Elayne kneep haar lippen op elkaar. In de Toren? Tot ze door iemand anders konden worden onderzocht, bedoelde Vandene. Iemand die ouder was en verondersteld werd meer ervaring te hebben, ik wéét wat ik doe, Vandene. Per slot van rekening heb ik ter’angrealen gemaakt. Tot nog toe is daar verder geen levende ziel in geslaagd.’ Ze had enkele zusters de grondbeginselen bijgebracht, maar bij haar vertrek naar Ebo Dar was het nog niemand gelukt. De oude Groene zuster knikte en klapte verstrooid met de teugels tegen de palm van haar rijhandschoenen. ‘Martine Janata wist volgens mij ook wat ze deed,’ zei ze terloops. ‘Dat was de laatste zuster die zich echt toelegde op het onderzoek van ter’angrealen. Ze deed het meer dan veertig jaar, bijna vanaf de tijd dat ze de stola kreeg. Zij was ook voorzichtig, heb ik mij laten vertellen. Toch vond haar kamermeisje haar op een dag bewusteloos op de vloer van de zitkamer. Opgebrand.’ De woorden klonken heel gewoon, maar waren een klap m haar gezicht. Vandenes stem was echter in het geheel niet veranderd. ‘Haar zwaardhand was door de schok gedood. Dat is in dat soort gevallen niet ongewoon. Toen Martine drie dagen later weer bijkwam, kon ze zich niet meer voor de geest halen waaraan ze gewerkt had. Ze was de hele week ervoor kwijt. Dat is meer dan vijfentwintig jaar geleden, en niemand heeft sindsdien de moed gehad om een van de ter’angrealen in haar kamer aan te raken. Haar aantekeningen beschreven elk voorwerp en alles wat ze ontdekt had, was onschadelijk, onschuldig, zelfs onnozel, maar...’ Vandene haalde haar schouders op. ‘Ze vond iets wat ze niet verwachtte.’
Elayne gluurde naar Birgitte en merkte dat Birgitte naar haar keek. Ze hoefde de bezorgdheid van de ander niet te zien; die weerspiegelde zich in haar eigen geest, in dat kleine stukje van haar geest dat Birgitte was, en in de rest. Birgitte voelde haar bezorgdheid, en zij voelde die van Birgitte, tot het soms moeilijk was om ze te onderscheiden. Ze riskeerde meer dan zichzelf. Maar ze wist wat ze deed. Meer dan wie dan ook hier. En zelfs als er geen Verzaker verscheen, hadden ze alle angrealen nodig die zij kon vinden. ‘Wat is er met Martine gebeurd?’ vroeg Nynaeve zacht. ‘Daarna, bedoel ik?’ Ze kon het nooit hebben dat iemand leed door geen Heling te krijgen. Zij wilde alles helen.
Vandenes gezicht betrok. Ze had weliswaar zelf Martine ter sprake gebracht, maar Aes Sedai spraken liever niet over opgebrande of gesuste vrouwen. Ze hielden er niet van om aan hen terug te denken. ‘Toen ze eenmaal in staat was om de Toren te ontvluchten, verdween ze,’ zei ze snel. ‘Onthou het belangrijkste: ze was voorzichtig. Ik heb haar nooit ontmoet, maar ze hebben me verteld dat ze elke ter’angreaal behandelde alsof ze helemaal niet wist wat die daarna zou gaan doen. Zelfs de ter’angrealen waarmee de stof voor de zwaardhandmantels gemaakt wordt, en niemand heeft die ooit iets anders kunnen laten doen. Ze was voorzichtig, en het heeft haar niet geholpen.’ Nynaeve legde een arm over de nu bijna lege mand. ‘Misschien zou je echt...’ begon ze. ‘Neeeee!’ krijste Merilille.
Elayne draaide zich vliegensvlug om en opende zichzelf opnieuw met de angreaal voor saidar. Ze was zich maar nauwelijks bewust van de Kracht die door Nynaeve en Vandene stroomde. Rond iedere vrouw die op deze plek was en de Ware Bron kon omhelzen, sprong de gloed van saidar op. Merilille zat verkrampt in het zadel en wees naar de poort. Haar ogen leken uit haar hoofd te rollen. Elayne keek verbaasd. Daar bevonden zich alleen Aviendha, en de laatste vier zwaardhanden die waren opgeschrikt terwijl ze van de poort wegliepen en nu met half getrokken zwaarden naar de dreiging zochten. Toen besefte ze met een schok wat Aviendha aan het doen was, en van schrik verloor ze bijna haar greep op saidar. De poort begon te trillen toen Aviendha zorgvuldig de weving uithaalde die hem gevormd had. Hij sidderde, vervormde en de randen golfden heen en weer. De laatste stromen lieten los. In plaats van te verdwijnen, bleef de opening flikkeren tot het zicht op de binnenplaats vervaagde en als mist in de zon oploste. ‘Dat is onmogelijk!’ zei Renaile ongelovig. Uit de windvindsters steeg een verbaasd instemmend gemompel op. De Kinsvrouwen gaapten met geluidloos bewegende lippen naar Aviendha. Hoewel ze het met eigen ogen had gezien, knikte Elayne langzaam. Kennelijk was het mogelijk, maar een van haar eerste lessen als novice was geweest dat ze nooit en te nimmer, onder geen enkele omstandigheid, mocht proberen wat Aviendha zojuist gedaan had. Een weving uitrafelen, die gewoon laten oplossen, was onmogelijk, hadden ze haar gezegd. Een ramp was dan onafwendbaar. Onafwendbaar.
