemelijke blik die hem binnenliet, was geen koopmansknecht. De grote man ging hem zwijgend voor, de trap naar de kelders af. Hanlon maakte het zwaard in zijn schede even los. Hij had ook meegemaakt hoe mislukkelingen, mannen en vrouwen, naar hun eigen, zorgvuldig voorbereide terechtstelling waren geleid. Hij dacht niet gefaald te hebben maar eerlijk gezegd was hij ook niet geslaagd. Hij had echter wel zijn bevelen opgevolgd. Wat niet altijd genoeg was.

De ruwstenen kelder werd verlicht door langs de muren geplaatste vergulde lampen. Zijn blik viel allereerst op een knappe vrouw in een met kant afgezet gewaad van scharlakenrode zijde, wier haar was opgestoken in een netje van opengewerkt kant. Hij wist niet wie deze vrouwe Shiaine was, maar zijn bevel luidde dat hij haar moest gehoorzamen. Hij maakte zijn mooiste buiging en glimlachte. Ze keek hem slechts aan alsof ze wachtte tot hij nog meer in de kelder had rondgekeken.

Hij kon het ook nauwelijks over het hoofd zien, aangezien de ruimte op enkele tonnetjes na slechts een grote, zwarte tafel bevatte, die op een zeer vreemde manier was versierd. In het tafelblad waren twee ovale gaten uitgestoken. Uit het eerste gat staken het hoofd en de schouders van een man. Het hoofd werd achterover tegen het tafelblad gedrukt door leren riemen die waren vastgenageld aan een houtblok dat tussen zijn tanden was geslagen. De verdere tafelopsmuk werd gevormd door een vrouw die op dezelfde manier vastzat. Ze zaten onder de tafel op de knieën en hun polsen waren aan hun enkels vastgebonden. Stevig vastgezet voor elk soort genoegen. De man had wat grijs in zijn haar en het gezicht van een edelman, maar zijn diepliggende ogen rolden, weinig verrassend, wild heen en weer. Het haar van de vrouw dat over de tafel was uitgespreid, was donker en glanzend, maar haar gezicht was naar Hanlons smaak wat lang.

Ineens keek hij echt goed naar haar gezicht en vloog zijn hand onbewust naar zijn zwaard. Het kostte enige moeite om het gevest los te laten en hij deed zijn uiterste best om dit te verbergen. Het was het gezicht van een Aes Sedai, maar een Aes Sedai die zich zo liet vastbinden was geen bedreiging.

‘Goed, je hebt dus wat hersens,’ merkte Shiaine op. Aan haar tongval te horen was ze een edel vrouwe, en ze straalde macht uit terwijl ze om de tafel schreed en op het mannengezicht neerkeek, ik heb de hoge meester Moridin gevraagd mij een man met hersens te sturen. Onze arme Jaichim hier heeft er niet zoveel.’

Hanlon keek verbaasd en trok zijn gezicht onmiddellijk weer in de plooi. Zijn bevelen waren rechtstreeks van Moghedien gekomen. Wie in de Doemkrocht was Moridin? Het maakte niet uit. Zijn bevelen waren van Moghedien gekomen; dat was genoeg. De bediende gaf Shiaine een trechter, die ze in een geboord gat in het houtblok tussen Jaichims tanden stak. De ogen van de man leken elk moment uit zijn hoofd te kunnen rollen. ‘Onze arme Jaichim hier heeft jammerlijk gefaald,’ zei Shiaine, glimlachend als een vos die naar een kip loert. ‘Moridin wenst dat hij gestraft wordt. Onze arme Jaichim houdt wel van een slokje brandewijn.’ Ze deed een stap naar achteren, maar niet te ver, zodat ze alles nog kon zien, en Hanlon schrok toen de bediende met een vat naar de tafel kwam. Hanlon dacht dat hijzelf het ding misschien zonder hulp zou kunnen tillen, maar de grote man kantelde het tonnetje met gemak. De gebonden man krijste één keer, en toen werd er een stroom donkere vloeistof in de trechter gegoten, waardoor zijn gekrijs verdronk in gereutel. De lucht vulde zich met de scherpe geur van rauwe brandewijn. De man zat volkomen vast, maar hij vocht en rukte en slaagde er zelfs in de tafel opzij te schuiven, maar de brandewijn bleef stromen. Er kwamen luchtbellen in de trechter op toen hij probeerde te schreeuwen, maar de brandewijn gutste door. Waarna zijn wilde bewegingen vertraagden en stopten. Wijd open verglaasde ogen staarden naar het plafond, en brandewijn sijpelde uit zijn neusgaten. De bediende hield echter pas op toen de laatste druppels uit het lege vat vielen.