Выбрать главу

Toen vloeide, vreemd genoeg, alle opstandigheid uit Aviendha weg. Ze sloeg haar ogen neer en haar schouders verloren hun stijfheid.

‘Misschien had ik het niet moeten riskeren,’ mompelde ze. ‘Door het gevaar van die man kon ik niet helder denken, en toen hij verdween...’ Iets van haar veerkracht kwam weer terug, maar niet veel. ik geloof niet dat een man mijn wevingen kan lezen,’ zei ze tot Elayne, ‘maar als hij een van de Schaduwzielen is, of zelfs de gholam... De Schaduwzielen weten meer dan ieder van ons. Als ik het mis had, heb ik een grote toh. Maar dat geloof ik niet. Nee.’

‘Welke man?’ wilde Nynaeve weten. Haar hoed was scheef gezakt toen ze zich tussen de paarden door had gedrongen. Daardoor en door de harde blik die ze iedereen schonk, leek ze klaar te staan voor een gevecht. Misschien was dat ook zo. Careanes ruin duwde haar per ongeluk tegen haar schouder en ze gaf het dier een mep op de neus.

‘Een dienaar,’ zei Merilille geringschattend. ‘Wat Tylin ook bevolen heeft, Altaraanse dienaren zijn een eigenwijs stel. Of misschien haar zoon; die jongen is veel te nieuwsgierig.’

De zusters om haar heen knikten, en Careane zei: ‘Een Verzaker zou niet zomaar staan toekijken. Dat heb je zelf gezegd.’ Ze gaf de hals van haar ruin een klopje en keek Nynaeve beschuldigend aan. Careane schonk haar paard het soort genegenheid dat de meeste mensen voor kleine kinderen bewaarden.

‘Misschien was het een dienaar, en misschien was het Beslan. Misschien.’ Nynaeves gesnuif gaf aan dat ze het niet geloofde. Of dat ze hen wilde laten geloven dat ze dat niet deed. Ze kon je midden in je gezicht zeggen dat je een blinde zot was, maar als een ander dat beweerde, zou ze je verdedigen tot ze er hees van werd. Ze leek nog niet besloten te hebben of ze Aviendha wel of niet mocht, maar over de oudere Aes Sedai had ze zich zeker een mening gevormd. Ze trok haar hoed bijna recht, en haar frons gleed langs iedereen heen, en nog eens. ‘Of het nu Beslan was, of de Duistere zelf, het heeft geen zin hier de hele dag te staan. We moeten ons klaarmaken om naar de boerderij te trekken. Nou? Opschieten!’ Ze klapte hard in haar handen en zelfs Vandene schrok op.

Er waren niet veel voorbereidingen meer nodig toen de zusters uit de weg waren gereden. Lan en de andere zwaardhanden hadden niet stilgestaan toen ze eenmaal beseften dat er geen gevaar was. Een paar dienaren waren weer teruggestapt door de poort voordat Aviendha die had laten oplossen, maar de rest stond bij zo’n dertig pakpaarden. Ze gluurden van tijd tot tijd naar de Aes Sedai en vroegen zich kennelijk af wat hun volgende wonder zou zijn. De windvindsters zaten allemaal in het zadel, zij het wat onbeholpen, en hielden hun teugels vast alsof ze verwachtten dat de paarden elk ogenblik op hol zouden slaan, of misschien wel vleugels zouden laten groeien en opstijgen. Ook de Weefkring zat in het zadel, zij het beduidend meer op hun gemak. Ze gaven er niets om dat hun rok en onderrokken tot hun knieën omhoogkropen. Ispan had nog steeds een kap op en was als een bundel op een zadel gebonden. Ze kon niet rechtop gezet worden, maar zelfs Sumeko schrok op wanneer haar ogen op Ispan vielen.

Nynaeve keek nijdig om zich heen en leek iedereen een verbale aframmeling te willen geven zodat ze zouden doen wat al gedaan was. Dat duurde echter slechts tot Lan haar de teugels van haar plompe bruine merrie had gegeven. Ze had Tylins geschenk, een beter paard, hardnekkig afgewezen. Haar hand beefde wat toen ze Lans hand aanraakte. Haar gezicht verschoot van kleur toen ze de kwaadheid wegslikte die ze had willen ontketenen. Toen hij haar een hand voor haar voet wilde aanbieden, staarde ze hem even aan alsof ze zich afvroeg wat hij wilde, waarna ze opnieuw kleurde toen hij haar in het zadel wipte. Elayne kon slechts haar hoofd schudden. Ze hoopte dat het huwelijk geen dwaas van haar zou maken. Als ze huwde. Birgitte voerde haar zilvergrijze merrie en Aviendha’s zandkleurige vos aan, maar leek te begrijpen dat Elayne onder vier ogen een woordje met Aviendha wilde wisselen. Ze knikte, bijna alsof Elayne haar iets had gezegd, draaide zich op haar muiskleurige ruin om en reed naar de andere zwaardhanden. Zij begroetten haar met een knikje en begonnen zacht iets te bespreken. Volgens hun blikken op de zusters had dat ‘iets’ te maken met de zorg voor Aes Sedai, of die dat nu wensten of niet. Waaronder zijzelf, bedacht Elayne grimmig. Maar daar was nu geen tijd voor. Aviendha stond met de teugels van haar paard te spelen en staarde naar het dier als een novice in een keuken vol vettige pannen. Waarschijnlijk zag Aviendha weinig verschil tussen het schuren van pannen en paardrijden.

