Выбрать главу

Deze keer verwachtte men geen echt gevaar, dus volgden de Aes Sedai meteen, evenals Elayne en Nynaeve. In dit gebied stonden overal boerderijen, en misschien dienden een zwervende herder of een jong stelletje dat zich had afgezonderd te worden afgeleid zodat ze niet te veel zouden zien. Geen Schaduwziel of Schaduwloper kon van deze open plek afweten; alleen zij en Elayne en Nynaeve, en ze hadden niet over hun keus gesproken uit angst voor afluisteren. Elayne keek, staande in de opening, Aviendha vragend aan, maar Aviendha gebaarde haar door te lopen. De bedoeling van een plan was dat het uitgevoerd werd, tenzij er een reden was om het te veranderen. De windvindsters trokken langzaam door naar de open plek. Elk van hen aarzelde bij het naderen van iets waarvan ze zelfs nooit gedroomd hadden, en haalde diep adem voor ze erdoor stapte. Ineens voelde Aviendha het gekriebel weer.

Haar ogen zochten de vensters af die uitkeken over de binnenplaats. Iedereen kon zich verbergen achter de witte schermen van ingewikkeld smeedijzer en opengewerkt houtsnijwerk. Tylin had haar dienaren bevolen bij de ramen weg te blijven, maar wie hield Teslyn of Joline tegen, of... Iets deed haar opkijken, naar de koepels en de slanke torenspitsen. Sommige hadden smalle transen, en op een ervan, heel hoog, bevond zich een zwarte gestalte, omgeven door een helle stralenkrans van de achterliggende zon. Een man. Ze snakte naar adem. Niets in zijn houding of in zijn handen op de stenen balustrade wees op gevaar, maar ze wist dat hij de prikkeling tussen haar schouderbladen veroorzaakte. Een Schaduwziel zou daar niet gewoon staan kijken, maar dat schepsel, die gholam... Haar maag werd een klomp ijs. Het kon een gewone paleisdienaar zijn. Dat kon, maar daar geloofde ze niet in. Het was geen schande om vrees te voelen.

Bezorgd keek ze naar de vrouwen die zo verschrikkelijk traag door de poort gingen. De helft van het Zeevolk was weg en de Weefkring wachtte achter de laatste windvindsters met de stevig afgeschermde Schaduwloper. De poort maakte hen onrustig, maar ze koesterden toch wrok dat het Zeevolk er als eerste doorheen mocht. Als ze haar verdenking uitsprak, zouden de Kinsvrouwen het zeker op een lopen zetten. Het noemen van Schaduwzielen deed hun mond al opdrogen en veranderde hun ingewanden in water. De windvindsters zouden dan de Schaal weleens onmiddellijk kunnen opeisen. Bij hen ging de Schaal boven alles. Maar alleen een blinde zottin bleef zichzelf krabben terwijl een leeuw de kudde besloop die zij moest bewaken. Ze greep een van de Atha’an Miere bij een roodzijden mouw. ‘Zeg tegen Elayne...’ Zwarte kiezels, vlak en hard, staarden haar aan vanuit een gezicht dat zo glad was als een gepolijste zwarte steen en dat erin slaagde de volle lippen dun te laten lijken. Wat voor boodschap kon ze sturen zonder dat die de gevreesde moeilijkheden veroorzaakte? ‘Zeg Elayne en Nynaeve op hun hoede te zijn. Vertel ze dat vijanden altijd komen als je er het minste behoefte aan hebt. Zeg haar dit, zonder uitstel.’ De windvindster knikte met nauwelijks verholen ongeduld, maar het verbaasde Aviendha dat ze wachtte tot ze losgelaten werd voor ze aarzelend de poort door ging. De torentrans was leeg. Aviendha voelde geen opluchting. Hij kon overal zijn, op weg naar deze binnenplaats. Wie of wat hij ook was, hij was gevaarlijk; dit was geen stofwolk waarin je waanbeelden las. De laatste vier zwaardhanden hadden een vierkant om de poort gevormd, een achterhoede die als laatste zou gaan. Hoewel ze hun zwaarden verachtte, was ze blij dat er nog anderen waren die het gebruik van scherp metaal kenden. Niet dat ze daarmee tegen een gholam of, nog erger, tegen een Schaduwziel meer kans hadden dan de dienaren die met de paarden stonden te wachten. Of dan zijzelf. Grimmig putte ze de Ene Kracht, tot de zoetheid van saidar bijna pijn deed. Een heel klein beetje meer en de pijn zou een verblindende doodsstrijd worden die zo lang zou duren als het kostte om te sterven of haar vermogen geheel te verliezen. Konden die voortschuifelende vrouwen hun voeten niet sneller verplaatsen? Er was geen schande in het voelen van vrees, maar ze was heel erg bang dat haar vrees van haar gezicht viel af te lezen.

