Выбрать главу

‘Ik denk dat de arme Jaichim uiteindelijk genoeg brandewijn heeft gehad,’ zei Shiaine met een verrukte lach.

Hanlon knikte. Hij nam aan dat de man inderdaad genoeg had gehad. Hij vroeg zich af wie het geweest was.

Shiaine was nog niet klaar. Ze wenkte en haar knecht rukte het houten blok uit de mond van de Aes Sedai. Hanlon vermoedde dat het blok waarschijnlijk enkele tanden had meegenomen, maar de vrouw lette er niet op. Nog voor de kerel de riem had losgelaten, begon ze als een bezetene te praten.

‘Ik zal u gehoorzamen!’ jankte ze. ‘Ik zal gehoorzamen, zoals de hoge meester bevolen heeft! Zijn scherm zal mettertijd oplossen, zodat ik gehoorzaam kan zijn. Hij heeft het me zelf gezegd! Laat het me bewijzen! Ik zal voor u kruipen! Ik ben een worm, en u bent de zon! O, alstublieft! Alstublieft! Alstublieft!’

Shiaine stopte de verstikte woorden, maar niet het gesnik, door een hand op de mond van de Aes Sedai te leggen. ‘Hoe weet ik dat je niet opnieuw zult falen, Falion? Je hebt eerder gefaald, en Moridin heeft jouw bestraffing aan mij overgelaten. Hij heeft me al een ander gegeven en heb ik er twee van jullie soort nodig? Misschien geef ik je nog een tweede kans om voor jezelf te pleiten, Falion. Misschien. Maar als ik dat doe, zul je me moeten overtuigen. Ik verwacht oprechte geestdrift.’

Zodra Shiaines hand wegviel, begon Falion weer te smeken en te gillen; ze deed de meest buitenissige beloften. Het duurde niet lang of er was nog slechts woordeloos gekrijs en gesnik te horen, toen het blok weer in haar mond werd geperst en de riem vastgenageld. Jaichims trechter werd boven haar opengesperde mond geplaatst. De bediende zette een ander vaatje op de tafel, naast haar hoofd. De Aes Sedai leek gek te worden. Haar uitpuilende ogen rolden heen en weer en ze wierp zich onder de tafel alle kanten op tot die stond te schudden.

Hanlon was onder de indruk. Het was veel moeilijker om een Aes Sedai te breken dan een vlezige koopman of zijn blozende dochter. Maar zij had blijkbaar de hulp van een van de Uitverkorenen. Toen hij besefte dat Shiaine naar hem stond te kijken, glimlachte hij niet meer naar Falion. Zijn eerste levensregel was nooit iemand te beledigen die de Uitverkorenen boven hem hadden geplaatst.

‘Vertel me eens, Hanlon,’ zei Shiaine, ‘hoe zou je het vinden om een koningin te pakken te nemen?’

Onwillekeurig likte hij zijn lippen af. Een koningin. Dat had hij nog nooit gedaan.

29

Een uiltje knappen

‘Wees niet zo’n ontzettende wolkop, Rhand,’ merkte Min op. Ze maakte het zich gemakkelijk in kleermakerszit en liet terloops haar voet bengelen, maar ze kon de verbittering niet uit haar stem houden. ‘Ga naar haar toe! Praat met haar!’

‘Waarom?’ snauwde hij. ik weet nu welke brief ik mag geloven. Op deze manier is het beter. Ze is nu veilig. Voor iedereen die mij wil treffen. Veilig voor mij! Het is het beste!’ Maar hij bleef in zijn hemdsmouwen tussen twee rijen stoelen voor de drakentroon ijsberen. Zijn knokkels waren spierwit en hij keek woester dan de zwarte wolken achter de openslaande ramen die Cairhien bedekten onder een nieuw sneeuwdek.

Min wisselde een blik uit met Fedwin Mor die bij de deuren stond. De Speervrouwen lieten nu iedereen die geen bedreiging leek te vormen onaangekondigd binnen, maar de mensen die Rhand vanmorgen niet wilde zien, werden door de stevige knaap weggestuurd. Hij had de draak en het zwaard op zijn zwarte kraag en Min wist dat hij al meer veldslagen en meer gruwelen had meegemaakt dan de meeste mannen die driemaal zo oud waren. Niettemin was hij nog een jongen. Vandaag keek hij van tijd tot tijd niet op zijn gemak naar Rhand en leek jonger dan ooit. Het zwaard op zijn heup stond hem volgens haar niet.

‘De Herrezen Draak is een man, Fedwin,’ zei ze. ‘En net als elke man is hij aan het kniesoren, omdat hij denkt dat een vrouw hem niet meer wil zien.’