Elayne trok haar groene rij handschoenen aan, plaatste Leeuwin onopvallend zo dat ze aan de blikken van de anderen onttrokken waren, en raakte toen Aviendha’s arm aan. ‘Praten met Adeleas of Vandene zou kunnen helpen,’ zei ze vriendelijk. Ze moest heel voorzichtig zijn, even voorzichtig als met een ter’angreaal. ‘Ze zijn oud genoeg om meer te weten dan jij vermoedt. Er moet een reden zijn waarom je... moeite hebt met... Reizen.’ Dat was redelijk zacht uitgedrukt. Aviendha had in het begin zelfs bijna gefaald in het opzetten van de weving. Voorzichtig. Aviendha was vele malen belangrijker dan welke ter’angreaal ooit kon zijn. ‘Ze zouden je kunnen helpen.’

‘Hoe zouden ze dat kunnen?’ Aviendha keek strak naar het zadel op haar ruin. ‘Ze kunnen zelf niet Reizen. Hoe kunnen zij weten waarmee ze kunnen helpen?’ Ineens zakten haar schouders omlaag, en ze keerde zich naar Elayne, die geschokt zag dat er tranen in haar groene ogen blonken. ‘Dat is niet de waarheid, Elayne. Niet de hele waarheid. Zij kunnen niet helpen, maar... Jij bent mijn naastzuster, jij hebt het recht om het te weten. Ze geloven dat ik bang werd vanwege een dienaar. Als ik om hulp vraag, komt het allemaal uit. Dat ik ooit Reizen heb gebruikt om weg te vluchten van een man. Een man van wie ik in mijn hart hoopte dat hij mij zou vangen. Te vluchten als een konijn! Te vluchten terwijl ik gepakt wilde worden. Hoe kan ik ze zo’n schande laten weten? Zelfs al zouden ze mij kunnen helpen, hoe kan ik dat zelf?’

Elayne had het liever niet geweten. Niet dat deel van het gevangen worden tenminste. Het feit dat Rhand haar inderdaad gevangen had. Ze graaide de splinters jaloezie bijeen die ineens door haar heen dwarrelden, stopte ze in een zak en borg die weg in haar achterhoofd. En voor de zekerheid sprong ze er nog een paar keer op. Als een vrouw de dwaas speelt, zoek dan de man. Dat was een zeer geliefde spreuk van Lini. Een andere was: Katjes verwarren je wol, mannen je geest, en voor beiden is het even gewoon als ademhalen. Ze haalde diep adem. ‘Niemand zal dit ooit van mij horen, Aviendha. Ik zal je zoveel mogelijk helpen. Als ik erachter kan komen hoe.’ Ze meende niet echt veel te kunnen doen. Aviendha zag opmerkelijk snel hoe wevingen werden gevormd, veel sneller dan zijzelf. Aviendha knikte slechts en werkte zich onhandig in het zadel, al ging het wat leniger dan bij het Zeevolk. ‘Er was een man die ons gadesloeg, Elayne, en hij was geen dienaar.’ Ze keek Elayne recht aan en voegde eraan toe: ‘Hij joeg me angst aan.’ Iets wat ze waarschijnlijk niemand anders ter wereld zou hebben toegegeven. ‘We zijn nu veilig voor hem, wie hij ook was,’ zei Elayne, en ze wendde Leeuwin om achter Nynaeve en Lan aan de open plek te verlaten. Natuurlijk was het hoogstwaarschijnlijk een dienaar geweest, maar dat zou ze nooit zeggen, zeker niet tegen Aviendha. ‘We zijn veilig, en over niet al te lange tijd zullen we de boerderij van de Kinne bereiken. We gebruiken de Schaal en de wereld zal weer heel zijn.’ Nou ja, gedeeltelijk dan. De zon leek lager dan op de binnenplaats, maar ze wist dat het slechts verbeelding was. Eindelijk hadden ze een flinke voorsprong op de Schaduw verkregen.

Achter een scherm van wit smeedijzer zag Moridin de laatste pakpaarden door de poort verdwijnen, en toen de rijzige jonge vrouw en de vier zwaardhanden. Het was mogelijk dat ze enkele voorwerpen wegvoerden die hij had kunnen gebruiken – misschien een angreaal voor geleiders – maar de kans was klein. Wat het overige betrof, de ter’angrealen; ze zouden zichzelf zeer waarschijnlijk ombrengen bij hun pogingen uit te vinden hoe ze die konden gebruiken. Sammael was een dwaas geweest om zoveel te riskeren voor een verzameling waarvan niemand wist wat die bevatte. Maar ja, Sammael was maar half zo slim geweest als die zichzelf vond. Hijzelf zou zijn plannen niet verknoeien voor een kansje om overblijfselen van de beschaving in handen te krijgen. Slechts ijdele nieuwsgierigheid had hem hier gebracht. Hij was graag op de hoogte van wat anderen belangrijk achtten. Maar het was droesem.