‘Dwaas!’ zei Vandene woest, met een gezicht als een donderwolk. Ze stapte driftig op Aviendha af en trok haar paard achter zich aan. ‘Besef je wel wat je bijna hebt aangericht? Eén fout – één enkele, en niemand had kunnen zeggen waar de weving zich aan gehecht had of wat die gedaan had! Je had alles binnen honderd pas kunnen vernietigen. Binnen vijfhonderd pas! Je had kunnen opbranden en...’
‘Het was noodzakelijk,’ onderbrak Aviendha haar. Zij en Vandene waren omringd door Aes Sedai te paard, die allemaal wat wilden zeggen, maar ze keek hen woest aan en overstemde hen. ik ken de gevaren, Vandene Namelle, maar het was nodig. Is dit weer zoiets wat jullie Aes Sedai niet kunnen? De Wijzen zeggen dat elke vrouw dit kan leren. De een wat beter dan de ander, maar elke vrouw die borduurwerk kan uithalen kan dit aanleren.’
‘Dit is géén borduurwerk, meisje!’ Merililles stem klonk als donker winterijs. ‘Wat voor lessen jij bij jouw volk ook gekregen mag hebben, je kunt gewoon niet weten waarmee je speelt! Je moet me beloven – me zweren! – dat je dit nooit meer zult doen!’
‘Haar naam zou in het noviceboek moeten staan,’ zei Sareitha kortaf, haar boos aankijkend over de Schaal die ze nog steeds stevig tegen zich aan geklemd hield. ‘Dat heb ik altijd al gezegd. Ze hoort in het boek te worden opgenomen.’ Careane knikte, en haar strenge blik nam de maat al voor Aviendha’s novicekleding. ‘Dat heeft op dit moment niet het grootste belang,’ zei Adeleas tot Aviendha, en ze boog zich voorover in het zadel, ‘maar je moet je door ons laten leiden.’ De stem van de Bruine zuster klonk veel milder dan die van de anderen, maar wat ze zei was geen voorstel. Een maand of zo eerder zou Aviendha onder al die afkeuring van Aes Sedai ineen zijn gekrompen, maar nu niet. Elayne drong zich tussen de paarden door, voor haar vriendin besloot het mes waarmee ze speelde ook te trekken. Of iets ergers te doen. ‘Misschien zou iemand kunnen vragen waaróm ze het nodig vond,’ zei ze. Ze sloeg een arm om Aviendha’s schouders, zowel om haar in bedwang te houden als om haar te steunen.
Aviendha wierp geërgerde blikken op de andere zusters. ‘Dit laat geen sporen na,’ zei ze geduldig. Te geduldig. ‘De resten van zo’n grote weving kunnen twee dagen later nog gelezen worden.’ Merilille snoof; een hard geluid uit zo’n klein lichaam. ‘Dat is een zeldzaam Talent, meisje. Noch Teslyn noch Joline hebben het. Of leren jullie Aielwilders dat ook allemaal?’
‘Slechts weinigen kunnen het,’ gaf Aviendha toe. ‘Maar ik wel.’ Dat riep een ander soort blikken op, ook bij Elayne; het was een héél zeldzaam Talent. Aviendha leek het niet te merken. ‘Beweren jullie dat geen van de Schaduwzielen dit kan?’ ging ze door. Haar strakke schouder onder Elaynes hand verried dat ze niet zo beheerst was als ze zich voordeed. ‘Zijn jullie zulke dwazen dat jullie sporen voor jullie vijanden achterlaten? Wie de resten kan lezen, kan een poort hierheen maken.’
Dat zou zeer grote kundigheid vergen, maar het idee deed Merilille verstomd staan. Adeleas deed haar mond open, en toen zonder een woord weer dicht, en Vandene keek nadenkend. Sareitha zag er alleen maar bezorgd uit. Wie kon zeggen welke Talenten de Verzakers bezaten, en welke vaardigheden?