De jongen schoot met uitpuilende ogen overeind alsof ze hem gestoken had. Alles wat haar ervan weerhield om in lachen uit te barsten was de wetenschap dat Rhand een pijn onderdrukte die even echt was als een dolkwond. Dat en haar rotsvaste overtuiging dat hij evenzeer getroffen zou zijn als zij had gedaan wat er gebeurd was. Niet dat ze ooit de kans zou krijgen om zijn broek naar beneden te trekken, maar het beeld paste nu wel. Rhand was aanvankelijk stomverbaasd geweest door het nieuws dat Taim bij dageraad uit Caemlin had gebracht, maar meteen na het vertrek van de man zag hij er niet meer uit als een versufte stier en was gaan... Nou ja, dit! Ze stond op, verschikte haar lichtgroene jas, sloeg haar armen over elkaar en sprak hem rechtstreeks aan. ‘Wat kan het anders zijn?’ vroeg ze kalm. Goed, ze probeerde kalm te blijven en het lukte haar bijna. Ze hield van hem, maar na zo’n ochtend als deze had ze hem een ferme draai om de oren willen geven. ‘Je hebt het geen enkele keer over Mart gehad en je weet niet eens of hij nog in leven is.’

‘Mart leeft nog,’ beet Rhand terug, ik zou het weten als hij dood was. Wat bedoel je met dat ik aan het...’ Hij klemde zijn kaken op elkaar alsof hij het niet kon opbrengen dat woord te zeggen. ‘Kniezen,’ bood ze hem aan. ‘En nog even en dan ga je mokken. Sommige vrouwen vinden mannen leuker als ze mokken. Ik hoor daar niet bij.’ Zo te zien moest ze op deze manier niet doorgaan. Zijn gezicht stond donker en hij bloosde niet eens. ‘Heb jij niet stad en land afgehold om te zorgen dat ze de troon van Andor kreeg? Wat volgens elk recht haar troon is, zou ik eraan toe willen voegen. Heb je niet gezegd dat jij wilde dat ze Andor in zijn geheel in handen kreeg en niet uiteengereten, zoals Tyr en Cairhien?’

‘Dat heb ik ook gezegd,’ brulde hij. ‘En het is van haar en nu wil ze me daar niet hebben! Mij best, zou ik zeggen. En zeg niet tegen me dat ik niet zo moet schreeuwen. Ik ben geen...’ Hij besefte dat hij het deed en klemde zijn tanden op elkaar. Uit zijn keel klonk een zacht gegrom. Mor begon een knoop te bekijken en draaide die rond en weer terug. Dat had hij vanmorgen veel gedaan. Min bleef effen kijken. Ze ging hem geen klap verkopen en hij was te groot om over de knie te nemen. ‘Andor is van haar, zoals je wenste,’ zei ze. Kalm. Bijna. ‘Geen enkele Verzaker zal achter haar aan gaan nu ze jouw banieren verscheurd heeft.’ Een gevaarlijk licht glansde op in zijn blauwgrijze ogen, maar ze hield aan. ‘Precies zoals je wilde. En je neemt toch zeker niet aan dat ze de kant van jouw vijanden heeft gekozen? Andor zal de Herrezen Draak volgen en dat weet je best. Dus de enige reden dat je zo over je toeren bent, is dat jij aanneemt dat ze jou niet wil zien. Ga erheen, stommeling!’ Wat ze nu ging zeggen was het moeilijkste. ‘Voor je twee woorden uitkraamt, zal ze je kussen.’ Licht, ze hield bijna evenveel van Elayne als van Rhand – misschien evenveel, op een heel andere manier -maar hoe kon een vrouw wedijveren met een prachtige goudblonde koningin die op haar wenken werd bediend door een machtig rijk? ik ben niet... kwaad,’ zei Rhand met een stem die zowat knapte. Hij begon weer heen en weer te benen. Min overwoog of ze hem een schop onder zijn achterste zou geven. Een heel harde. Een van de deuren ging open om de tanige Sorilea toe te laten. Ze had Mor al opzij geduwd, terwijl die nog stond te kijken of Rhand haar wel wilde ontvangen. Rhand wilde al boos wat zeggen – kwaad, al zei hij duizend keer van niet. Vijf vrouwen in dikke zwarte kleren, vochtig van gesmolten sneeuw, volgden de Wijze de kamer in, met gevouwen handen, de ogen neergeslagen en met grote kapmantels die hun gezichten niet geheel verborgen. Hun voeten waren in vodden gewikkeld.