2

Ontweving

Zodra Elayne de poort door was, stapte ze opzij, maar Nynaeve stampte over de open plek en joeg bruine krekels uit het dode gras op terwijl ze uitkeek naar sporen van zwaardhanden. Of liever gezegd: van één zwaardhand. Een vuurrode vogel flitste over hen heen en was verdwenen. Behalve de zusters bewoog er niets. Ergens tjirpte een eekhoorn in een bijna bladerloze boom, waarna het stil werd. Elayne achtte het onmogelijk dat hier drie zwaardhanden doorheen waren gekomen zonder een spoor zo breed als van Nynaeve achter te laten, maar ze kon nergens uit opmaken dat ze hier één voet hadden gezet.

Ze voelde Birgitte ergens links van haar. Ergens in het zuidwesten, dacht ze, en heel tevreden en duidelijk niet in gevaar. Careane, die deel uitmaakte van een beschermende kring rond Sareitha en de Schaal, hield haar hoofd schuin alsof ze ergens naar luisterde. Kennelijk zat haar Cieril in het zuidoosten. Wat inhield dat Lan in het noorden was. Vreemd genoeg hield Nynaeve het noorden in de gaten, terwijl ze voortdurend binnensmonds bleef mopperen. Misschien had het huwelijk een richtinggevoel bij haar ontwikkeld. Maar waarschijnlijk had ze een voor Elayne onzichtbaar spoortje ontdekt. Nynaeve was al even bedreven in spoorzoeken als met haar kruiden. Vanaf de plek waar Elayne eerst had gestaan, was Aviendha achter de poort duidelijk zichtbaar. Ze keek naar de paleisdaken alsof ze een hinderlaag verwachtte. Haar houding was die van iemand die speren droeg, klaar om zich met rijkleren en al in het strijdgewoel te storten. Het bezorgde Elayne een glimlach, de manier waarop Aviendha verborg hoe verontrust ze zich voelde door haar moeilijkheden met de poort. Ze was zoveel dapperder dan zijzelf. Maar tegelijkertijd maakte ze zich onwillekeurig zorgen. Aviendha was inderdaad dapper, en Elayne kende niemand die zo goed haar hoofd koel kon houden. Maar ze kon ook besluiten dat ji’e’toh haar gebood om te vechten terwijl alleen een vlucht haar enige kans bood. De gloed om haar heen scheen zo helder dat ze duidelijk niet veel meer saidar kon putten. Als er echt een Verzaker verscheen...

Ik had bij haar moeten blijven. Elayne verwierp die gedachte onmiddellijk. Wat voor voorwendsel ze ook zou geven, Aviendha zou de waarheid weten, en soms was ze net zo lichtgeraakt als een man. Meestal eigenlijk, vooral wanneer het om haar eer ging. Met een zucht liet Elayne zich door de Atha’an Miere bij de poort vandaan dringen. Maar ze bleef dichtbij genoeg om een kreet van de andere kant te kunnen horen. Dichtbij genoeg om Aviendha in een oogwenk te hulp te snellen. En vanwege een andere reden. De windvindsters kwamen er in volgorde van hun rang doorheen. Ze probeerden uit alle macht om hun gezicht in de plooi te houden, maar zelfs Renaile ontspande haar gespannen schouders zodra haar blote voeten het hoge bruine gras raakten. Enkelen rilden even, wat snel werd onderdrukt, of keken met grote ogen om naar de opening die midden in de lucht hing. En allemaal staarden ze achterdochtig naar Elayne terwijl ze langs haar heen liepen. Twee of drie deden zelfs hun mond open, misschien om te vragen wat ze aan het doen was. Wellicht wilden ze haar vragen – of bevelen – om door te lopen. Heimelijk was ze blij dat de windvindsters zich op Renailes aandringen verder haastten. Ze zouden gauw genoeg de kans krijgen om Aes Sedai te vertellen wat ze moesten doen; dat hoefde niet bij haar te beginnen.